Bokstalentjes vanaf zes jaar gaan op voor diploma

huisaanhuis2014

Sportschool Van Houten in Leeuwarden

Telefoon uit Leeuwarden. Of ik een stukje wilde schrijven want er was wat op komst. Ja, natuurlijk. En toen kwam het. Dat ze elke week kinderen over de vloer hadden die met plezier kwamen boksen. Dat op zich maakt mij al vrolijk. En toen zei Roel dat hij “gesloopt”  was na die training geven. Nou, dan moet je Roel zien. In Leeuwarden zeggen ze allemaal Roeltje tegen hem. Hij is groot, breed en sterk. Maar een boksklas vol kinderen…

“Bokstalentjes van zes jaar oud”

Kinderen en boksen? Dat gaat goed samen, weten ze bij Sportschool Van Houten. Elke week trainen er tientallen kindertjes vanaf zes jaar. Aanstaande zondag gaan ze op voor hun eerste diploma. “We hebben talentjes, ongelofelijk,” zegt een trotse trainer Roel Westerbeek.

Bij Sportschool Van Houten is het zondag een belangrijke dag. De ring staat klaar om de jonge talentjes te verwelkomen die hun eerste certificaat Boksvaardigheid hopen te halen. Een jury zal elk van de jongens en meisjes op hun kunnen beoordelen en daarna de Gele Handschoen uitreiken. Voor veelbelovende jonge boksers is er ook een certificaat.

“Wij zijn er gek mee,” zegt Roel Westerbeek. “Al ben ik gesloopt na een uur training met dat jonge spul. Daar zit zo’n energie in, dat wil je niet weten. Maar het is fantastisch om te zien. Van die jonge kinderen die meteen in de goede bokshouding staan. Net of ze het bij de geboorte al meegekregen hebben.” Aanstaande zondag zet hij met de anderen van Sportschool Van Houten de deuren gastvrij open.

Legende

Het is mooi om de kinderen bezig te zien in de ring van juist deze sportschool. Want de oudere boksliefhebbers herinneren zich nog dat het hier ooit begon met de Leeuwarder bokslegende Lolle van Houten. Zijn naam wordt hier in ere gehouden. Misschien dat er onder de kinderen een opvolger is. Iemand die ook dat snelle van Lolle heeft. Het duurt nog even voor je zoiets echt kunt zien, al weet de trainer nu al zeker: “Er zitten beloftes bij.”

Maar alles op z’n tijd. Zondag beginnen ze gewoon bij het begin. De ring in, de gong die klinkt, een jury die kritisch toekijkt en hopelijk veel publiek.

Zondag 23 februari 2014. Zaal open 12.00 uur, aanvang programma 12.30. Iedereen welkom: kinderen, ouders en andere boksliefhebbers. portschool Van Houten, Azaleastraat 104a, Leeuwarden.

 

Savate in 1899

Algemeen Handelsblad Algemeen Handelsblad, Woensdag 29 november 1899.

Leuk berichtje over La Savate in een oude krant. Het interessante is  dat de nieuwswaarde ligt in het feit dat de beroemde madame Descuhes ingreep. Savate was toen kennelijk al bekend in Nederland: “zooals men weet”, zegt de anonieme journalist.

Boksen.

Een flink staaltje van de kunst van zelfverdediging door boksen volgens de Fransche methode (la Savate) waarbij zooals men weet van de handen en de voeten mag gebruik gemaakt worden, werd dezer dagen te Parijs gegeven door eene vrouw Mad. Descuhes.

Deze dame in de artistenwereld en op circusprogramma’s zeer bekend onder den naam van la femme Canon wegens de wijze waarop zij met een zooevengenoemd schietwerktuig manoeuvreert, was de verschillende kunstgrepen en oefeningen van de Fransche bokswijze volkomen meester, en had zich meermalen geërgerd over de wijze waarop een zekere Swelebeke, een Belg die met zijn vrouw hetzelfde huis bewoonde, tusschenbeiden zijn wederhelft mishandelde. Een paar malen had zij den twistzoekenden echtgenoot die niet voor een kleintje vervaard is, van zijn vrouw gescheiden en den laatsten keer daarbij den woestaard te kennen gegeven dat hij een volgende maal op meer gevoelige wijze met haar zou kennis maken.

Eenige dagen later hoorde Mad. Descuhes angstkreten uit de vertrekken harer medebewoners komen. Zij wilde er binnen gaan doch de deuren waren gesloten, waarop zij met een flinken schouderdruk het slot deed openspringen. In de kamer zag zij den man die zijn vrouw op den grond geworpen had en haar met een groot mes trachtte den hals af te snijden. In een oogwenk had hij een welgemikten stoot tussehen de oogen te pakken, waardoor hij achterover tuimelde, doch spoedig was hij weer op de been en kwam razend op zijn aanvalster af, die hem in minder dan geen tijd behalve een tweeden slag tusschen de oogen, een vervaarlijken schop tegen de maag gaf, gevolgd door een slag op den neus.

1899-AlgemeenHandelsblad

Hij liet het mes vallen en trachtte te vluchten, doch werd gevolgd door de pootige vrouw, die hem tal van hevige slagen en schoppen toebracht, zoodat hij in zijn angst een venster opende, en niet bedenkende dat hij op de tweede verdieping was, uit het raam sprong en verwonderlijk ongedeerd op de straat terecht kwam, het spoedig op een loopen zettende, waarna de politie hem uit het oog verloor. De echtgenoote van den woesteling had een hevige wond aan den hals ontvangen, doch de geneesheeren hebben hoop haar in het leven te behouden. Voor het grootste gedeelte zal zij echter aan het krachtige optreden van la femme Canon en haar bokskunst haar leven te danken hebben.

Bokser Roos Disch

Roos DischSterren aan het boksfirmament. Herinneringen aan onze grote boksers. “Roos Disch”, door Jan Liber. In: De Ring, 1e jaargang, nr. 18. 23 juni 1948

Er zijn heel wat jonge boksers geweest, die niet ,,mochten” van thuis en die zijn er nog altijd. Er was eens een tjjd, dat vele ernstige vaders hun zonen verboden te voetballen, die dat getrap tegen een balletje maar tijdverknoeien, onverstandig en ongezond vonden. Zulke vaders zijn er nu niet meer. Weil echter zijn er helaas nog maar al te veel vaders, die bun zonen verbieden te boksen. Zij vinden dat slaan op mekaars gezichten ruw en onfatsoenlijk en gevaarlijk. Ik heb evenwel een vader gekend, die tegen zijn zoon zei: ,,Jongen, jij moet gaan boksen, Ik ken geen mooiere sport.” En laat nou die zoon er eigeniijk niet voor voelen! Die zoon heette Robert Disch, onder zijn kornuiten altijd Roos genoemd.

 

Het klinkt natuurlijk ongelofelijk voor een man, die in zijn tijd tot de beste puntenboksers van Europa behoorde, die de sterkste Engelsen weerstond en de hardste Belgen klopte. Toch is bet zo. Roos Disch bezat met de ware liefde voor de bokssport. Hij beschouwde die sport alleen maar als zijn broodwinning, als zijn vak. O zeker. hij vatte zijn werk ernstig genoeg op, maar hij vond er geen bevrediging in. Er zijn meubelmakers, die elke stoel en elke tafel met even veel zorg en evenveel ambitie in elkaar zetten, die het meubelstuk, dat zij maken bijna strelen en het als iets van hen zelf beschouwen. Dat zijn mensen met liefde voor hun vak. Maar er zijn er ook, die de dingen zo maar hoep, floep in elkaar gooien. Hoe eerder ze er van af zijn hoe liever en of de ene poot nu een millimeter korter is dan de ander, zodat zo’n stoel een doorlopende ergernis voor zijn bezitter wordt, om-dat hij altijd staat te wiebelen, dat kan hen niet schelen. Zulke mensen worden echter nooit uitblinkers. Zij bereiken nooit het allerhoogste. Zij missen het sterk makende idealisme, dat hen op een hoger plan, op een hoger niveau moet brengen. Zo is het ook met Roos Disch gegaan.

Hij miste precies de heilige vonk, die het hoge idealisme had kunnen doen ontbranden. Als die vonk er wel was geweest — Theo Huizenaar heeft het me in die dagen tientallen malen verzekerd — zou Disch een groot kampioen geworden zijn. Maar zo gaat het nu eenmaal in de sport. Om een groot kampioen te zijn, moeten alle kwaliteiten van techniek en temperament en vechtlust en ambitie en toewijding en moed in een man verenigd zijn. Als er maar een enkel element ontbreekt is het mis.
Disch had prachtige karaktereigenschappen. In de bokssport zijn er maar weinigen geweest zoals hij. Prettig en hartelijk kameraad, die alles voor iedereen over had. Echt een kerel uit een stuk, die je nooit in de steek zou laten. Altijd tot helpen bereid. Zijn mooiste hulp heeft hij wel gegeven tijdens het grote bombardement van Rotterdam op 14 Mei 1940. Hrj woonde toen in een van de zijstraten van de Schiedamse-singel. Aan de overkant van de singel stond de boel al in vlammen, aan de kant waar hij woonde was er nog niets gebeurd. Rustig zwom hij de Schiedamsesingel over, ging daar helpen bij het redden van wat schamele have en zwom een paar keer heen en weer om het goed in veiligheid te brengen. In de ring had hij iets flegmatieks, iets rustig onaandoenlijks. Hij liep niet zo gauw warm. Hij was altijd de koelbloedige. Dat maakte bij het publiek wel eens een verkeerde indruk.

De mensen oordelen gewoonlijk snel en dus oppervlakkig. Men kende die innerlijke onverschilligheid van Disch niet. Het nonchalante gebaar, dat hij kon maken of het verveelde gezicht, dat hij kon trekken, deden soms wel eens onsympathiek aan. Het gaf hem iets hautains, iets hooghartigs. De mensen zeiden dan wel eens: Die Disch is een beste bokser, maar hij is toch eigenlijk wel een opscheppertje in de ring, hij wil zo echt laten zien, dat hij het kan. En dat was nu precies niet waar. Het kon Disch allemaal zo weinig schelen wat er gebeurde. Het interesseerde hem nauwelijks of hij won of verloor en als hel publiek hem hoonde, krulde er alleen maar een minachtend en tegelijk een superieur lachje om z’n lippen. Hij was als de grote kunstenaars, die kunnen uitroepen: “Publiek ik veracht U!”

Als een jog van een jaar of zeventien kwam Disch in 1929 bij Huizenaar in de school. Het was alles mager en kwaad wat er aan die slungel was. hij rnaakte echt de indruk van een slome slungel. Theo had echter gauw bekeken, dat er wat in dat knaapjezat. Het zou alleen maar de kunst zijn, er uit te halen. Hij begon als amateur in de vedergewichtklasse met een indrukwekkende k.o.-overwinning.  Hij bokste 31 wedstrijden, waarvan hij er slechts drie verloor. Toen hij in 1932 het vedergewichtkampioenschap van Nederland veroverd had, vond Pa Disch het nodig tegen zoonlief te zeggen: En nou moet je maar prof worden. O, die oude heer Disch was een echte boksfan.

Roos DischIk herinner me nog, dat  na een wedstrijd in Den Haag, — tegen wie het was weet ik echt niet meer-  Disch werd uitgefloten. De jury had hem winnaar verklaard en daarmee mee was deel van het lieve publiek het niet eens. Woedend en met verwrongen grauw gezicht sprong Disch Sr. in de ring en begon tegen iedereen uit te varen. Met moeite konden zijn vrienden hem kalmeren. Zo was de man nu eenmaal, Hij ging op in de bokssport en je moest het niet wagen een woord ten nadele van Roos te zeggen, want dan werd hij gevaarlijk.
De successen als prof volgden elkaar snel op. België beschikte in die tijd over een stel beste vedergewichten. Daar waren Alf Berg, Mulkay, Benoir, Roothoofd. Ze werden allen verslagen. Het gebouw van Kunsten en Wetenschappen in Rotterdam op de Schiedamsesingel was voornamelijk het toneel van de strijd. Die lange pijpenla was eigenlijk een heel ongezellige zaal en allerminst geschikt als boksarena, maar er was niet anders in Rotterdam.  De Circusschouwburg was afgebrand, die goeie tijd was voorgoed voorbij. Ook de dagen van K. en W. heeft echter wel mooie bokssport opgeleverd.

Het jaar 1933 bracht wederom een reeks schitterende successen voor Disch, die inmiddels naar de lichtgewichtklasse iwas overgegaan. Harry Stein, de officiële kampioen van Duitsland, werd royaal op punten geklopt, de Nederlander Bakker ging in de 5e ronde k.o. en (later in de revanche in de derde. Toch was Disch geen typische knock outer. Hij had die echte Engelse stijl van het puntenwerk met een prima linkse directe. Zijn lange armen waren hem daarbij van groot voordeel.  Zijn enige nederlaag in 1933 was tegen de Belgische kampioen Saerens. Disch was in die partij zeker niet de mindere geweest. Ik herinner me nog zeer goed, dat het een van zijn beste gevechten was. Saerens was echter een zeer handige jongen met zeer veel routine en misschien ook wel een beetje minder sportief dan Disch. Toen hij in de negende ronde geheel onopzettelijk te laag geraakt werd, zei hij niet meer te kunnen doorboksen. De protectors waren in die dagen nog niet van de kwaliteit als thans en de scheidsrechter kon niet anders doen dan Disch diskwalificeren. Een maand later werd Disch lichtgewichtkampioen van Nederland door een overwinning op Jan Scheffers, een leerling van Schilperoord, die thans nog sportinstructeur bij de Rotterdamse Lloyd is.

Toen naar Engeland. Londen, Grimsby, Bristol, Liverpool en overal waar hij kwam veroverde Disch stormenderhand de harten van Engelsen en Schotten.
Daar was dat prachtige gevecht met Jim Stewart. Deze heer Stewart was een knock outer van de bovenste plank. De befaamde Jackie Kilberg ging er in drie ronden aan, Sybille in twee, Scheffers bieef maar een ronde op de been. Toen moest Disch het proberen.
Het was in Liverpool in 1934. IJzig kalm, zoals altijd ging Disch de ring in.

Van links naar rechts: Arnold Lagrand, scheidsrechter Knol en Robert Disch

Theo Huizenaar achter hem was veel zenuwachtiger dan hij. De eerste gongslag en het was of daarmee heel Li­verpool op het hoofd van Disch neerkwam. Een verschrikkelijke rechtse had zijn kaak getroffen voordat hij tijd had gehad om zijn handschoenen op te heffen. Disch smakte tegen de planken, maar hij bleef volkomen helder, rustte op zijn knie tot negen en zei onderwijl tegen Theo: “Alles in orde, die kans krijgt hij niet meer.” Zo gebeurde het ook. Stewart kreeg geen kans meer hem vol te raken. Het werd een opwindend gevecht, waarin Disch gelijk opbokste. Dat hij op punten verloor na vijftien zware ronden, was uitsluitend aan die down in de eerste ronde te wijten geweest.

Een schitterend gevecht leverde hij ook tegen Boyo Rees in Bristol in 1935. De Engelse pers was opgetogen. Weer verloor Disch op bet nippertje en tegen de beroemde Gustav Eder, op z’n best in die dagen, bleef hij ook de hele af stand staan. Het waren echter allemaal nederlagen en daarom kwam Disch nooit in aanmerking voor een wedstrijd om een Europese titel.

Nog een staaltje van de boksintelligentie: Op een Dinsdag moest Disch in Antwerpen de revanche tegen Saerens boksen. Een paar dagen tevoren had Huizenaar een telefoontje gekregen van de bekende Parijse promoter Jef Dickson, dat de tegenstander van Bricout niet kon uitkomen en of Disch wilde invallen. Best, zei Theo, we komen. Dinsdags bokste Disch dus tegen Saerens en verloor twijfelachtig op punten. Di­rect na afloop met de nachttrein naar Parijs. Overdag in het hotel een paar, uur geslapen. ’s Avonds tegen Bricout in de ring. Schitterend gevecht, enthousiast publiek, enthousiaste pers en enthousiaste Dickson, die zo tevreden was, dat hij een dubbele gage uitbetaalde, maar het was weer een nederlaag geweest.

Donderdag terug naar Rotterdam en Zaterdags oversteken naar Engeland, waar hij Zondags net maar eerlijk van Harry Mizzler verloor. Daar waren dus drie prima gevechten in zes dagen geweest en Disch had er geen schrammetje van overgehouden. In 1936 behaalde Disch ook de welter-titel door Bep Donnars op punten te kloppen en de beide titels heeft hij jaren gehad. Aan het eind van zijn loop-baan na de oorlog verloor hij die titels aan Nol Lagrand en Jan Nicolaas.

Misschien zou hij nog steeds actief bokser zijn, als niet een ongeval ontijdig aan zijn carriere een eind gemaakt had. Bij een stoeipartijtje kreeg hij een vork in het oog, waardoor het netvlies op drie plaatsen beschadigd werd. Maandenlang moest hij in het ooglijdersgesticht in Utrecht verpleegd worden en hoewel hij volkonien genezen ontslagen werd, was het toch te riskant om nog te blijven boksen.
Zijn vader, die nooit een wedstrijd over-sloeg, is hem ook nu trouw gebleven, want samen met Roos leidt hij een café in Rotterdam. Op 26 Juni wordt Disch 36 jaar.
Zijn vele vrienden zullen die dag niet vergeten hem op te zoeken.

Karateka Cath Zomer: Vechtsport gaat over conditie en kracht

karate Verschenen in Den Haag Centraal, januari 2014 

Karateka Cath Zomer (35)

Vechtsport gaat over conditie en kracht’

Het aftellen gaat elk jaar snel. In maart 2014 vinden in Den Haag de Europese kampioenschappen kyokushin karate plaats. De hardste vorm van karate is dat. Nauwelijks bescherming en een ijzeren mentaliteit van dóórgaan, dwars door pijn en angst. Wie doet zoiets? Karateka Cath Zomer bijvoorbeeld, van Honbu Kamakura. Ze heeft in twee vechtsportdisciplines de zwarte band, en drie open EK-karatetitels in haar bezit.

Ik wil weten wat ik nog in huis heb”, zegt Cath. “En ik denk dat ik een goede kans op de titel maak. De vierde titel wordt het dan, maar of het genoeg is? Je kunt niet genoeg titels hebben. Het afgelopen jaar ben ik er even uit geweest. Daarom vraag ik me af of ik het vermogen nog heb om op dit niveau te vechten. Dat zal de tijd moeten uitwijzen”. Ze vertelt het op een rustige manier, net of ze een klein plannetje heeft dat er eigenlijk niet zo veel toe doet. Maar achter deze woorden gaat iets groters schuil. Welke jonge vrouw in ons land houdt van deze harde karatesport, en leeft ervoor, dag-in dag-uit? Ze vertelt er meer over tijdens een gesprek in een chique hotel lounge. Cath houdt van stijl. En van hard slaan, en van het leven dat ze kreeg dankzij de vechtsport.

Maar eerst een huishoudelijke mededeling.

Het zijn merkwaardige tijden voor de serieuze vechtsporters. Op televisie heeft het showbusinessnieuws aandacht voor kickboksers die verkeerde dingen doen. Dat is een akelige beeldvorming, waar je lastig van los komt. Voor het EK heeft de organiserende sportschool Kamakura enkele trouwe sponsors die wel beter weten, maar enkele meer zou welkom zijn. Cath zelf is blij met haar sponsors JuicePlus en restaurant Qip, maar ze weet dat de sportschool nog wel wat sponsoren kan gebruiken. Dus als er belangstelling is graag, peilt ze.

Bikkelen

Het dagelijks leven van een karateka in training is intensief en verbluffend eenvoudig tegelijkertijd. Het verloopt in grote lijnen zoals het de vorige drie keer verliep, toen ze de EK-titel haalde. “Net als ieder ander mens sta ik ’s ochtends op. Dan maak ik een ontbijtje en daarna ga ik de deur uit. Hardlopen. Dan fitnessen en vervolgens ga ik naar de sportschool voor gevechtstraining. Vooral rondjes trappen en techniekoefeningen doen, soms ook sparren. Tegen de avond is het boodschappentijd, eten en rusten. ’s Avonds ben ik gewoon thuis. Mijn partner steunt me gelukkig enorm”. En de dag erna herhaalt dit zich weer, en de dag daarna ook, en daarna weer. “Mijn leven staat in het teken van de vechtsport”. Voor haar bestaat er niet iets als ‘vandaag geen zin’: ze wil winnen, dus ze traint. Zo simpel is het. Deze weken is het bikkelen om straks het EK te winnen, en daarna ― nee, dan breekt niet het grote genieten aan, dan traint ze alleen even minder hard.
“Hoe lang ik al op die manier leef? Ik denk zo’n 28 jaar”. Cath Zomer is nu 35.

Overlevingsdingetje

Mijn ouders deden me op judo toen ik zeven was. Dat ging best goed, ik won alles. Maar ik vond het niet leuk genoeg en de lerares was niet zo aardig. En: ze zeiden dat het moest. Met moeten heb ik niet zoveel op. Moeten is dwang. Tenzij ik het mezelf opleg, natuurlijk”. Cath vertrok van de judo en vond een andere sport.

Bij Mossel heb ik onder andere semi-contact karate gedaan. Hij was een goede leraar en ik had er een leuke tijd, maar… voor een vrouw sloeg ik vrij hard. Mijn tegenstandsters begonnen vaak te kermen en zeuren. Ik moest dan meedoen met een hogere gewichtsklasse en als er wedstrijdjes waren, werd ik bij de jongens ingedeeld. Dat beviel me steeds minder. Bij Seoul in de Kranestraat heb ik nog een tijdje hapkido gedaan, een Koreaanse vechtsport. Het was een beetje … Je leert mooie technieken, het is een hele mooie sport maar ja, het ging voor mij niet hard genoeg. Wanneer je op een bepaald niveau zit en echt los wil gaan dan moet je toch bij Kamakura zijn. Er is geen andere sportschool waar ze zó hard full contact karate zó goed trainen. Dat is er gewoon niet”.

Ze was negentien jaar toen ze besloot over te stappen. Toch een leeftijd waarop een doorsnee meisje aan andere zaken denkt dan aan de verschillen van semi-contact en full contact.

Asperger

Je hebt bij een semi-contact sport geen low kicks. Het lijkt meer op tikkertje, een spel om je goed op conditie te houden. Voor kinderen is het leuk. Minder beangstigend en het vraagt ook minder van je lichaam. Full contact zoals het kyokushin is intenser. Een harde sport. Het maakt je sterk. Maar je moet wel even door een pijnbarrière heen. Dat is een fysiek overlevingsdingetje, denk ik”. Ze bedoelt: als je hele lichaam pijn doet van de training of van het gevecht, en alles in jou roept vol spanning om hulp, dan nog ga je de ring in of de mat op. Je geest is sterker. Die hóórt sterker te zijn. Dat moet.

Nu heeft Cath een voordeel. Ze heeft Asperger en daarmee een bovengemiddeld concentratievermogen. Lachend: “Ik denk dat het een nadeel is dat de rest van de wereld het niet heeft”. Mensen met Asperger floreren bij structuur. “Voor mezelf is het nooit zo opgevallen dat ik Asperger had. Ik ben groot geworden in de wereld van het judo en het karate. Daar is structuur belangrijk. Het schept duidelijkheid. Ik denk dat het iedereen heel veel rust geeft op het moment dat je weet wat je deze dag gaat doen, is het niet? Het is fijn als je een wekelijks schema hebt, dat je dingen inplant en dat ze zo gebeuren. Dat draag ik graag aan anderen over, ik geef ook seminars”.

Budo

Er is vechtsport met en zonder budo. Tussen die twee zit een groot verschil. Zonder komt het eigenlijk neer op vechten binnen een sportieve dimensie. Een vechtsport met budo is een manier van leven. Door het judo kwam Cath al vroeg in aanraking met budo. Ze legt uit hoe ze budo ziet: “Een budosport heeft een culturele achtergrond waardoor er ook van je verwacht wordt dat je in je dagelijkse leven je ontwikkelt. Je gaat bewuster met jezelf om en je wordt geacht je karakter te verbeteren. Niet in je eentje, maar met de anderen op de sportschool”. Als kind leerde ze het al: “De trainer spreek je aan met u en niet bij zijn voornaam. Je groet beleefd. Er bestaat een hiërarchie: de één heeft een hogere band dan de ander. Respect is een werkwoord; voor de training arriveer je op tijd en in schone kleren. Dat soort dingen is het. Het lijkt nog het meeste op de ouderwetse Hollandse beleefdheid, alleen combineert het hier met vechtsport.” 

“Wanneer je trainer zegt: ‘Ga door’, dan ga je door, zonder te antwoorden met ‘ja-maar’”.

Bij sportschool Kamakura, waar ze traint, zijn deze omgangsvormen de norm. In het oude gebouw aan de Gheijnstraat geldt het huisreglement, maar veel sterker aanwezig is het morele gezag van kancho Gerard Gordeau. Hij bepaalt wat er gebeurt, hoe en wanneer, zonder daarbij alles uit te leggen. Die duidelijkheid geeft Kamakura een eigen sfeer, waarin de meesten opbloeien. “Dat zie je vooral bij jongens die uit democratische gezinnen komen,” zegt Cath. “Die kregen al op hun vijfde jaar inspraak in het huishouden, dus met grenzen omgaan kunnen ze dan niet meer. Bij de kancho is het kiezen of delen. Je doet wat hij zegt, of je vertrekt. Veel van die jongens noemen hem hun tweede vader. Het is een ouderwetse vorm van vaderlijke autoriteit die ze dan toch gemist hebben. Pas later, als je zelf verder bent in je ontwikkeling en je iets weet wat hij allemaal heeft bereikt in zijn leven, begrijp je waarom hij doet wat hij doet. Mij heeft hij in de loop der jaren heel ver op weg geholpen. Zonder hem was ik niet geweest waar ik nu ben”.

Cath vertelt verder: “Karate is een individuele sport maar de trainingen beoefen je samen. Dus je groeit samen en je helpt elkaar waar nodig. Zo kun je allemaal dezelfde weg gaan om het uiterste uit jezelf te halen. Want dat is waar het om gaat bij het kyokushin. Daarom volg je dus allemaal dezelfde regels. Je helpt elkaar verder in de sport en dat werpt zijn vruchten af in het dagelijks leven omdat je bewust en gedoseerd sociaal bent. Vooral bewust is belangrijk: het zet je met beide benen op de grond doordat je besef krijgt van je eigen capaciteiten, van de dingen die jijzelf hebt, waarvan je weet dat je ze of kunt geven of niet kunt geven. Daardoor weet je ook wat je voor een ander kunt betekenen en wat een ander van jou kan verwachten. De sport maakt je duidelijk wie en wat je bent. Dat is een manier van leven die niet iedereen op prijs stelt, hoor. Ik geloof ook best wel dat als je liever ziet wat de dag brengt, dat je daar heel veel moeite mee kunt hebben. Dat is eigenlijk wat budo met je doet. Het geeft je net zoveel diepgang als je aankunt”.

Hoe mooi je karakter ook is geworden, toch komt vroeger of later een tegenstander die wil winnen. Voor Cath is dat dus bij de kampioenschappen in maart. Het zal iemand zijn die ook getraind heeft op techniek en kracht. Die dus hard kan slaan. Ziet ze op tegen eventuele pijn? “Nee,” zegt ze. “Het gaat niet over pijn”.

oeckk2014_poster_medium

Zelfbeheersing

Vechtsport gaat over het totaal van conditie en kracht die je opgebouwd hebt door hard te trainen, en het inzicht dat je in jezelf hebt. Daar gaat het over. Het gaat over discipline en over je zelfbeheersing, en over de kracht die jij hebt weten te ontwikkelen in je eigen lichaam. Het heeft niets met pijn te maken. Je weet dat je die schop krijgt. Ik krijg ze ook. Ik heb ook vaak genoeg klappen gehad, hoor”.

Haar gezicht ziet er gaaf uit. Ongeschonden door blessures. Vooralsnog, tenminste. Maar ze vreest niet voor dat soort blessures. De vraag ernaar irriteert haar zelfs. Eerst zegt ze: “Nee, ik ben niet bang voor mijn gezicht”. Dan met een grapje: “Ik hoop gewoon dat ik straks zo goed ben dat het niet gebeurt”. Ze lacht. En uiteindelijk weegt ze serieuzer het risico van een blessure oplopen: “Dat risico neem jij ook iedere dag als je over straat gaat. Dat risico neemt iedereen. Dat is het leven. Je hoeft maar een auto-ongeluk te krijgen en niet getraind te zijn; dan zijn de blessures die je daaraan kunt overhouden zijn vele malen groter dan wanneer je wél getraind bent. Door te trainen maak je je lichaam dus sterker. En het gaat ten koste van niemand. Een wedstrijd evenmin. Als ik verlies, dan word ik sterker van mijn tegenstander, omdat die me op dat moment mijn zwakke plekken laat zien.”

“Net zoals wanneer ik win van mijn tegenstander, dat mijn tegenstander iets leert van mij”.

 Daar komt het gesprek steeds op terug, die wisselwerking tussen budo, vechtsport en het dagelijks leven. Praten met Cath Zomer over haar vechtsport is iets anders dan uitvoerig wedstrijden analyseren. Het gaat over de sport en tegelijkertijd over het leven zelf. Wat werkelijk belangrijk is en hoe je het beste uit jezelf haalt. Evenzogoed komt elke dag haar wedstrijd dichterbij en daarmee dat ze in haar witte karatepak, met de zwarte band, naar de ring gaat, voor het uur van de waarheid.mt iedereen. Dat is het leven. Je hoeft maar een auto-ongeluk te krijgen en niet getraind te zijn; dan zijn de blessures die je daaraan kunt overhouden zijn vele malen groter dan wanneer je wél getraind bent. Door te trainen maak je je lichaam dus sterker. En het gaat ten koste van niemand. Een wedstrijd evenmin. Als ik verlies, dan word ik sterker van mijn tegenstander, omdat die me op dat moment mijn zwakke plekken laat zien. Net zoals wanneer ik win van mijn tegenstander, dat mijn tegenstander iets leert van mij”.

Dat uur komt op zestien maart in de Haagse Sporthal Hellas, tijdens de Open Europese Kyokushinkai Karate Kampioenschappen. Voor velen is dat een gewone zondagmiddag, waar verder niets gebeurt. Voor degenen die daar in de ring treden, gaat het om winnen of verliezen. Een titel, een inzicht, een grens vinden en daar overheen gaan, zo mogelijk.

En dan weer. Nóg een keer.

Waar houdt zoiets op?

Bij de uiterste grens, en geen milimeter ervoor.