Handboek J. Stuy (1919)

 J. Stuy: Handleiding voor het boksen. Met een inleiding van W.P. Hubert van Blijenburgh en met 38 afbeeldingen naar fotografieën. Rotterdam: W.L. & J. Brusse’s Uitgeversmaatschappij, 1919
163 pag.

Twee drukken beleefde dit boek van Stuy: de eerste in 1919, de tweede in 1922. Grote roem heeft hij er niet mee behaald. Dankzij de titelpagina weten we nog iets over hem: Stuy was “Leeraar aan de gymnastiek- en sportschool der koninklijke marine”. Degene die een woordje ter aanbeveling schreef, was ook een sportman. Hubert van Blijenborgh (1881-1936) behaalde enkele bronzen medailles op Olympische Spelen. Hij had een leidinggevende functie aan de Marineschool in Den Helder en schreef  het boek Kamergymnastiek in tien lessen (1930).

J. Stuy zal geen leraar geweest zijn die lang van stof was, deze handleiding telt slechts 63 pagina’s, en daarvan besteedt hij een flink gedeelte aan de inleiding, het onderwijs en een lijst van Engelse termen, en zo nog wat meer onderwerpen rondom de sport. Er staat ook het volledige wedstrijdreglement van de Nederlandse Boksbond in, dat in 1919 slechts 48 logische en heldere bepalingen bevatte. Destijds bestonden er maar twee districten, er waren nog plaatselijke kampioenschappen, een bokser was nooit een vrouw en de bond ging ook over de profboksers:

“Art.24. De N.B.B. regelt de wedstrijden tusschen beroepsboksers in Nederland. Alle daaraan deelnemende wedstrijden worden geacht de reglementen van den N.B.B te kennen en moeten zich eraan onderwerpen. Zij zijn – voor zoo verre Hollander – verplicht bondslid te wezen.”

Dit gaat dan over het wedstrijdboksen. Stuy onderscheidt dat van het ‘spelboksen’, dat is wat nu recreatief boksen heet, en van vechtboksen, waarmee hij een straatgevecht bedoelt. Dat lag toen kennelijk nog dicht bij elkaar.

Echt een Pietje Precies is Stuy niet. Meer algemeen beschrijvend, en met de fotobijlage erbij lijkt hij zich vooral te richten tot collega-sportleraren, die ook boksles willen gaan geven. Hij geeft dan ook een reeks van 12 ‘programma’s’, kant en klare trainingen zijn dat. Wie sportkennis heeft en didactische vaardigheden bezit, moet volgens Stuy hiermee een heel eind komen. Heel diep gaat het niet, maar gezien de tweede druk van het boek, sloeg het allemaal wel aan. Ik neem het eerste en laatste programma over.

“Eerste programma
a. de stelling [= staan]
Na de hebben aangegeven aan welke eischen de stelling moet voldoen en den leerlingen deze te hebben voorgedaan, doet de onderwijzer de klasse zoo vrij mogelijk de stellingen aannemen en verbetert ze voor zoover noodig.
b. Been-, arm- en rompbewegingen in de stelling. Passen voorwaarts, achterwaarts, links en rechts zijwaarts, sprongen achterwaarts. Uitval met linkerarm strekken.
c. Rug- en buikspieroefeningen. Ademhalingsoefeningen.”

“Twaalfde programma
a. 5 á 10 min. voetwerk.
b. Partijboksen onderling en met onderwijzer (3 ronden van 2 minuten)
c. Rug- en buikspieroefeningen. Ademhalingsoefeningen.”

In de andere programma’s gaat de aandacht vaak naar “stootwerk, “voetwerk” en het oefenen met verschillende tegenstanders: “Geef hen daarna tegenpartijen van verschillende lengte, zoodat zij ook in die gevallen enig begrip van den afstand krijgen.”

Al met al vooral een boek voor andere onderwijzers en leraren, waarmee ze een eenvoudige bokscursus in elkaar konden zetten. Kennelijk was dat nodig, gezien de vraag naar bokslessen. Niet iedereen kon naar een boksschool, of wilde dat. Als Stuy bij de Marine boksles heeft gegeven, en dat lijkt aannemelijk, zijn er heel wat jongens met de ‘methode Stuy’ de zee op gegaan.

J. Stuy: Handleiding voor het boksen. Met een inleiding van W.P. Hubert van Blijenburgh en met 38 afbeeldingen naar fotografieën
Rotterdam: W.L. & J. Brusse’s Uitgeversmaatschappij, 1919
163 pag.

Inhoud
Inleiding
I. Het boksen
Vecht- en spelboksen; Het trefvlak; De stelling; De beenbewegingen (voetwerk); De rompbewegingen; De armbewegingen; De afstand.

Algemeen overzicht der bewegingen: aanvalsbewegingen, verdedigingsbewegingen.

De aanvalsbewegingen; De rechte stooten; De halfarmstooten; De zwaaistoten; De dubbele stooten; De vuisthouding; De zelfverdedigingsbewegingen; Dekken; Blokken; Weren: slaan en schuiven; Ontwiklen en ontduiken; Dubbeldekkingen; De vooraanval; De tegenaanval; Na-aanvallen; Invechten; Vastgrijpen; Losbreken; Schijnaanvallen; Lokken;

II. Vecht- en wedstrijdboksen
Wedstrijdreglement Ned. Boksbond; Practische en taktische aanwijzingen; Training

III. Het onderwijs
Algemeene beginselen; Hulpmiddelen bij het onderwijs; Opstelling der klasse; Wenken voor den onderwijzer; Lesprogramma’s; Lijst van Engelsche uitdrukkingen

Afbeeldingen naar fotografieën

Een losse bijlage achterin, hieruit pagina 2 en 3.

Handboek Yz van der Weerd (1983)

Yz van der Weerd: Boksen. Een handboek voor trainer, coach en bokser. Krachttraining.
Haarlem: Uitgeverij de Vrieseborch, 1983
175 pag. Rijk geïllustreerd.

Dit is een no nonsense boek. Geen inleiding, geen voorwoord, geen toelichting op de betrokkenheid van de auteur bij de bokssport. Het boek begint gewoon bij hoofdstuk 1, paragraaf 1, afdeling 1. Dus 1.1.1. Dat is het tweede kenmerk: preciesheid van indeling. Elk onderwerp dat nadere aandacht verdient, krijgt in dit boek een eigen sectie, afgeperkt van andere. Daarbij staan veel foto’s, ter verduidelijking van de besproken technieken.

Het handboek is lang niet zo droog als het nu klinkt. Gaandeweg raakte ik vertrouwd met de stem van de auteur, waardoor ik ‘erin’ kwam. Toen vielen me  kleine plukjes persoonlijke informatie ook steeds meer op. Google was als altijd behulpzaam, want zo leerde ik wat niet in het boek staat, namelijk de boksachtergrond van Yz. Hij ging in Amsterdam trainen bij Boksschool ter Meulen, van Ome Piet ter Meulen. Op hun website staat het mooi beschreven:

“In 1956 werd Yz van der Weerd lid van deze boksschool en ontstond er tussen Ome Piet en hem een relatie die het gemis van zijn pas overleden vader compenseerde. Tot zijn militaire diensttijd in 1961 bokste Yz onder leiding van Ome Piet en Rinus Krijger (trainer coach van het Nederlands Militair Boksteam) een groot aantal wedstrijden. Na het beëindigen van zijn diensttijd bij het Korps Commandotroepen trad Yz in dienst bij de Amsterdamse Politie. Vanaf die tijd was er tussen Ome Piet een Yz een afspraak dat de laatste het werk van Ome Piet na diens afscheid zou voortzetten.”

Dat is uiteindelijk ook gebeurd, een aantal ontwikkelingen later. De  A.B.O.V (Amsterdamse Boks en Ontspanning’ s Vereniging) werd opgericht. Van de website:

“Yz ontwierp in de jaren 70 een systeem (zoals bij het Judo) waarbij de kleur van de handschoen de mate van geoefendheid bepaalde. Maandelijks werden er examens afgenomen waaraan ook de wedstrijdboksers met veel plezier deelnamen. Later is dit systeem door de Nederlandse Boksbond overgenomen zij het met kleine wijzigingen evenals het toelaten van damesboksers. Op 1 januari 1995 heeft Yz zich teruggetrokken en is de leiding in handen gekomen van achtereen volgens Louis Vargas en later Ron Roebersen.”

Lees het hele verhaal na op de website van ABOV Amsterdam en klik hier. Yz geeft er nog steeds gastlessen en werkt als personal coach voor wedstrijdboksers.

Kijk, dat is toch informatie die je in een inleiding verwacht. Dan lees je de verpletterende hoeveelheid informatie toch met andere ogen.

In zijn Boksen. Een handboek voor trainer, coach en bokser richt Yz zich meer op beschrijven van ‘wat is het’ dan op ‘hoe moet het precies’. Een goed voorbeeld daarvan is de paragraaf over ‘Het trefvlak’. Beknopt en praktisch is het:

”Onder het trefvlak verstaan we:
De voor- en zijkant van het hoofd, met inbegrip van de oren en de romp boven de gordel. Op foto 54 en 55 kunt u zien, dat de gordel nog onder de band van de broek loopt.”

En dan gaan we door naar de volgende paragraaf, dat is 4.2.2. waarin ‘het stootvlak’ aan de orde komt. Dat is ongeveer twee keer zo lang. Nog kort.

Yz zegt het zoals het hij ziet en zoals hij het vindt. Hij is geen man van de swingende verhaaltjes. Een fijn nuchter boek, geschreven vanuit een indrukwekkende praktijkervaring. Zie voor de uitgebreide inhoudsopgave onderaan. Ja, dat was wel even overtikken. En dan sloeg ik de afdeling Krachttraining nog over.

Yz van der Weerd: Boksen. Een handboek voor trainer, coach en bokser. Krachttraining.
Haarlem: Uitgeverij de Vrieseborch, 1983
175 pag. Rijk geïllustreerd.

Inhoud
1. Hulpmiddelen bij de beoefening van de bokssport
1.1 Preventieve hulpmiddelen
1.1.1.De bokskap of hoofdbeschermer; 1.1.2. Bandages of handwindels; 1.1.3. De mondbeschermer of ‘mouthpiece’; 1.1.4. De schaamdeelberschermer of tokkel; 1.1.5. Stootzakhandschoenen of punches; 1.1.6. Trainingshandschoenen en wedstrijdhandschoenen
1.2. Andere hulpmiddelen voor de bokssport: trainingsatrributen
1.2.1. Het springtouw; 1.2.2. ‘Hook pads’, ‘Jab pads’ of stoothandschoenen; 1.2.3. Het stootkussen; 1.2.4. De boksgong; 1.2.5. De weegschaal; 1.2.6. De speedbal; 1.2.7. De medizinbal; 1.2.8. De stootzak; 1.2.9. De peerbal; 1.2.10. De top- en bodembal
1.3. Het wedstrijdtenue

2. Preventieve maatregelen in de bokssport
2.1. Opleiding van wedstrijd- en recreatiesporters in de bokssport

3. Organisatie en begeleiding bij het boksen
3.1. Het wedstrijdboksen
3.2. Het spelboksen
3.3. Het jeugdboksen

4. Bokstechniek
4.1. De voetenstand
4.1.1. Het aanleren van de voetenstand; 4.1.2. De stand van de benen; 4.1.3. Controle van de juiste voeten- en benenstand; 4.1.4. Voetenwerk; 4.1.5. Schaduwboksen of ‘shadowbokxing’
4.2. De houding van de armen en de vuisten (in verband met de verdediging)
4.2.1. Het trefvlak; 4.2.2. Het stootvlak; 4.2.3. De gordel; 4.2.4. De linker-directe; 4.2.5. De rechter-directe; 4.2.6. De stopstoot; 4.2.7. De nastoot; 4.2.8. De counter of ontmoetingsstoot en de reactiestoor; 4.2.9. Het hoeken; 4.2.10. De opstoot of de uppercut; 4.2.11. De kruisstoot of cross-stoot; 4.2.12. Het boksen op afstand; 4.2.13. De draaistoot of swing; 4.2.14. Het boksen op halve afstand; 4.2.15. Lijf aan lijf of corps á corps; 4.2.16. Stotensparren of stotenzetten; 4.2.17. Het duiken; 4.2.18. Skyferen, rompdraaien of slippen; 4.2.19. Het blokken; 4.2.20. Het weren; 4.2.21. De zijstap.

Voorin het boek de jonge Yz

5 Recreatietraining
5.1. Het sparren
5.2. Boksen als lichaamsoefening
5.3. De psychische betekenis van het boksen
5.4. Training van snelheid (bewegen)
5.5. Begeleiding in de training

6. De verzorging en coaching
6.1. De recratietrainer
6.2. De jeugdtrainer
6.3. De wedstrijdtrainer
6.4. De toptrainer
6.5. De wedstrijdcoach
6.5.1. Vòòr de wedstrijd; 6.5.2. Tijdens de wedstrijd

Bijlage A. Begrippen betreffende de bokssport
Bijlage B. Verboden handelingen bij het boksen
Literatuur

Voor inhoud krachttraining: zie pag.89
1. Krachttraining
2. De basisuitrusting voor krachttraining
3. Voorbeelden van algemene krachttraining
4. Specifieke krachttraining
5. Trainingsschema’s voor algemene krachttraining
6. Rekkingsoefeningen
Bijlage A. Schema training
Bijlage B. Schema krachtraining
Bijlage C. De spieren
Bijlage D. De steptest
Bijlage E. De fietsergometer
Aanbevolen literatuur

Handboek De Jager (1950)

Zo kocht ik het boek. Het omslag zat er niet meer bij.

Boksen. Spel van aanval en verdediging,  door K. de Jager, Oud Professional Bondsleraar N.B.B. en W. de Jager, Leraar M.O. Gymnastiek Bondsleraar N.B.B.
Amsterdam: Strengholt, 1950

Kun je leren boksen uit een boek? Er is een tijd geweest dat ik hartstochtelijk daarop hoopte. Toen trainde ik nog en voelde dat het niet ging. Mijn allerlaatste strohalm was een boek uit Amerika. The Gleason’s Gym Total Body Boxing Workout for Women. Ik legde het op de bank en werkte mijzelf pagina voor pagina erdoorheen. Een mooi boek. Maar ik leerde er niet uit boksen.

En toch is het goed dat zulke boeken er zijn. Ze leggen de opvattingen van een trainer vast, of zelfs van een tijd. Boksen. Spel van aanval en verdediging, door K. en W. de Jager verscheen in 1950, middenin de wederopbouw van Nederland. Hoe stond het boksen er toen voor? Niet zo best, lijkt het, want herhaaldelijk verdedigen de auteurs het mooie, het edele, het sportieve en het eerlijke van de sport.

Dat er veel en goed gebokst werd in deze tijd, is een duidelijker feit. Losjes verwijzen de schrijvers bijvoorbeeld naar de ‘Interacademiale wedstrijden’ (p.44) waar studenten boksen. Dan vervolgen ze:

“Er zijn nog vele namen te noemen van bekende Nederlandse boksers, doch wij zullen volstaan met enkele van de meest bekende, als: de Boer, Baan, Sanders, Disch, van Vliet, L. Nicolaas, Donnars, Saks, Rosman, Brand, Ploeg, Steenhorst, Wierts, Ringlever, Jan Nicolaas, Jo de Groot, enz. Wij ontveinzen ons niet dat wij er vele, minstens even belangrijke hebben overgeslagen.
Besluiten wij dit korte overzicht met het noemen van onze huidige professional kampioenen:
Nolten in het vlieggewicht, Schneyder in het bantamgewicht. Jan Nicolaas, nog steeds kampioen in het lichtgewicht en tot voor kort weltergewicht. De laatste titel verloor hij aan de Roode, die zijn titel inmiddels weer verloren is aan Job Roos.
In het middengewicht is Luc van Dam de kampioen, die momenteel hard aan het werk is voor een gevecht om de Europese titel en hiervoor ook een goede kans maakt.
Doornbosch in het halfzwaargewicht en Jan Klein kampioen zwaargewicht.
Ten slotte nog Jan de Bruin, die wellicht binnen niet al te lange tijd een uitdaging zal richten aan van Dam.” (p.44-45)

Het is nogal plechtig, maar wel informatief. Jammer dat de meeste voornamen ontbreken. Toen kende iedereen die namen. Maar nu niet meer.

Achterin het boek staan zogenaamde ‘verboden handelingen’. Daar trof ik niet de mooie duidelijke foto’s aan die het boek elders volop heeft, maar vier bladzijden met tekeningen, steeds twee boksers die een verboden handeling demonsteren. Voor de zekerheid staat die eronder benoemd: Te lage stoot. Slaan met open handschoen. Stoot met de onderarm. Duwen met de voorarm. Stoot met de elleboog. Stoot op de rug. Zo gaat het verder.

Mocht verder alles in 1950? Niet echt. Het is een behoorlijk veeleisend boek, dat na de inleidende stukken nogal technisch is. De foto’s zijn vooral aanwezig om goed en fout beter uit te leggen. Staan, stoten, verdediging, aanvallen, voor alles is er een foto.

Dit boek is een schoolvoorbeeld van de ‘sweet science’ van het boksen. Dat richt zich niet zozeer op het analyseren van wedstrijden, maar op de trainingen en in het bijzonder de technische kanten ervan. Het taalgebruik is verheven en soms stroperig. Dan is even wennen. Daarna leest het gewoon. Dat de twee auteurs hun autoriteit vol zelfbewustzijn uitdragen, is niet zo gek, K(arel) de Jager  had een boksschool in Den Haag, zijn bijnaam was ‘de professor’. W. de Jager is waarschijnlijk familie. Beiden waren zoals ze op het titelblad laden vermelden daarbij nog ‘Bondsleraar’.

Dat de grote hoeveelheid details wat veel kan zijn, begrijpen de De Jagers. Maar pas op pagina 167 leggen ze uit hoe hun boek gebruikt moet worden:

“Let wel, lezers, deze stof wordt alleen ‘levend’ wanneer men ze uitvoert, het mag geen theorie blijven. Men moet deze vormen even bestuderen en begrijpt men de portée van de zaak, dat is wat wij ervan opschrijven een gemakkelijke richtlijn. Is men zover, dat dit alles niet meer nodig is en men zelf goed met de stof overweg kan, dan is ons doel bereikt. Doch, wij wijzen er nogmaals op, een korte studie van de oefenstof zal dan noodzakelijk zijn.”(p.167)

Kennis en kunde was dus noodzakelijk. Dit is geen boek voor leken, blijkt ook uit het hoofdstuk over ‘weren’. Dat is niet hetzelfde als ontwijken, want dat is “het doen missen van een stoot” (p.143) Dat kan door achteruitgaan, slippen (achterwaarts of zijwaarts), door bukken, door de zijpas of side-stepping, door duiken. Weren is weer iets anders:

Weren
Door de wering verandert men de richting van de stoot, zodat hij mist. Een ontwijkende beweging wordt hierbij niet gemaakt. Het wordt alleen toegepast bij de rechte stoot.

Wering tegen linker en rechtse directe naar de kaak:
A. Met de linkerhand duwt men de arm van de aanvaller opzij, zodat diens stoot rechts passeert. Dit mag niet ontaarden in een weg-“slaan”. Het is dan ook niet zozeer een beweging van de arm, maar meer van de schouder. Ook deze beweging hoeft niet groot te zijn, hiermee geeft men zich maar onnodig bloot.
B. Hetzelfde als A met de rechterhand, waarbij de stoot dus links passeert. Men moet er verder aan denken niet de arm van te voren “uit te halen”, daar dit tegenstander zal waarschuwen.” (p.148)

En zo gaat het nog een tijdje door. De auteurs houden van lijstjes, indelingen en daarin alles heel precies te zeggen. Het heeft wel wat. Maar: in kleine doses.

Waarschijnlijk K. de Jager. De foto staat zonder bijschrift naast de titelpagina.

Boksen. Spel van aanval en verdediging
door K. de Jager, Oud Professional Bondsleraar N.B.B. en W. de Jager, Leraar M.O. Gymnastiek Bondsleraar N.B.B.
Amsterdam: Strengholt, 1950
Inhoudsopgave
Voorwoord; Inleiding; I Geschiedenis van het boksen; II Enige Algemene Beschouwingen: De kracht van de boksstoot. Het sparren. Boksen ook een psychische strijd! De knock-out. Is het boksen gevaarlijk? Het boksen in de opvoeding. Stijl en techniek. Training. He tseconderen. Het wedstrijdboksen en het publiek. Is boksen spel? Amateurisme en de beroepssport. Kwaliteiten van de bokser. Kwaliteiten van de instructeur. De taak van de jury; III Uitgangshouding, voetenwerk en beschrijving der verschillende boksstoten; IV Verdediging; V Indeling der stoten en hun toepassing; VI Het invechten; VII Schijnbewegingen; VIII Tactiek; IX Het lesgeven.
Korte nabeschouwing
Literatuur
Enkele verboden handelingen

biografie Rudy Koopmans

Het is een kleine pocket, dit boek, en eigenlijk verwachtte ik dat er ook een andere versie van zou zijn. Dikker. Met glanzende foto’s. En met een harde kaft, en dan ook meteen wat groter. Simpelweg omdat ik dacht dat een bokser als Rudy Koopmans een deftiger boek verdiende dan een eenvoudige pocket.

Maar dit is het enige. Een pocket waarin de foto’s ofwel te klein ofwel te vaag zijn afgedrukt. Op de voorkant een bezwete Rudy. Niet echt een flatteuze foto. Knap is dat, om van zo’n mooie man juist die ene foto te kiezen.

Tot zover de kritiek. Want ik ben blij dat er twee schrijvers zijn geweest die de tijd hebben willen spenderen om dit boek te schrijven. Het leest als een trein, en dat betekent dat er lang aan gewerkt is. Ook met Rudy zelf. Toen ik hem er een keer naar vroeg, vertelde hij iets over zijn medewerking. Om er in dezelfde adem aan toe te voegen, dat er geen tweede boek komt. Geen zin in. Hier staat het al in, dat wil dus zeggen, de waarheid volgens Rudy Koopmans.

Het is een biografie, een levensbeschrijving die opgetekend is alsof de auteurs overal zelf bijgeweest zijn. Zo schrijven ze:

Voor een indruk; een willekeurige pagina. Goed te zien is de matige kwaliteit van de foto’s.

“30 januari 1948 was een heuglijke dag in huize Koopmans aan de Oostkade in Leeuwarden. De achtste telg kwam ter wereld; een gezonde jongen!
Amper was er het eerste levensteken of het huis liep vol. Geert, Tinus, Rennie, Anneke, Nanne, Bernhard en Joke verdrongen zich bij het kraambed van moeder om hun nieuwe broertje te bewonderen.
Vader Koopmans maakte de naam van de nieuwkomer bekend: Rudolf! De traditionele beschuit met muisjes werd voor de dag gehaald en door Geert, de oudste van het gezin, verdeeld. Daarna stuurde vader Koopmans de kinderen de straat op, waar ze het blijde nieuws wijd en zijd bekend mochten maken. De jubelstemming duurde de hele dag, maar daarna ving het dagelijkse leven weer aan.”(p.17)

Op dezelfde voet gaat het boek verder. Rudy’s jeugdjaren in Leeuwarden, kameraadschappen met onder meer Wiekie Akkerman, Lolle van Houten en Flip Krikke. Dan de verhuizing naar Amsterdam, trainen bij Nelis Bisschop. Moeizame liefdesrelaties. Prof worden, titelgevechten, afscheid. Een logische levensloop met uiteraard mooie beschrijvingen van zijn wedstrijden. Een stukje uit het hoofdstuk over de wedstrijd om de wereldtitel, Los Angeles 1980:

“Weer wilde Rudy de taktiek van het bewegen volgen, maar toen gebeurde er iets dat niet in het trainingsschema stond. Moestafa haalde uit en met een korte knik van zijn hoofd schampte hij Rudy’s wenkbrauw. Hard genoeg om een flinke open wond te veroorzaken. Het bloed sijpelde over zijn gezicht. Er ging een siddering door Rudy heen.
“Dit niet. In Godsnaam niet zo!”mompelde hij. In de hoek keek Henk Rühling naar de fikse wond tussen het oogld en de webkbrauw.
“Kunnen we nog wel iets aan doen, Rudy,” riep hij vertwijfeld uit. Dokter Delucca veegde wat bloed weg en schudde zijn hoofd. Rudy had het gevoel of de bodem van de boksring onder zijn voeten wegzakte.”

Details, geloofwaardig ook nog. Je beleeft het mee, en eens te meer denk je: wat is het eigenlijk gek, dat er zo weinig van Rudy Koopmans op YouTube te vinden is. Je wilt het toch zien, zeker de wereldtitel, ook al is het meer dan dertig jaar geleden. Boksgeschiedenis van ons land is het. Bijna weggezakt. Maar door beschrijvingen als deze (en daarvan heb ik maar een klein stukje geciteerd) hebben we nog een herinnering.

Eigenlijk vind ik dat het boek een heruitgave verdient. Dan is het tenminste gemakkelijker te koop. Dit exemplaar kocht ik online, via Boekwinkeltjes. Zonet keek ik even: nog twee exemplaren, elk rond de zeven euro. Geen geld.

Inhoud:

1 Het einde van een roemruchte bokscarrière; 2 Herrieschopper met splinternieuwe bokshandschoenen; 3 Nederlands beste amateurbokser in Duitsland wel gewaardeerd!; 4 Prof in Duitsland; geen nederlaag, maar nooit geld op zak; 5 Eindelijk erkenning in eigen land; 6 De eerste keer om de Europese titel, de vreugde, de teleurstelling; 7 Nog een keer Traversaro!; 8 De wereldtitel: naar de hemel en door de hel; 9 De belasting haalt Rudy pas echt neer!; 10 Het moeilijke gevecht buiten de ring.
‘Jongens, bedankt!’
‘De complete lijst van Rudy Koopmans’ profgevechten vanaf 1972’

Leon Zoeteman/Charles Zwarts: Rudy Koopmans. In de ban van de ring.
Leiden: Uitgeverij Batteljee & Terpstra, 1984
165 pag, met foto’s.