Kinderen in de vechtsport

Deze column verscheen eerder op HaagseTopsport.nl

Met de regelmaat van de klok gebeurt het. Ik praat met een mens, die een kind heeft, en dat kind, daar is iets mee. Te dik, te sloom, wil dit niet, kan dat niet. “Doe hem op vechtsport”, adviseer ik. Kijkt die ouder me aan alsof ik het kind levend wil verbranden. Nee, Jantje moet op een teamsport. “Hoeft-i nóg niks te doen” zeg ik dan vals. Want ik voel me dan zwaar vertieft.

Bij boksschool Houwaart zag ik een keer op een wedstrijddag kleine kickboksers in de ring komen. Zo’n jaar of zes. Misschien jonger. Ze waren net iets groter dan hun scheenbeschermers maar toch nog te klein om zelf in die grote ring te stappen. Allright, die stond op een verhoging, maar toch. De kleine vechtertjes werden door hun trainers opgetild en over de touwen heen getild. Daar stonden ze. Helemaal klaar om los te gaan. De bel klonk en hop, daar gingen ze. In hoog tempo, en maar doorgaan. Niks kijken, wachten. Slaan, schoppen, doorgaan. Ik zat aan de ring en lachte, vertederd om zoveel enthousiasme. Anderen lachten ook, om dezelfde reden. Kijk toch eens, dachten we, daar hebben we de toekomst van het kickboksen.

Voor die jonkies geldt hetzelfde wat voor senioren en veteranen geldt. Persoonlijke inzet is noodzakelijk. Er is daar geen Jantje of Pietje die even op de teamgenootjes gaat hangen, wegens geen zin of mammie ik ben zo moe-hoe-hoe. Zoiets bestaat niet in de vechtsport. Hoeveel hulp je ook krijgt van je hoek, als de bel klinkt voor jouw ronde, moet jij naar voren gaan.

Dat is een levensles. Hoe vroeger je die leert, des te beter.

Onder de vechters die ik volg, zijn een paar kinderen. Zoals Jordan van Poelgeest, een kyokushin karateka van acht jaar. Hij komt uit voor Dojo Kamakura, een van de beste adressen in Den Haag. Jordan heeft nog geen handvol wedstrijden gedaan en hij is nu al volop in ontwikkeling. Wat verliezen is, weet hij. Hij heeft geleerd dat hij zijn angst kan overwinnen. Een beker omhoog houden lukt hem ook inmiddels. Als ik hem bij Kamakura zie, geeft hij een hand: “Osu”.  Het protocol van de beleefdheid, respect in de praktijk. Ik zeg het ook tegen hem. Voor elke vechter heb ik dat respect, ongeacht zijn of haar leeftijd.

Kijk, dat krijg ik dan niet uitgelegd aan de ouder van wie het kind zo nodig op de teamsport moet. Want dat kind moet liefst een voetballer worden, iemand die groot geld verdient en anderen de enkels kapot schopt, en dan nog zegt van niks te weten. Dat mag ik dan niet zeggen, want voetbal is heilig in dit land en ADO is onze afgod. Had ik kinderen, ze gingen allemaal op een vechtsport. Het is de beste garantie voor een sterk karakter.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *

De volgende HTML tags en attributen zijn toegestaan: <a href="" title=""> <abbr title=""> <acronym title=""> <b> <blockquote cite=""> <cite> <code> <del datetime=""> <em> <i> <q cite=""> <strike> <strong>