Lolle van Houten in 1965 Nederlands bokskampioen

Lolle van Houten

De Nederlandse bokskampioenschappen zijn gaande in Rotterdam. Friesland zit er ook bij, ik lees op Facebook mooie berichten over De Waldhoek, een jonge boksclub met oersterke boksers. Maar ik denk aan Lolle van Houten en hoe hij in 1965 de Nederlandse titel naar Friesland bracht. Daar hadden ze er rekening mee gehouden, dat Lolle kon winnen. Bussen vol Friezen gingen de finale zien, met stille hoop.

Lolle van Houten: Nederlands kampioen 1965

Hij wist Eddy Kiks te verslaan, en dat was voor iedereen in de Randstad een verrassing. In Leeuwarden denken ze daar met veel plezier aan terug.

In het boek dat ik over Lolle van Houten schreef, heet het vijfde hoofdstuk dan ook: “Fries verrast bokswereld.” Hieronder een fragment:

Halve finale

Na de noordelijke kampioenschappen van eind januari 1965, resteerden er voor Lolle een schamele twee maanden om in bloedvorm te komen voor de landelijke kampioenschappen. Weinig tijd. Vooral omdat er deze keer iets groters op het spel stond dan een noordelijke titel. Hij wilde die landelijke titel winnen, hoe klein zijn kansen ook leken te zijn. Want tijdens de twee wedstrijden tegen bokser Cor Hillenga had Lolle aan den lijve ondervonden op welke gebieden hij als bokser ernstig tekort kwam: wedstrijdervaring, sterke tegenstanders om mee te sparren. Die waren er in zijn zwaargewichtklasse weinig tot geen in Leeuwarden en omstreken. Sparren met lichtere boksers als zijn broer Eppie had hem weliswaar sneller gemaakt, maar hij moest zichzelf kunnen meten met andere zwaargewichten. Die waren toch anders.

Elke dag van de weken in de aanloop naar het Nederlands kampioenschap was gevuld. Het werk bij de stratenmakers ging gewoon door en daarna moest hij zo vaak mogelijk naar Frisia. Sparren met wie wilde, conditietraining, eindeloos zijn techniek verfijnen op de bokszakken, een hoog tempo van stoten zetten vasthouden, weer sparren. Lolle wilde beslist winnen, en Albert Groen vond hij aan zijn zijde. De opvoeding van zijn drie jonge kinderen kwam vrijwel geheel terecht op de schouders van zijn vrouw, die daarbij hulp kreeg van haar moeder. Als Lolle na de training thuis kwam, sliepen de kinderen al. Stond hij ’s morgens op, dan lagen ze nog in bed. Met het avondeten werd rekening met hem gehouden. Het hele gezinsleven voegde zich als vanzelfsprekend naar zijn bokscarrière, die op de eerste plaats kwam en die bepaalde of en wanneer hij thuis was. Van de kinderen hield hij veel, alleen had hij zo weinig tijd die liefde te tonen.

Eddy Kiks werd de tegenstander in de halve finale.

Slecht nieuws voor Leeuwarden, waar ze de mérites van deze bokser kenden. Meervoudig Nederlandse kampioen met zo’n zestig wedstrijden op zijn naam. Hij was 28 jaar, een Amsterdammer, eraan gewend om voor een groot publiek in de ring te staan. Kiks kwam uit voor de beroemde boksschool van Nelis Bisschop, waaraan meer grote namen verbonden waren zoals de veelbelovende Rudi Lubbers, 19 jaar en boksend als weltergewicht. Die trok veel aandacht van bokskenners. Eddy Kiks was een zogeheten stijlbokser, iemand de techniek van het boksen tot in de details beheerste, en die met een fraaie stijl kon uitvoeren. Evenals als Lolle gold hij voor een zwaargewicht tamelijk snel te zijn. Eddy:

“Ze konden me haast niet raken. Dat zeg ik zonder kapsones, hoor. Ik nam heel weinig. Nooit zware tikken op mijn gezicht. Mijn verdediging vond ik belangrijker als mijn aanval. Dus als ik er tien gaf en ik kreeg er vijf terug, stond ik vijf voor. Als je er vijf geeft en je krijgt niks terug, dan sta je er ook vijf voor. Zo bokste ik. Voor mij moest het een mooie sport zijn.”

Albert Groen wist wie Eddy Kiks was, maar andersom hadden ze bij Bisschop nauwelijks van zijn bokser gehoord. Lolle wie? Leeuwarden lag verder van Amsterdam af, dan Amsterdam van Leeuwarden. Voor het westen leek het noorden een andere cultuur, waar misschien wel of misschien niet veel gebeurde op boksgebied, de enkele landelijke coryfeeën ten spijt. De Randstad bezat weinig voorstellingsvermogen als het op het noorden aankwam.

In het Amsterdamse Hotel Krasnapolsky, waar vaker bokswedstrijden werden gehouden, vond op dinsdag 16 maart de halve finalestrijd plaats. Het publiek dat om de ring zat, verwachtte een overwinning van hun stadgenoot. Kiks gold daar als de grote favoriet, niet alleen vanwege zijn Amsterdamse afkomst, maar ook vanwege zijn staat van dienst en zijn onomstreden bokskwaliteiten. Hij kon ongetwijfeld gemakkelijk winnen van een negentienjarig die nog geen twee maanden geleden A-klasser was geworden. De vergelijking tussen de twee sprak boekdelen. Kiks: meer dan zestig partijen. Van Houten: drie, mogelijk vier. Kiks: meer dan honderd kilo zwaar. Van Houten: negentig, schoon aan de haak. Kiks: de grote nationale naam, de routinier, meer nog dan Hillenga. Van Houten: de man uit het noorden, een nieuweling op het nationale toneel. Wat het publiek evenwel niet wist, niet kon weten, was dat de helft van de wedstrijd op karakter was uitgevochten en in het voordeel van die nieuweling leek te zijn beslist.

Voor de wedstrijd begon, was Kiks nerveus geweest. Onrustig. Hij liep in de kleedkamers heen en weer. De zenuwen speelden op, de concentratie liet het afweten en Eddy Kiks kreeg nauwelijks greep op zichzelf. Lolle daarentegen bleef kalm, en leek evenmin als twee maanden geleden bij Hillenga, niet onder de indruk van de naam en faam van de tegenstander. Albert Groen had stevig op zijn pupil in gepraat zodat hij wist wat hij moest doen en zich daarop concentreerde. Met dat verschil begon de wedstrijd om de finaleplaats van de Nederlandse titel:

“In de eerste ronde was er weinig verschil, maar in de tweede en derde ronde zou Van Houten voldoende punten halen voor de overwinning. Met technisch goed en gevarieerd boksen – hij wisselde een rechtse regelmatig met een linkse af – trad hij Kiks tegemoet. Ook het nakomen was hij Van Houten een sterk wapen. Zijn sterkste wapen, dat Kiks deed sneuvelen, was het hoge tempo dat de Leeuwarder de Amsterdammer oplegde. Daar kwam bij, dat Lolle van Houten goed op afstand bokste en zodoende Kiks geen kans gaf op zijn gevreesde punch te lanceren. In de tweede ronde legde de Frisia-bokser duidelijk zijn troeven op tafel toen hij met een rechtse Kiks aan het wankelen bracht. Deze wist zich echter te herstellen.

“In de derde ronde liep Kiks door een kopstoot een wond boven de neus op en tweemaal onderbrak arbiter Verhoeven het gevecht om verzorger Nelis Bisschop de gelegenheid te geven de hevig bloedende wonde van zijn pupil te verzorgen. In de laatste ronde – de partij ging over drie ronden van elk drie minuten – wilde Kiks de strijd met een k.o. forceren, maar Van Houten bleef kalm, Kiks bleef zodoende verliezer.”

Toen de scheidsrechter de arm van Lolle omhoog hief – ‘de winnaar is Lolle van Houten’ – brulde het publiek, geschokt over wat het had zien gebeuren.

De grote Amsterdamse kampioen verslagen, ja, door wie eigenlijk? De verbazing en verwondering in het westen waren groot, evenals de triomf in Friesland.

“Fries verraste bokswereld” schreef de Leeuwarder Courant triomfantelijk. Preciezer gezegd: Fries verrast de bokswereld van de Randstad. Want daar dacht men: Holland boppe, en de rest is noppe. De landelijke kranten vonden het niet zozeer nieuws dat Lolle van Houten had gewonnen, maar wel dat hun favoriet Kiks zijn titel kwijt was. Zo schreef Het Parool: “Kampioen Kiks verslagen” en vervolgde: “De Nederlandse bokskampioen in het zwaargewicht, Eddy Kiks, is gisteravond bij de halve finales van de strijd om de Nederlandse titel verrassend verslagen door Van Houten”. Pas verderop in éénkolomsberichtje werd de volledige naam van zijn overwinnaar genoemd: “Lollo van Houten.” Amsterdam zou wel vaker moeite hebben om Lolle’s naam goed te schrijven. In andere kranten heette Lolle “de sensatie van de avond”v te zijn geweest en de Amsterdamse bokspromotor en trainer Dick Groothuis meende zelfs een compliment te maken aan Albert Groen met zijn verbaasde vraag: “Waar haal jij zo’n zwaargewicht-bokser vandaan”.

Nee, dan Friesland en vooral Leeuwarden. Sinds Johan van der Meulen in 1947 de nationale titel naar het Heitelân had gebracht, was er geen Fries meer in een boksfinale gekomen. Lolle zelf was toen een peuter. Met hem maakte Friesland weer kans op een eigen kampioen, iets dat de boksminnende provincie diep raakte. Kees van Gorkum, leider van Sportclub Friesland waar ook gebokst werd, stuurde een feliciatie,-en aanmoedigingstelegram. De finale tussen hun Lolle en – alweer een Amsterdammer – Joop Walda zou op maandag 22 maart plaatsvinden, in de Rotterdamse Rivièra-Hal. Walda kwam uit voor de boksschool van Dick Groothuis. Een Jordaanschool, waar goede boksers trainden.Iedereen in Leeuwarden wilde bij de bokswedstrijd van Lolle zijn. Auto’s, werk, alles wat geregeld moest worden, werd ingezet, iedereen maakte met iedereen afspraken. Dat gold zeker voor Lolle’s broers, die er allemaal kwamen, Durk uit Papendrecht ook. Zijn ouders, die op leeftijd begonnen te komen, gingen ook naar Rotterdam.

lolleNa zijn overwinning op Eddy Kiks was Lolle gebombardeerd tot de publieksfavoriet. Een nieuw gezicht deed het altijd goed, dat simpele feit telde mee, maar ook viel zijn fysieke verschijning op. Naast de dikkige zwaargewichten Kiks en Walda oogde Lolle atletisch met zijn lange gestalte en het dankzij bodybuilden fraai geproportioneerde lichaam. Dat kwam extra goed uit in zijn nauw aansluitende kleding. Vooral het kleine glanzende sportbroekje dat hij graag droeg, flatteerde hem zeer.

Tussen halve finale en finalestrijd in, sprak de krant met Lolle. Hoe hij zich voelde, uiteraard. Nuchter antwoordde hij:

“Ik moet noch ien forsloan, dan binn ‘k der. Ik sil goed op óstan bokse. Ik tink, dat ik him dan únverwachts de ring út tikje.”

De krant informeerde naar zijn grootste kracht. Lolle:

“Wel, ik geloof het op afstand boksen. En mijn snelheid. De Nederlandse zwaargewicht-kampioen Kiks was bijna 230 pond en kwam tegen mij snelheid te kort. Walda, tegen wie ik volgende week 3 maal 3 minuten in de ring moet, lijkt me ook traag. Maar ja, hoe het komt; ik weet het niet. Het wordt mijn veertiende wedstrijd van mijn leven, en pas mijn vierde als A-bokser…”

Zo stond hij ervoor. Nuchter, een beetje verbaasd over het eigen succes, en toch met een vaste ambitie nog een tegenstander te overwinnen: “dan binn ‘k der”.

De finale

Op maandag 22 maart 1965 zat de Rivièra-Hal in Rotterdam tot aan de nok toe vol. Rotterdammers, Amsterdammers die Walda kwamen steunen en veel, heel veel Friezen. Lolle stond tussen de grote namen, die allemaal eerder dan hij hun wedstrijd hadden; de zwaargewichten waren op het laatst van de avond. De avond kende de ene bokssensatie na de andere. Herman Schregardus, de bokser uit Amsterdam, verloor van de Groninger Jack Roossien, die de nieuwe welterkampioen was. Nationale beroemdheden als de bantamgewichten Jan Huppen en Gerard te Paske, vochten onderling een harde strijd uit die in het voordeel van Te Paske werd beslist. Halfzwaargewicht Rudi Lubbers, die jaar daarvoor op de Olympische Spelen in Tokio had gebokst, prolongeerde zijn nationale titel door van Joop Steenbergen te winnen. Pas toen waren de zwaargewichten aan de beurt.

Lolle stond er minder goed voor dan in de halve finale. De conditie bleef goed, maar in het weekend voorafgaand aan de wedstrijd had hij een spier in zijn rug verrekt. Dat was precies het soort blessure dat gemakkelijk bewegen moeilijker maakt, en dus een bokser de overwinning kon kosten. Joop Walda leek onbewogen te zijn, wat Amsterdamse bluf kon wezen. Hij kon goed boksen, wat bij vrijwel iedereen van de Jordaanschool van Groothuis het geval was. Het leek er weer om te gaan spannen, maar zo indrukwekkend als de wedstrijd van de halve finale was geweest, zou deze partij niet worden. De kranten waren teleurgesteld:

“De Leeuwarder straatmaker die vorige week dinsdagavond in Krasnapolsky in Amsterdam voor sensatie had gezorgd door de sterke

Bokser pur sangEddy Kiks uit Amsterdam te kloppen kwam in de finale uit tegen de logge Amsterdammer Joop Walda. De partij tussen Van Houten en Walda die deze prachtige boksavond besloot werd niet een beste.

In de eerste twee ronden kon Van Houten maar niet los komen maar veel gevaar van de zijde van Walda viel er evenwel niet te duchten. In de laatste ronde het gevecht ging over drie ronden van elk drie minuten kreeg Van Houten eindelijk de gelegenheid om een aantal treffers te plaatsen. De Friese hoofdstedeling besliste sliste daarmee de party met een flinke puntenvoorsprong in zijn voordeel.”

Het Parool van 23 maart sprak zelfs schamper over “een anti-climax” en sneerde: “Het tweetal bleek de eerste beginselen van de bokssport nog maar nauwelijks onder de knie te hebben.” Een klein woord van lof ging naar Lolle: “De slankere en snellere Van Houten plaatste nog de meeste treffers.” De Volkskrant en De Telegraaf noemden de zwaargewichten niet eens, zozeer was het kennelijk tegengevallen. Friesland was meer dan tevreden: het Heitelân had een nieuwe kampioen. En dat het geen mooie wedstrijd was geweest, ach. Er had te veel op het spel gestaan voor beide boksers. Lolle met zijn rugblessure was vastberaden om te winnen, zeker met zoveel eigen mensen om zich heen. Walda wilde even graag de titel. Nee, een sierlijke balletvoorstelling was het niet geworden. Wel een harde strijd om de titel, die door de beste werd gewonnen.

De nieuwe kampioen zwaargewicht van Nederland heette Lolle van Houten.

Uit: Bokser pur sang. Lolle van houten (1945-2008) Leeuwarden, Penn uitgeverij.  Ook te bestellen bij Bol.com

Bokser Bep Donnars

bebon

Bep Donnars, middengewicht

In de oude kranten uit de jaren ’30 en ’40 kom ik zijn naam tegen: Bep Donnars. Middengewicht. Hij bokste door het hele land, tot ver in de oorlogsjaren toe. In 1943 staat hij in Groningen, tegen de legende Johan de Jager. Maar hij gaat ook naar het buitenland, naar Parijs en waarschijnlijk zelfs naar Nederlands-Indië. In Den Haag trainde hij bij Karel de Jager aan de Oldenbarneveldtstraat.

In 1933 was er zoals vaak boksen in de Haagse Dierentuin, daar ging het op 16 februari om de Nedelandse titel:

“Daarop kregen we de hoofdpartij te zien tusschen Bep Donnars, den Haag, 69 kg. en Leen Sanders. Rotterdam. 67 kg. Dezen hebben de 10 ronden uitgebokst. waarbij I.een Sanders bizonder uitmuntte door goede dekking en snel inkomen. Donnars wist van zijn langere reach niet voldoende gebruik te maken om Sanders voldoende op afstand te houden. In het lijf aan lijf-werk toonde Sanders zich de meerdere. Deze wedstrijd werd door Sanders op punten gewonnen. “
Verder is het vaag, wat Bep Donnars betreft, en dat terwijl hij “de bekende Haagse Bokser” heet te zijn. Ik vond een enkele foto, en die staat hierbij. Komt uit een mooi oud sportblad. Een auteur stond er helaas niet bij.
Sport in Beeld.

De Revue der Sporten. 19 oktober 1936. 30ste jaargang no.12, p.12

Er is een tijd geweest, dat de bokssport in een niet al te besten reuk stond. De buitenlanders, die tegen onze Hollandsche jongens in den ring kwamen, zochten meermalen verbluffend vlug de planken op of gaven zich roemloos over, terwijl het met „de rechterlijke macht” ook maar poover gesteld was.

Dat behoort nu tot het verleden. De bokssport is thans daarbij zoo goed gereglementeerd, dat excessen van vroeger tot het verleden behooren. De volijverige promotor Theo Huizenaar, geschraagd door een jarenlange routine, weet nu ook precies welke spelen het volk wil.

Zo had hij vorige week in de trots haar strakke, statige en strenge lijnen voor het doel uitnemend geschikte Doelezaal den jongen, sterken, Hagenaar Bep Donnars gezet tegen den buitengemeenkundigen Belg Louis Saerens, dien wij hier niet genoeg kunnen zien. Van stonde af aan werd er een hoog tempo ingezet. Al spoedig nam Saerens het initiatief over van Donnars, die het in de hoofdzaak van aanvallen moet hebben, doch nu geen kans kreeg om gevaarlijk te worden en de puntenzege dan ook aan de Belg moest laten.
Doordat de Amsterdammers verlaat waren via autobuspech (waarom den trein niet genomen? Dit sluit vrijwel ieder risico uit, gaat voor het onderhavige traject even vlug en is weinig duurder!) werd er begonnen met één der partijen v. Loon- Kwentemeyer, resp. gesecondeerd door grootheden van vroeger als Nol Steenhorst en Herman van ‘t Hoff. De Enschedeër had er in de 5de ronde genoeg van en de techhnisch betere man: v. Loon won.

De Rotterdamsche k.o. koning, die uiterlijk veel overeenkomst vertoonend met de in den zaal aanwezigen en door Pa Bok “gechaperonneerden” Johnny de Korver (v. Heel, Barendregt, Seton e.a. zorgden voor een verdere Sparta-Feijenoord ontmoeting) kon ditmaal zijn tegenstander, den ongelooflijk taaien en bewonderenswaardig moedigen v. Lil niet naar droomenland sturen en moest zich na een spannend vinnig gevecht met een puntenoverwinning tevreden stellen. Aan het einde van de 7de ronde gaf de Amsterdammer een merkwaardig staaltje van zijn elasticiteit, toen hij achterover door de touwen van het podium afsloeg, doch ruim vóór de fatale tien tellen weer op de been in den ring stond.

Zijn stadgenoot Kroet daarentegen miste het vereischte temperament. In de pauze’s had hij zelfs geen waaier noodig! De strijd nam een zeldzaam einde. Rieger plaatste een voltreffer, zoodat Kroet niet in staat was om verder te boksen. Even te voren had de scheidsrechter – niemand minder dan praeses Westbroek – reeds “break” geroepen, zoodat Rieger gediskwalificeerd moest worden.

Op de vorige wedstrijden had o.a. Huib Huizenaar tegen Tom Bull gebokst; de revanche vindt Woensdagavond in Leuven plaats.

Piet van der Veer

pietvanderveer2klJan Liber: Herinneringen aan onze grote boksers. Piet van der Veer. In: De Ring,  jaargang 1, nr. 1, 1 november 1947, p.8-9.

Nederland is geen land van ring-reuzen. De beste boksers, die ons land heeft voortgebracht, behoorden steeds tot de lichte klassen. We hebben perfecte lichtgewichten gehad, uitblinkende welters en vermaarde middengewichten, maar de echte reuzen, mannen van om en bij 1.90 meter en met een gewicht van rond de negentig kilo, die internationaal meetelden, zijn maar zeer dun gezaaid geweest. Laat ik het sterker stellen: we hebben er maar één gehad: Piet van der Veer, gedurende veertien jaar de ongeslagen zwaargewicht-kampioen van Nederland en eens de populairste bokser van ons land.

Piet van der Veer is op 20 October een en vijftig jaar geweest. Hij leeft stil in een noodcafétje ergens op een rustig pleintje in Rotterdam, omdat de oorlog hem alles ontnam. De boksjeugd van nu loopt hem voorbij. Zij kent hem niet meer, maar zijn naam leeft nog altijd voort. Zijn naam zal altijd aan de historie van de bokssport verbonden blijven, als die van een der grootsten. En toch…. een man van wereldfaam is ook hij niet geworden, maar hij had het kunnen zijn, als hij gewild en gedurfd had. Piet van der Veer had een pracht corpus. Hij was sterk als een stier en zijn stoten hadden de kracht van een moker, die hij in zijn jongensjaren, toen hij smid en vuurwerker bij de brouwerij d’Oranjeboom was, zo dikwijls gezwaaid had. Maar met al zijn kracht en heel zijn reuzengestalte had Van der Veer één gebrek: hij bezat het ware boksershart niet. Hij miste de echte wedstrijdmentaliteit en de vechtlust, die hem tot wereldkampioen hadden kunnen maken. Dat hij ondanks dit gemis aan strijdgeest in zijn beste tijd, die tussen de jaren 1920 en 1925 ligt, aan de top van de Europese zwaargewichten stond, blijkt wel uit het feit, dat hij twee maal een wedstrijd om het kampioenschap van Europa bokste en al heeft hij in die twee wedstrijden te Milaan tegen Erminio Spalla het geluk niet aan zijn zijde gehad en heeft hij het hoogste, als gevolg van een onjuiste uitspraak van de Belgische scheidsrechter Boulanger, die vermoedelijk nog al bang was voor de fascistische carabinieri, die in groten getale langs de ring geschaard stonden, niet kunnen bereiken, hij bleef in ons land de populaire bokser. Later heeft hij tegen de geduchte Zweed Persson, tegen wie hij éénmaal in Stockholm onbeslist bokste en van wie hij te Scheveningen op punten won, nog gelegenheid gehad te bewijzen, dat hij werkelijk een man van grote klasse was.

De wedstrijd te Scheveningen is een der glanspunten uit ons boksers-verleden geworden. Het was op 31 Mei 1925, op 1e Pinksterdag. Het Scheveningse Circus was tot de laatste plaats toe uitverkocht en nog nimmer was er zulk een elitepubliek bij een bokswed-strijd in Nederland bijeen geweest. Mensen, die tot dusver alleen maar hun neuzen voor de bokssport hadden opgetrokken, waren, dank zij een intensief gevoerde reclame-campagne, volgens het recept van Van der Veers manager Jan Grijsseels, die tevens promotor van de wedstrijd was, naar Scheveningen gekomen. De komst van Dempsey, toen nog wereldkampioen, was zelfs zonder blikken of blozen aangekondigd en de mensen hadden grif zeventien gulden — een kapitaal in die dagen — voor een ringplaats neergeteld. Van der Veer heeft hun waar voor hun geld gegeven. Nooit bokste hij, zoals hij het die Pinkstermiddag deed. Hij toonde zich plotseling een volleerd technicus. De Belg Briscot, met wie hij getraind had, had hem geleerd wat counteren was. De stijl van het afwachten en toeslaan bleek Van der Veer prachtig te liggen en hij bracht er het publiek mee in vervoering. Men had Van der Veer tot dusver eigenlijk alleen maar onbesuisd zien vechten, maar het ware boksen is niet een in het wilde weg uitdelen van stompen met het enige doel een tegenstander zo snel mogelijk buiten westen te slaan. In die tijd zag men dat nog niet zo algemeen in als thans. Toen was de knock out, meer nog dan nu, alleen zaligmakend. Van der Veer „bekeek” het gevecht, zoals hij nog nooit een gevecht bekeken had. Persson vloog er in. Steeds weer stormde hij op de afwachtende Van der Veer af en steeds weer ving de meester­lijk counterende Rotterdammer hem op. Het publiek kwam in verrukking. Zulk boksen had men hier van zwaargewichten nog nooit gezien. Mensen, die voor het eerst bij een bokswedstrijd waren, gaven zich onmiddellijk gewonnen. Dit was werkelijk „the noble art of self-defence”, waarover zo smalend gespro­ken was.

De achtste ronde kwam. Persson vocht met de moed der wanhoop. Het was de zwaarste ronde, die Van der Veer, naar hij mij later heeft pietvanderveer1toevertrouwd, ooit in zijn leven gebokst heeft. Want het was gedurende dit ge­vecht waarachtig niet zo geweest, dat Van der Veer geen stootje gekregen had. Al counterende had hij heel wat moeten nemen en Perssons stoten waren hard en droog. In die achtste ronde volgde de ene slagwisseling op de andere. Persson wist, dat hij alleen nog kans had door alles te geven, alles te wagen. Zijn puntenachterstand was al niet meer in te halen. Eén ogenblik verloor hij de voor­zichtigheid uit het oog en Van der Veers rechtse hoek trof hem vol op de kin. Persson stortte op de planken, maar met de uiterste wilsinspanning stond hij bij negen weer gevechtsklaar. In het volgende moment ging de gong. Moedig hervatte de Zweed de strijd en met in­spanning van alle krachten bokste hij het gevecht uit.

De orkaan van toejuichingen, die los­brak, toen de jury Van der Veer tot win­naar uitriep, zal de bezoekers altijd bij­blijven. Van der Veer had de beste prestatie van zijn loopbaan geleverd. Hij zou die nooit meer overtreffen. Er kwamen aanbiedingen voor een ge­vecht tegen de befaamde Baskische houthakker Paolino, er kwamen aan­biedingen uit Amerika van de promotor Torn O’Rourke. Van der Veer sloeg ze af. Hij bokste weinig meer. In 1930 liet hij zich nog eens verleiden tot een ge­vecht om het kampioenschap van Europa tegen de Belg Pierre Charles. Hij leed een smadelijke nederlaag en ging in de tweede ronde k.o. Twee jaar later kwam hij te Rotterdam voor het laatst in de ring voor een demonstratie met Primo Carnera, die toen een tournee door ons land maakte. Van der Veer had een buikje en een kaal kruintje…. Het was een roemloos afscheid van de ring, maar desondanks leeft de herinne­ring aan een glorieus bokser voort en het is zijn grootste eer te kunnen zeggen, dat hij veertien jaar zwaargewicht kam­pioen van Nederland is geweest, zonder dat ooit een Nederlandse bokser hem heeft kunnen kloppen. Vrijwillig heeft hij afstand van zijn titel gedaan. Hij is de Nederlandse Tunney geweest.

de comeback van Satisch Jhamai

Verschenen in Den Haag Centraal, vrijdag 10 februari 2012

MMA nu ook groot in India:
de come back van Satisch Jhamai

Het is de snelst groeiende vechtsport ter wereld: Mixed Martial Arts, beter bekend als MMA. Als een magneet trekt het geld, vechters, managers en promotors aan. In India is een nieuwe organisatie opgestaan met internationale ambities. De ‘Super Fight Leage’ (SFL) heeft Hagenaar Satisch Jhamai  (1980) terug in de ring gevraagd. Op 11 maart 2012 maakt Jhamai in Delhi zijn comeback na bijna drie jaar afwezigheid. Overdag is hij financieel adviseur, ‘s avonds staat hij in zijn eigen sportschool Shaolin Ryu aan de Beeklaan. Alles moet nu wijken voor die wedstrijd. Drie rondes van vijf minuten. Veel te winnen, veel te verliezen.

De opzet van SFL1 is eenvoudig: zes vechters in alle gewichtsklassen uit India tegen zes vechters uit de rest van de wereld. De locatie: Mumbai. Daarin een grote ronde ring, met een doorzichtige wand eromheen.  In de zaal is plaats voor tienduizenden toeschouwers. Er is eeen avondvullend programma. De SFL laat er geen misverstand over bestaan: dit is meedoen op het wereldniveau van organisaties als Ulitmate Fighting Championship (Amerika) en Pride Fighting Championsship (Japan). Die ambitie moeten ze waarmaken. De concurrentie kijkt toe, en houdt het oog gericht op wat er in de ring Daar is Satisch Jhamai zich scherp van bewust. Enerzijds is het een droom come back. Maar anderzijds: zo vol in de spotlights terugkeren, dat zet hem behoorlijk onder druk. Plus, hij komt uit voor India, het land waar zijn voorouders vandaan kwamen.
“Ik train zes dagen per week.  Op maandag in Pancration bij mijn oude trainer Chris Dolman, in Amsterdam. Op dinsdag hier. Op woensdag, donderdag en vrijdag in de ochtend bij mijn trainer en manager Bob Schreiber in Wormer. Op zaterdag weer hier. Op zondag rust ik in principe maar als ik daar geen zin in heb dan ga ik naar Rotterdam om bij een vriend Brazilian jiujitsu te doen. Verder doe ik elke ochtend, of nee, ik probeer drie ochtenden per week beneden cardio te doen”, vertelt Satisch. Een volle week. Maar misschien niet genoeg. “In februari ga ik met Bob de training evalueren, misschien moet er een schepje bij. Of af. Hangt ook van mijn gewicht af. Ik ben 1.93, en ben van 112 naar 106 gegaan, uiteindelijk wil ik  tussen de 103-105 wegen”.
Op gewicht zijn en blijven is niet alles. Kunnen winnen, daar gaat het uiteindelijk om. Satisch weet van zichzelf: “Ik kan lui zijn”. En dan met humor: “Ik  ben de luiste vechter die Nederland ooit heeft voortgebracht”. Hij legt uit hoe het zit. “Pas als ik pijn voel, kom ik in actie. Soms pas na anderhalve ronde of in de laatste minuten. Af en toe speel ik ook met de tegenstander, dan duurt het even voordat ik serieus ben”. Denk  aan een grote beer die op onaangename wijze in de winterslaap wordt gestoord en de bijnaam van Jhamai is duidelijk: the Bear.

Coulissen
Tot een paar maanden terug had hij zich een come back niet kunnen indenken. Die tijd was voorbij. Satisch had het bovendien druk genoeg met werk, zijn HBO studie, met les geven op zijn sportschool en met meegaan als zijn jongens wedstrijden in binnen- en buitenland hadden. Elke dag tijd tekort. Maar het lot zocht hem op tijdens een vakantie in Amerika. Dat was in september. “Ik was als sparring partner voor Stefan Struve (MMA-vechter in UFC, VL) meegegaan en bleek onverwacht goed te gaan. Met andere wedstrijdjongens daar kon ik meekomen. Dat had ik niet verwacht, ik ben er immers al zo lang uit. En het deed me ook wat om daar in de coulissen te lopen. Weer die sfeer te ervaren. Het bleef bij me, ook toen ik weer in Nederland was”.  Hier en daar ging hij peilen: zou het gek zijn om weer te gaan vechten?
Daarna kwam als vanzelf de tijd die hij nodig had om te gaan trainen. Kort na zijn terugkeer ontstonden er problemen op school. Door een verandering in het studiestelsel kon hij zijn eindscriptie pas een jaar later verdedigen, en hij zou vier, vijf vakken moeten overdoen. “Dus ik viel in een gat”. Hij keek Bob Schreiber aan, en Bob keek terug. Veel meer was niet nodig. Er werden telefoontjes gepleegd om te horen welke tegenstanders beschikbaar waren. En toen belde India. “Het had zich dus rondgezongen in het vechtsportwereldje dat ik weer beschikbaar was”.  Het zakelijk overleg duurde kort. De tegenstander werd gevonden: “Het is een Amerikaan, meer mag ik volgens mijn contract nog niet zeggen”.

Vechtsportvader
Satisch kwam al jong in de vechtsport terecht. Als jongetje van zes jaar werd hij door zijn moeder (“Ze vond me een watje”) naar de school van Charles Dumerniët gestuurd. Daar kreeg hij een aanvullende opvoeding. Wekelijke trainingen, hoe om te gaan met agressie in het dagelijks leven (“Nooit je sport misbruiken, een waarschuwende tik is genoeg”) en de boodschap om zich te blijven ontwikkelen: als mens, als vechter. Welke sporten? Kung Fu en free fight. Van zijn vechtsportvader kreeg hij boeken en artikelen over vechtsport om te bestuderen. En hij werd onder druk gezet door de ouder wordende leraar om zelf een sportschool op te zetten. “De eerste groep begon ik toen ik achttien was, denk ik. De naam Shaolin Ryu komt van hem. Het betekent: de weg van de draak”. Charles Dumerniët is er niet meer, maar in Shaolin Ryu leeft hij voort. De school heeft na veel verhuizingen in 2007 een vaste plaats gevonden aan de Beeklaan. Satisch woont boven de school.
Het is een mooie locatie, maar ook eentje met een beladen geschiedenis. Hier woonde en stierf zijn vader. Satisch: “Als er zoiets gebeurt, leer je de mensen op een andere manier kennen”. Hij vertelt er meer over. Dat het hem zes jaar heeft gekost om weer zijn weg te vinden. Dat kwam ook door de verbouwing van het pand die hij destijds op zich had genomen. En over zijn voorgenomen huwelijk dat mede daardoor afsprong. Sindsdien wil hij geen vastigheid meer, hij leeft voor zijn sport. Zeker nu hij weer terug is in de wedstrijden. Satisch is 31 jaar en een MMA-vechter kan zeker mee tot zijn 38ste. En daarna? “Misschien”.

Mumbai
Dus zo staat het ervoor aan de Beeklaan. De comeback komt elke dag dichterbij, en de planning voor de volgende twee gevechten in 2012 is al begonnen. “Ik vecht mijn tijd uit”, zegt Satisch. Maar eerst Mumbai.