Boksschool I Believe (2)

Opening boksschool I Believe.  Benedenstraat 115, Oud-Ijsselmonde, Rotterdam. Vrijdag 1 oktober 2010.

 

Burgemeester Aboutaleb en hoofdtrainer Ronald Hiwat

 

De verbouwing van de zolder was af en de boksschool kon dus officieel open, al was-i dat al jaren. Maar Ronald Hiwat ziet de dingen graag goed en groot gebeuren. En als ze in Rotterdam iets op touw willen zetten, dan doen ze dat ook. Denken en doen ligt daar heel dicht bij elkaar.

Zo kwam het dat vrijdagavond de straat bij hem vol stond. Rotterdammers en andere mensen, en volop media. Want die zien niet elke dag burgemeester Aboutaleb in een boksschool. Ik geloof dat er ook security om hem heen stond, maar ja, dat worden allemaal iele jongens als ze naast Ron staan. Hij is oud-kampioen zwaargewicht (nationale titel 1984) en na zijn wedstrijdtijd hoefde hij  niet meer op zijn gewicht te letten. Dus dat deed hij niet.

Boven op zolder hielden oud-bokser en burgemeester een kort praatje. Later zou het pas echt leuk worden. Ronald sprak steeds gemakkelijker voor de filmcamera’s en keek alsof hij een aanhoudend flitslicht gewend was. Hier zijn ze beneden met de openingsspeeches:

“Iemand die met je meeloopt” die uitdrukking zou nogal eens terugkomen.

Arnold Vanderlyde gaf de burgemeester een lesje stilstaan als Arnold plezier maakt. Zo ziet dat eruit:

Eerst toespraken, daarna gaan de jasjes  uit en dan begint het…

Door alle drukte kon je nauwelijks zien hoe mooi de boksschool eigenlijk is. Het heeft sfeer. Dat komt onder meer doordat er veel oude boksfoto’s en posters van toen hangen. Boven op zolder hadden ze een fotowand gemaakt, die veel belangstelling trok. Prachtig, oude en nieuwe foto’s door elkaar heen. Zo leer  je meteen dat de bokssport leeft en in een lange traditie staat. Ik heb lang gekeken naar een foto van de vier Van Klaveren. Jonge jongens zijn ze hier nog, die stuk voor stuk de wereld aan kunnen, vol leven en met een grote toekomst voor zich.

En dan die ene foto van Kid Taylor, die ik eens bij Mesa Sport snoeihard training zag geven. Eerst dacht ik dat hij een slecht humeur had, maar bij zijn tweede training wist ik dat Kid gewoon van aanpakken hield. Boksers uit Suriname, dat is ook al een boek apart. Zoals ik stond te kijken, keken ook anderen. Elkaar foto’s aanwijzend: “Weet je nog, die?” En: “Die ken ik wel, want…” Waarna een verhaal volgde. Ach, had iedere boksschool maar zo’n mooie wand.

Met Henk Groenendijk heb ik die avond ook over nostalgie gesproken. Hij beheert het archief van de Boksbond, waar ik me binnenkort over mag ontfermen. Dertig dozen. Dat hebben we dan over van bijna een eeuw boksen in Nederland, met een groot aantal jaren daarbij boksen op de Nederlandse Antillen, in Indië en in Suriname.  Gezien de rijkdom van het verleden had ik drieduizend dozen redelijker gevonden. Misschien komt dat nog.

Als je langs de fotowand liep, kwam je in een nieuwe ruimte. Ook voor de jongeren, waarmee Ron Hiwat en zijn mensen werken. Het is eigenlijk een “boksschool plus” zoals tijdens de opening werd gezegd. Bokstraining, vanzelf. Maar ook begeleiding als het leven wat minder gemakkelijk voor je is. Of als je een stage zoekt. Of je huiswerk met anderen wilt maken. I Believe is eigenlijk een clubhuis waar van alles kan, met Ronald als de grote boksbroer.

Het programma van die avond was zonder meer druk. Speeches dus. En een schilderenveiling van Dries Sloof, een metsel-/ voegclinic,  inschrijven voor “I Believe Business friends” en dan boksbal na. Wat een organisatie moet dat geweest zijn. Op de site van I Believe staat allerlei informatie.

Aan het metselen kwam ik helaas niet meer toe. Na de speeches heb ik nog een poosje naar de oude foto’s staan kijken en daarna ging ik een in luxe bolide met enkele mannen van de Haagse Directe de snelweg op. Meerijden. Fijn is dat, die combinatie van Haags commentaar en dan zo’n zachtzoevende auto. Op een normale dag is mijn reizend leven van het strippenkaart-niveau.

Het was een goede avond, zonder meer. Ronald Hiwat heeft hart voor jongeren, en hij doet er wat mee, en zijn vrouw Diana met hem. Ik geloof dat de kinderen ook meewerken. Die knusheid in combinatie met een zakelijke aanpak (“business friends”), dat kan nog heel wat worden. Want ik zie op meer boksscholen dat trainers om hun boksers geven en vaak een oogje in het zeil houden als er problemen zijn.  Bij I Believe hebben ze dat ondersteund met een business model. Interessant.

BAV Frisia

Frisia, Tylkedam 51 te Leeuwarden

Elke bokswedstrijd begint op de training. Daar ontstaat het verschil tussen winnen en verliezen. Op de dinsdagavond dat ik bij Boks- en Atletiekvereniging Frisia ben, is daar iets van te merken. Het is de wedstrijdtraining, voor de boksers die de ring kennen of willen leren kennen. Voor trainer Piet Rozendaal is iedereen gelijk, dat wil zeggen, iedereen moet luisteren.

“Ik eis honderd procent gehoorzaamheid.”

Dat hoeft Piet die avond aan niemand uit te leggen. Er heerst tucht. Piet heeft heus wel gevoel voor humor, dat weet iedereen die hem tegenkomt, maar hij heeft minstens evenveel gevoel voor grenzen.

De zaal staat vol. Er zijn ook kickboksers van een nabijgelegen vereniging, “die komen hier om de bokstechnieken te leren”, verduidelijkt Piet. Dan begint het.  Warming up, enkele stoten, rusten. Geen gezellige praatjes, twee zinnen gewisseld is al te veel.  Dan kijkt Piet eventjes met generaalsogen.

Het gaat er stevig aan toe. Stoten en combinaties samen oefenen, vier in de ring, steeds anderen. Piet deelt de jongens bij elkaar in. Doet iets voor, blijft kijken en commentaar leveren.

“Een hoekje erbij”

“Leer van elkaar, zeg je staat te wijd, zeg wat je ziet, help elkaar”

“Wees creatief in wat je doet, wissel af”

jaren '30, uit de Leeuwarder Courant

Ik ben bij een van de oudste nog bestaande boksverenigingen van Nederland, B.AV. Frisia, opgericht in 1933. Dat deed Johan Poelsma, boerenzoon en boksliefhebber. Hij gaf ook privé-lessen, maar uiteindelijk ging het om die school. Atletiek hoorde er zeker bij; vooral in de eerste decennia organiseerde Frisia de ene veldloop na de andere marathon. Het boksen ging intussen gewoon door. Die van Frisia hadden altijd een goede conditie.

“Rusten is ook het werk,” zegt Piet, “let op je adem, breng zuurstof naar je spieren. Is de scheidsrechter met jouw tegenstander bezig dan neem je meteen rust.”

“Denk aan je bokshouding, ademen en staan, en bewegen. Als je niet beweegt, dan komt je tegenstander naar jou toe.”

Johan Poelsma is lang bij zijn club gebleven, tot in de late jaren ’50 wel. Toen emigreerde hij naar Australië maar hij kwam nog een enkele keer terug naar Leeuwarden. Ja, en naar Frisia natuurlijk. Er zijn nog prachtige oude foto’s van.

“Losjes stoten”, roept Piet, “ontspannen, elkaar niet raken, dat is moeilijker dan elkaar wel raken.” Hij verdeelt de groep in twee: die blijven in de zaal, die gaan naar de bokszakken aan de kant: “Netjes boksen. Let op snelheid, wissel af,  probeer niet de zak eraf te slaan dat lukt je toch niet.”

Na Poelsma kwamen andere trainers, en nu is Piet er dus. Ooit kampioen in de B-klasse, diploma’s behaald en hart voor de sport. Tough love voor degenen die het willen leren. “Goed opletten dan hoef ik het maar één keer te zeggen.”

Achterin de zaal, grijs t-shirt en rode windels: Piet Rozendaal

De bekendste bokser van Frisia is zonder twijfel Rudy Koopmans. Die verhuisde weliswaar voor het boksen naar Amsterdam, maar hij is en blijft Frisiaan. En Leeuwarder, dat ook.  Er hangen veel posters van hem aan de muur. Voor mij is Frisia ook nog om een andere reden interessant, en die reden heet Lolle van Houten (1944-2008).

Lolle heeft zijn twee nationale titels (1965 en 1970) behaald toen hij voor Frisia uitkwam, en hij is in de jaren ’60 zelfs een poosje trainer geweest. Het geluk is die avond aan mijn zijde: na de training komen er twee haveloze plastic tasjes van zolder waarin enkele nieuwe foto’s van Lolle zitten. Mooi voor in mijn boek over de bokser.

Vanavond zie ik ook Ids de Boer als trainer. Eerder had ik hem aan de ring gezien tijdens wedstrijden. Hij leek me een scherpe man,  maar nu zie ik een andere kant van hem. Eerst nog niet, als hij geduldig met Piet in de ring een demonstratie geeft. Piet blijft onvermoeibaar praten.

“Een kind kan de was doen”. Ids de Boer en Piet Rozendaal

Die avond zijn er ook twee jongetjes aanwezig. Hoe oud zouden ze zijn, misschien tien, twaalf jaar? Ze beginnen net en vinden het machtig spannend met al die oudere jongens. Meedoen, ja, maar hoe, weten ze niet goed. Boksen is moeilijk en de les dendert voort. Ids ziet het, en gaat naar ze toe. Minuten lang legt hij uit, eerst aan het ene jongetje, dan aan het andere, hoe je moet staan. Hoe je je voeten moet neerzetten en hoe niet. Dan het moeilijke: een hoek.

“Draaien, die hoek”

En de jongetjes kijken, luisteren, doen na wat Ids voordoet en merken dat het beter gaat. Die komen de volgende keer weer terug, dat zie je zo. De blijdschap van opeens iets te kunnen. En dat zo’n stoere man als Ids zo geduldig met je bezig is, zoiets is voor die jongetjes heel wat. Voor die twee is de wedstrijdring die avond een stuk dichterbij gekomen. Gewoon, omdat Ids ze serieus nam en geloofde dat ze het konden leren. Misschien hebben ze wel talent, denken de jongetjes.

Na de training vertelt Piet meeslepend over zijn leven (“Ik ben geboren onder de Oldehove, in de ziel van de stad”), over Lolle van Houten, over het boksen en over Rudy Koopmans. Wat een avond. En dan die tasjes nog, vol boksgeschiedenis uit Friesland.

Sportvereniging Bep Kneppers

Bep Kneppers

“Hij is van Kneppers,”  had Eddy Kiks gezegd. “Bep Kneppers, uit Amsterdam”. Eddy doelde op Joop Walda, die in 1965 tegenover Lolle van Houten stond in de finale Nederlands kampioenschap zwaargewicht. Walda zocht ik, vanwege mijn boek over zijn tegenstander, de bokser uit Leeuwarden.

De school van Bep Kneppers bestaat nog altijd. Na omzwervingen hier en daar is ‘Sportvereniging Bep Kneppers’ gevestigd in de Palmstraat, hartje Jordaan. Een bovenzaaltje in een buurthuis, een eigen pand is niet te betalen. Maar toch, het ruikt er goed en de geest van ‘Ome Bep’  is er aanwezig. Er hangen wat oude foto’s aan de muur. Joop Willemse komt straks, een man van 75 jaar en een goed geheugen, wat een ideale combinatie is. Op hem wacht ik.

Ik ben bij Kneppers vlak voor de zomerstop ingaat. Dan is er alleen wekelijks wat hardlopen, meer niet. Er zijn dan vanzelf minder mensen, niet de gewone 50-60 die op een training afkomen. Voor een deel zijn dat studenten, buitenlanders, het verschuift elke paar jaar. De harde kern is klein. Ze hebben wat wedstrijdboksers.

Foto's aan de muur

Touwtjespringen is overal touwtjespringen, maar het verschilt nogal waar je voeten neerkomen. Hier, in de school van ‘Ome Bep’, is dat in een lange traditie van boksscholen in de Jordaan. Waar zijn ze toch allemaal gebleven?

In 1946 begon Bep Kneppers voor zichzelf. Hij was een man met een repuatie, een goede wel te verstaan. Iemand met karakter (vocht als vrijwilliger in de Spaanse Burgeroorlog) en iemand met bokstalent en bokskennis (nationale titels lichtgewicht in de late jaren ‘30). Hij is er helaas niet meer, maar de school wordt in de sfeer van toen voortgezet. Zijn zoon Bep Kneppers junior is voorzitter en een klein groepje trainers geeft les.

Terwijl ik wacht, praat ik met Willem Zweers die net de conditietraining heeft gegeven. Hij is sinds zijn diensttijd bij Kneppers en nooit meer weggegaan. Met Chaim Wannet, Joop Willemse en hoofdtrainer Henk Sleijfer houdt hij de tradities in ere.

Dan staat Joop Willemse voor me. Messcherpe ogen kijken me aan: “Wat wou u weten?” Joop Walda, leg ik uit, en ik laat een foto zien. Hij aarzelt en denkt hardop. Ja, die kleren lijken wel van Kneppers te zijn. Hij heeft hier gebokst, maar niet langer dan twee jaar hoor. Aardige jongen. Kon goed boksen. Ome Bep had wel meer van hem geweten, die wist alles, maar wij trainden toen gewoon hier. Willem zegt dat hij Walda nog portier heeft zien staan bij de studentensociëteit het Okshoofd. Dat was in de jaren ’70. Waarna Joop Willemse weer zegt, dat Walda is weggegaan naar de boksschool van Dick Groothuis, nadat ze voetbalden en Ome Bep een been brak. Had met Walda te maken. Zware jongen immers. Misschien weten ze bij Jan Huppen er mee over, zegt Joop Willemse nog, die traint met oud-boksers ergens in Osdorp. Moet ik maar eens heen.

Achterin de zaal: de ring

Geleidelijk komt het gesprek op Ome Bep en de ene herinnering brengt de andere op. Dat de jongens van Kneppers later dan anderen in de ring kwamen. Want Ome Bep liet je pas gaan als je kon boksen, dat kon dan best een paar jaar duren eer je wedstrijden mocht doen. Als je dat al mocht tenminste, want hij verbood het soms ook. Dan mocht je wel blijven sparren, maar als jij dan zo nodig toch moest boksen, nou dan ging je maar ergens anders heen. Want Ome Bep dacht altijd twee stappen vooruit, die wou het niet meemaken dat ze zeiden Ome Bep ziet het niet meer. Maar het is ook zo dat je hoofd geen aambeeld is, dus het moet niet zo zijn dat je op je 35ste opeens hoofdpijn krijgt voor de rest van je leven.

Dat er een keertje een talentvol boksertje was dat niet wou uitstappen, die zei ik boks wel gewoon naar voren. Ome Bep zei er vier, vijf keer wat van en dat boksertje luisterde niet en die kon dus gaan. Was heel talentvol,  hoor.

En Wim Snoek, die toen al prof was, die dorst een keer te laat binnen te komen voor de training. Stuurt Ome Bep hem gewoon weg. Wim Snoek ging natuurlijk, wat dacht je.

Ja, Ome Bep was rechtlijnig. Hij kende zwart en wit. Geen tussenkleuren. Een harde man ook. Boksen is een harde sport. Als je het goed wil doen, zegt Joop Willemse. Je moet er bezeten van zijn, vindt hij en dan gaat hij weg. Alle boksers in de zaal groeten hem beleefd: “Dag Ome Joop!” Een man met aanzien.

Geen Walda dus, maar wel een aanwijzing en over de vloer geweest bij een bijzondere boksschool. Ik blijf nog even hangen voor de training door Chaim Wannet.

Het is een gek idee dat ze hier pas vijf jaar zitten. Zo kort en dan al zoveel sfeer. Zou het door Ome Bep komen? Die is wel in 1995 overleden, maar het gaat er nog steeds aan toe zoals hij vond. Inzet tonen. Luisteren. Geen luxe. Nou, er zijn niet eens kleedkamers, de tassen staan overal. Je kunt water drinken, dure koffieapparaten hebben ze niet. Een barretje evenmin. Het gaat om het boksen hier, dat is het hart van de school, sinds ’46 af. Ik voelde er me thuis.

SCM Boxing, Gentiaanstraat

SCM (Sport Club Maastricht) Boxing, dinsdag 30 maart 2010. Maastricht, Gentiaanstraat.

Gentiaanstraat, zij-ingang

Dis Paulussen met zoon Kevin (foto: Piek.tv)

Die dinsdagavond is het rustig in de Gentiaanstraat. Het is de day after, zonder dat ik de night before heb meegemaakt. Dat was de centrale training Zuid; de wedstrijdboksers zijn in in Heerlen wezen sparren. Centraal, dat wil zeggen met de Limburgia, Olympia ‘75 en boksclub de Amateur. Iedereen is flink afgemat dus vanavond gaat het een beetje rustig aan met de warming up.

Ik ben op bezoek bij SCM Boxing, Sport Club Maastricht, wat eigenlijk een boksschool is. Door de trainers, die ooit eens boksers waren bij weer andere trainers, gaat de school terug naar MBV, de Maastrichtse  Boksvereniging, die voor de oorlog ontstond. Dat leer ik uit een mooi stukje in het clubblad en later van voormalig bokser en trainer Louis Berkhof, die “al onze jongens uit het Zuiden” met mij zal bespreken. Over hem later meer. Wat een man, zeg ik alvast, bijna 80 jaar, een messcherp geheugen en top in conditie.

SCM Boxing heeft een grote locatie: twee grote gymzalen en dan nog een bar en ruimte om te vergaderen. De locatie is onderdeel van een groot scholencomplex, waarmee SCM fysiek verbonden is. Achter het spiegelwandje is een deur. Allemaal aanwas, denk ik optimistisch, al is de vereniging tamelijk groot: zo’n 150 leden waarvan een kleine tien wedstrijdboksers. Die twee groepen trainen elk in een eigen gymzaal. Recreanten beneden, wedstrijdboksers in wat nog steeds de ‘Aula’ heet. Daar, bij de wedstrijdring, zit ik die avond op een stoeltje. Kijken naar Stijn Vanderbiesen die de training geeft, praten met Dis Paulussen die straks in juni klaar is met zijn opleiding tot trainer. Vroeger heeft hij zelf gebokst. Straks is hij de tweede trainer met een Bondsdiploma, naast Jan Duits.

Dis vertelt dat SCM Boxing in 1993 is opgericht, toen de trainer van de toenmalige boksschool besloot om alleen met wedstrijdboksers verder te gaan. Dus begonnen de recreanten een eigen vereniging. Voor zichzelf. In begin was het alleen vriendschappelijk onderling trainen, en hoe gaan die dingen, die dingen breiden zich altijd vanzelf uit. Maastricht alleen al is rijk aan boksgeschiedenis, dat zie ik wel aan de vaantjes en posters die overal aan de muur hangen. Dan zeg ik nog niets over de hoeveelheid bekers en prijzen die niet meer in de vitrines passen. Al die namen, ze betekenen nergens zoveel als hier.

Inmiddels bloeit SCM Boxing alweer jaren. Ze denken aan uitbreiden met groepen voor kinderen en ouderen. Afgelopen januari hadden ze een groots boksgala en de club is aanwezig op wedstrijden. Ja, SCM heeft wedstrijdboksers. Daar hadden de recreanten weer zin in gekregen. Ze doen het goed, en Dis verwacht vooral veel van Junior Vrancken en van zijn zoon Kevin. Trainer en vader tegelijkertijd zijn, het is een combinatie die ik ook bij vader en zoon Durfornee (Quality Sport, Tilburg) zag. Tough love.

Bij SCM Boxing is de omgang tussen trainers en wedstrijdboksers vriendelijk maar daaronder ligt een fundament van ijzeren regels. Dis verwacht discipline van de wedstrijdboksers en het SCM-huisreglement telt 2 kantjes, in kleine letters past het er net allemaal op. Dat Limburgs klinkt zo zacht, maar softies zijn het bepaald niet. Uitleg in twee woorden: Arnold Vanderlyden.

Die avond staat Stijn er ontspannen bij. Hij weet dat de boksers moe zijn. Zo’n centrale training is niet flauw. Daarom bouwt hij het een beetje op, dat iedereen er geleidelijk weer in komt. Van huis uit is hij kickbokser en MMA-vechter. Overdag werkt hij bij een bank. “Om zes uur gaat het knopje op”, meldt hij monter, want dan kan de stropdas af en begint hij zijn vechtsportleven.

Later praat ik in de SCM-bar na met Dis over boksers en trainers. Hoe hecht die band kan zijn. En hoe moeilijk het voor een trainer is om ‘zijn’ bokser los te laten. Het moet, vindt Dis. Want een bokser is niet van zijn trainer, die ‘maakt’ hem niet. Een trainer moet weten of en wanneer hij een stapje terug zet: “Ik stuur Kevin straks een maand naar een andere vereniging. Als hij het ergens anders beter doet, dan laat ik hem los. Je doet het tenslotte allemaal uit liefde voor de bokssport.”

Geleidelijk komen de bestuursleden uit het kleine vergaderzaaltje. De zaak loopt goed. Groei in de club, wedstrijdboksers, en dan als een van de weinige boksscholen in Nederland een eigen clubblad. ’t Zijstepske. Ik heb me alvast geabonneerd.