Piet van der Veer

pietvanderveer2klJan Liber: Herinneringen aan onze grote boksers. Piet van der Veer. In: De Ring,  jaargang 1, nr. 1, 1 november 1947, p.8-9.

Nederland is geen land van ring-reuzen. De beste boksers, die ons land heeft voortgebracht, behoorden steeds tot de lichte klassen. We hebben perfecte lichtgewichten gehad, uitblinkende welters en vermaarde middengewichten, maar de echte reuzen, mannen van om en bij 1.90 meter en met een gewicht van rond de negentig kilo, die internationaal meetelden, zijn maar zeer dun gezaaid geweest. Laat ik het sterker stellen: we hebben er maar één gehad: Piet van der Veer, gedurende veertien jaar de ongeslagen zwaargewicht-kampioen van Nederland en eens de populairste bokser van ons land.

Piet van der Veer is op 20 October een en vijftig jaar geweest. Hij leeft stil in een noodcafétje ergens op een rustig pleintje in Rotterdam, omdat de oorlog hem alles ontnam. De boksjeugd van nu loopt hem voorbij. Zij kent hem niet meer, maar zijn naam leeft nog altijd voort. Zijn naam zal altijd aan de historie van de bokssport verbonden blijven, als die van een der grootsten. En toch…. een man van wereldfaam is ook hij niet geworden, maar hij had het kunnen zijn, als hij gewild en gedurfd had. Piet van der Veer had een pracht corpus. Hij was sterk als een stier en zijn stoten hadden de kracht van een moker, die hij in zijn jongensjaren, toen hij smid en vuurwerker bij de brouwerij d’Oranjeboom was, zo dikwijls gezwaaid had. Maar met al zijn kracht en heel zijn reuzengestalte had Van der Veer één gebrek: hij bezat het ware boksershart niet. Hij miste de echte wedstrijdmentaliteit en de vechtlust, die hem tot wereldkampioen hadden kunnen maken. Dat hij ondanks dit gemis aan strijdgeest in zijn beste tijd, die tussen de jaren 1920 en 1925 ligt, aan de top van de Europese zwaargewichten stond, blijkt wel uit het feit, dat hij twee maal een wedstrijd om het kampioenschap van Europa bokste en al heeft hij in die twee wedstrijden te Milaan tegen Erminio Spalla het geluk niet aan zijn zijde gehad en heeft hij het hoogste, als gevolg van een onjuiste uitspraak van de Belgische scheidsrechter Boulanger, die vermoedelijk nog al bang was voor de fascistische carabinieri, die in groten getale langs de ring geschaard stonden, niet kunnen bereiken, hij bleef in ons land de populaire bokser. Later heeft hij tegen de geduchte Zweed Persson, tegen wie hij éénmaal in Stockholm onbeslist bokste en van wie hij te Scheveningen op punten won, nog gelegenheid gehad te bewijzen, dat hij werkelijk een man van grote klasse was.

De wedstrijd te Scheveningen is een der glanspunten uit ons boksers-verleden geworden. Het was op 31 Mei 1925, op 1e Pinksterdag. Het Scheveningse Circus was tot de laatste plaats toe uitverkocht en nog nimmer was er zulk een elitepubliek bij een bokswed-strijd in Nederland bijeen geweest. Mensen, die tot dusver alleen maar hun neuzen voor de bokssport hadden opgetrokken, waren, dank zij een intensief gevoerde reclame-campagne, volgens het recept van Van der Veers manager Jan Grijsseels, die tevens promotor van de wedstrijd was, naar Scheveningen gekomen. De komst van Dempsey, toen nog wereldkampioen, was zelfs zonder blikken of blozen aangekondigd en de mensen hadden grif zeventien gulden — een kapitaal in die dagen — voor een ringplaats neergeteld. Van der Veer heeft hun waar voor hun geld gegeven. Nooit bokste hij, zoals hij het die Pinkstermiddag deed. Hij toonde zich plotseling een volleerd technicus. De Belg Briscot, met wie hij getraind had, had hem geleerd wat counteren was. De stijl van het afwachten en toeslaan bleek Van der Veer prachtig te liggen en hij bracht er het publiek mee in vervoering. Men had Van der Veer tot dusver eigenlijk alleen maar onbesuisd zien vechten, maar het ware boksen is niet een in het wilde weg uitdelen van stompen met het enige doel een tegenstander zo snel mogelijk buiten westen te slaan. In die tijd zag men dat nog niet zo algemeen in als thans. Toen was de knock out, meer nog dan nu, alleen zaligmakend. Van der Veer „bekeek” het gevecht, zoals hij nog nooit een gevecht bekeken had. Persson vloog er in. Steeds weer stormde hij op de afwachtende Van der Veer af en steeds weer ving de meester­lijk counterende Rotterdammer hem op. Het publiek kwam in verrukking. Zulk boksen had men hier van zwaargewichten nog nooit gezien. Mensen, die voor het eerst bij een bokswedstrijd waren, gaven zich onmiddellijk gewonnen. Dit was werkelijk „the noble art of self-defence”, waarover zo smalend gespro­ken was.

De achtste ronde kwam. Persson vocht met de moed der wanhoop. Het was de zwaarste ronde, die Van der Veer, naar hij mij later heeft pietvanderveer1toevertrouwd, ooit in zijn leven gebokst heeft. Want het was gedurende dit ge­vecht waarachtig niet zo geweest, dat Van der Veer geen stootje gekregen had. Al counterende had hij heel wat moeten nemen en Perssons stoten waren hard en droog. In die achtste ronde volgde de ene slagwisseling op de andere. Persson wist, dat hij alleen nog kans had door alles te geven, alles te wagen. Zijn puntenachterstand was al niet meer in te halen. Eén ogenblik verloor hij de voor­zichtigheid uit het oog en Van der Veers rechtse hoek trof hem vol op de kin. Persson stortte op de planken, maar met de uiterste wilsinspanning stond hij bij negen weer gevechtsklaar. In het volgende moment ging de gong. Moedig hervatte de Zweed de strijd en met in­spanning van alle krachten bokste hij het gevecht uit.

De orkaan van toejuichingen, die los­brak, toen de jury Van der Veer tot win­naar uitriep, zal de bezoekers altijd bij­blijven. Van der Veer had de beste prestatie van zijn loopbaan geleverd. Hij zou die nooit meer overtreffen. Er kwamen aanbiedingen voor een ge­vecht tegen de befaamde Baskische houthakker Paolino, er kwamen aan­biedingen uit Amerika van de promotor Torn O’Rourke. Van der Veer sloeg ze af. Hij bokste weinig meer. In 1930 liet hij zich nog eens verleiden tot een ge­vecht om het kampioenschap van Europa tegen de Belg Pierre Charles. Hij leed een smadelijke nederlaag en ging in de tweede ronde k.o. Twee jaar later kwam hij te Rotterdam voor het laatst in de ring voor een demonstratie met Primo Carnera, die toen een tournee door ons land maakte. Van der Veer had een buikje en een kaal kruintje…. Het was een roemloos afscheid van de ring, maar desondanks leeft de herinne­ring aan een glorieus bokser voort en het is zijn grootste eer te kunnen zeggen, dat hij veertien jaar zwaargewicht kam­pioen van Nederland is geweest, zonder dat ooit een Nederlandse bokser hem heeft kunnen kloppen. Vrijwillig heeft hij afstand van zijn titel gedaan. Hij is de Nederlandse Tunney geweest.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *

De volgende HTML tags en attributen zijn toegestaan: <a href="" title=""> <abbr title=""> <acronym title=""> <b> <blockquote cite=""> <cite> <code> <del datetime=""> <em> <i> <q cite=""> <strike> <strong>