Cor Hillenga

Cor Hillenga (school Abelsma), januari 1965

Hij oogt zoals boksers ogen: goed getraind, alerte oogopslag. Cor Hillenga. Een Groninger, verbonden aan de beroemde School Abelsma. Hillenga was in 1958 Nederlands kampioen zwaarweltergewicht. Deze foto is genomen in januari 1965. Je zou het niet zeggen.

In februari 1958 waren de kampioenschappen in de Haagse Dierentuin. Daar hadden ze een prachtige zaal die er goed geschikt voor was. Ruim, sfeervol, genoeg plaats voor publiek. Vergelijk het met Krasnapolsky in Amsterdam, waar ook veel gebokst is.

Wie er nog meer waren? Ik diep dit op uit een  krantenknipsel zonder naam. Henk Zwaan (vlieggewicht) en Jan de Rooy (vedergewicht) zonder te boksen: de tegenstanders bleken bij weging te zwaar, dus was er een soort prestatiepartij. Dan haalden een titel:  Theo Wilbrink uit Groningen (bantam), Bob Bouhuizen uit Hoek van Holland (middengewicht), Wim Gerlach uit Groningen (middengewicht), Herman Schregardus uit Amsterdam (lichtwelter), Harry Matteusen uit Eindhoven (welter), Eddy Kiks uit Amsterdam (halfzwaar) en Leon Gerards uit Maastricht (zwaargewicht).

Namen uit onze boksgeschiedenis. Waar zijn ze nu? Dat vraag ik me vooral af over Cor Hillenga.

In 1965 stond hij twee keer tegenover Lolle van Houten, de Leeuwarder bokser over wie ik een boek schrijf. Beide keren won hij, “met één punt verschil” zoals Lolle graag benadrukte. Het moeten indrukwekkende partijen zijn geweest. Cor Hillenga, de man met de titels en de wedstrijdervaring. Lolle van Houten, de coming man, die nergens van onder de indruk raakte en van zichzelf wist hoe snel en sterk hij was. Ondanks het verlies werd hij beloond met een promotie naar de A-klasse. Drie maanden later won Lolle zijn eerste landelijke titel. Met de groeten aan Cor.

Daarom alleen al zou ik Hillenga willen spreken. Naamgenoten kennen hem niet, internetonderzoek leverde weinig op. Elke Hillenga uit Groningen opbellen leek me teveel op stalken, en wie weet woont hij nu wel in Zeeland.
Cor Hillenga, waar ben je?

Piet Holtkamp

Piet Holtkamp in zijn boksjaren

Hij was zeven keer kampioen Zuid-Holland en drie keer won hij de Nederlandse titel in de zwaargewicht klasse: in 1974, 1975 en in 1976. Piet Holtkamp (1948) kijkt tevreden terug op zijn bokscarrière. Hard getraind, fijn gebokst, nooit knock out gegaan en er goed uitgekomen.

Fijne verhalen zijn dat. Vooral als zo’n oudere bokser met die typische charme eens goed uit de doeken doet hoe het vroeger was. Oud-hockeymannen zijn toch héél anders. Doe mij maar een middag bij een oud-bokser.

Ik was bij Piet om over Lolle van Houten (1944-2008) te praten, de bokser uit Leeuwarden over wie ik een biografie schrijf. Piet en Lolle maakten deel uit van het groepje zwaargewichten dat in de jaren ’60 en ’70 vooraan stond op het nationaal toneel. Rudi Lubbers, Hennie Thoonen, Ben Tiben, zaten daar ook bij. Een volledige namenlijst heb ik helaas niet. Allemaal boksers die elkaar regelmatig tegenkwamen in de ring.

Tweede van links: Lolle van Houten. Uiterst rechts Piet Holtkamp met staand naast hem (met snor) Ben Tiben. Jaren '70.

En daarvan, zei Piet, heeft hij nog wat filmpjes. Destijds gefilmd op een 8 mm toestel en later overgezet op dvd. Hij laat ze zien op zijn computer en vertelt erbij. Dat hij 1,94 cm was. In zijn plakboek lees ik een krantenartikel dat het over “de reus uit het Westland” heeft. Op zijn zestiende gaan trainen bij Lou van Sinderen, die met zijn school B.V. Westland furore wilde maken. Wedstrijden gaan doen. Over zijn broer Wim, die ook bokste, maar nu in Zuid-Afrika woont. Dat hij een rechtsvoorstaande bokser was, counterde met links.

Helaas geen geluid. Piet Holtkamp tegen Ben Tiben. Finale zwaargewichten 1975, Nederlandse kampioenschappen in de Bilgaard-sporthal te Leeuwarden. Holtkamp (rood shirt) wint.

Alleen hoe hij stopte was minder minder mooi. Dat zat zo, vertelt hij. In 1976 wilde hij naar de Olympische Spelen in Montreal. Zijn staat van dienst was ernaar, en hij had zich het “leplazarus” getraind, zegt hij nog steeds verontwaardigd. Toen kwam een bericht van de Nederlandse Boksbond dat er “geen animo” was, en dat er dus geen boksers zouden worden uitgezonden. Hoe dat zat, bleek later; het NOC en de Bond hadden ruzie. Toen was het klaar voor Piet. Hij had veel gewonnen, was blij met zijn werk als kraanmachinist en zijn gezin met de drie kinderen, en het leven ging ook zonder de sport verder. Hij heeft nog jarenlang ergens portier gestaan: “Er gebeurde nooit wat.” Dat verbaast mij niks als ik naar zijn armen kijk.

Zijn mooiste wedstrijd? Tegen Hennie Thoonen, in 1972. Kijk, Hennie was moeilijk te kloppen. Want die had een rechtse hoek, levensgevaarlijk. Als je die kreeg, dan was het boem, knock out, wedstrijd verloren. Dus daar had hij zich op voorbereid. Eindeloos hardlopen voor de conditie, want in de ring wilde hij voortdurend bewegen, niet te raken zijn. Dan de combinatie, duizenden keren: leverstoot rechts, dan linkerhoek en hup, meteen een rechtse directe eroverheen. Met kracht en snelheid. Effectief is zoiets, hoor.

The man on wheels (foto: De Westlander)

En het lukte. Wat daarvoor alleen Lubbers en Van Houten voor elkaar hadden gekregen, daarin slaagde Piet Holtkamp ook. Winnen van Hennie Thoonen.  Niemand had het verwacht. Zoiets blijft je bij, zegt Piet vrolijk.

Zo heeft hij meer verhalen. Daartussen zit het andere verhaal, over de lage dwarslesie die hij zo’n twaalf jaar geleden opliep. Het was een lange weg van revalideren, en de rolstoel waar hij in zit, die blijft. Maar ook hier laat de bokser in hem zich gelden. “Ik dacht, het is nu Helpers Weg, nieuwe ronde.” Vechtlust. Terug willen komen. Is gelukt. Hij heeft weer armen als een bootwerker. Piet sport veel, rijdt auto, werkt nog altijd in de kraanwereld, zij het niet meer als kraanmachinist, maar nu als kantoorman. Hij praat graag over het boksen. Leuke verhalen, goed verteld, met een scheut Rotterdamse humor.

Over die demopartij tegen Rudi Lubbers in Leidse Minerva Societeit, en dat Lubbers pas terug was uit Amerika van zijn partij tegen Mohammed Ali. Piet wilde natuurlijk wat laten zien en dat ging heel goed, Lubbers liet zich evenmin kennen dus een “demonstratie”, tja. De volgende dag kopte de krant: “Publiek begreep er niets van.”

Dat hij een keer sparde  tegen Bep van Klaveren, ondanks het aanzienlijke verschil in gewichtsklasse. “Bep spuugde op mijn arm en toen ik daarnaar keek, haalde hij uit.  ‘Mij blijven aankijken’  zei Bep en die les was geleerd. “Bep had wel meer van die trucjes”, zegt Piet.

Over Lolle van Houten hebben we het ook nog een tijdje. Lolle zelf was niet zo’n prater, weet Piet. Je trainde soms samen, je maakte eens een praatje bij de wedstrijden, en dan ging je weg. Hij geeft een kopie van zijn plakboek op dvd aan me mee. Is een keer door iemand ingescand.

Mooie foto’s zijn het allemaal. En die filmpjes, geweldig. Er moet destijds nog veel meer gefilmd zijn, maar waar is dat toch allemaal gebleven?

BAV Frisia

Frisia, Tylkedam 51 te Leeuwarden

Elke bokswedstrijd begint op de training. Daar ontstaat het verschil tussen winnen en verliezen. Op de dinsdagavond dat ik bij Boks- en Atletiekvereniging Frisia ben, is daar iets van te merken. Het is de wedstrijdtraining, voor de boksers die de ring kennen of willen leren kennen. Voor trainer Piet Rozendaal is iedereen gelijk, dat wil zeggen, iedereen moet luisteren.

“Ik eis honderd procent gehoorzaamheid.”

Dat hoeft Piet die avond aan niemand uit te leggen. Er heerst tucht. Piet heeft heus wel gevoel voor humor, dat weet iedereen die hem tegenkomt, maar hij heeft minstens evenveel gevoel voor grenzen.

De zaal staat vol. Er zijn ook kickboksers van een nabijgelegen vereniging, “die komen hier om de bokstechnieken te leren”, verduidelijkt Piet. Dan begint het.  Warming up, enkele stoten, rusten. Geen gezellige praatjes, twee zinnen gewisseld is al te veel.  Dan kijkt Piet eventjes met generaalsogen.

Het gaat er stevig aan toe. Stoten en combinaties samen oefenen, vier in de ring, steeds anderen. Piet deelt de jongens bij elkaar in. Doet iets voor, blijft kijken en commentaar leveren.

“Een hoekje erbij”

“Leer van elkaar, zeg je staat te wijd, zeg wat je ziet, help elkaar”

“Wees creatief in wat je doet, wissel af”

jaren '30, uit de Leeuwarder Courant

Ik ben bij een van de oudste nog bestaande boksverenigingen van Nederland, B.AV. Frisia, opgericht in 1933. Dat deed Johan Poelsma, boerenzoon en boksliefhebber. Hij gaf ook privé-lessen, maar uiteindelijk ging het om die school. Atletiek hoorde er zeker bij; vooral in de eerste decennia organiseerde Frisia de ene veldloop na de andere marathon. Het boksen ging intussen gewoon door. Die van Frisia hadden altijd een goede conditie.

“Rusten is ook het werk,” zegt Piet, “let op je adem, breng zuurstof naar je spieren. Is de scheidsrechter met jouw tegenstander bezig dan neem je meteen rust.”

“Denk aan je bokshouding, ademen en staan, en bewegen. Als je niet beweegt, dan komt je tegenstander naar jou toe.”

Johan Poelsma is lang bij zijn club gebleven, tot in de late jaren ’50 wel. Toen emigreerde hij naar Australië maar hij kwam nog een enkele keer terug naar Leeuwarden. Ja, en naar Frisia natuurlijk. Er zijn nog prachtige oude foto’s van.

“Losjes stoten”, roept Piet, “ontspannen, elkaar niet raken, dat is moeilijker dan elkaar wel raken.” Hij verdeelt de groep in twee: die blijven in de zaal, die gaan naar de bokszakken aan de kant: “Netjes boksen. Let op snelheid, wissel af,  probeer niet de zak eraf te slaan dat lukt je toch niet.”

Na Poelsma kwamen andere trainers, en nu is Piet er dus. Ooit kampioen in de B-klasse, diploma’s behaald en hart voor de sport. Tough love voor degenen die het willen leren. “Goed opletten dan hoef ik het maar één keer te zeggen.”

Achterin de zaal, grijs t-shirt en rode windels: Piet Rozendaal

De bekendste bokser van Frisia is zonder twijfel Rudy Koopmans. Die verhuisde weliswaar voor het boksen naar Amsterdam, maar hij is en blijft Frisiaan. En Leeuwarder, dat ook.  Er hangen veel posters van hem aan de muur. Voor mij is Frisia ook nog om een andere reden interessant, en die reden heet Lolle van Houten (1944-2008).

Lolle heeft zijn twee nationale titels (1965 en 1970) behaald toen hij voor Frisia uitkwam, en hij is in de jaren ’60 zelfs een poosje trainer geweest. Het geluk is die avond aan mijn zijde: na de training komen er twee haveloze plastic tasjes van zolder waarin enkele nieuwe foto’s van Lolle zitten. Mooi voor in mijn boek over de bokser.

Vanavond zie ik ook Ids de Boer als trainer. Eerder had ik hem aan de ring gezien tijdens wedstrijden. Hij leek me een scherpe man,  maar nu zie ik een andere kant van hem. Eerst nog niet, als hij geduldig met Piet in de ring een demonstratie geeft. Piet blijft onvermoeibaar praten.

“Een kind kan de was doen”. Ids de Boer en Piet Rozendaal

Die avond zijn er ook twee jongetjes aanwezig. Hoe oud zouden ze zijn, misschien tien, twaalf jaar? Ze beginnen net en vinden het machtig spannend met al die oudere jongens. Meedoen, ja, maar hoe, weten ze niet goed. Boksen is moeilijk en de les dendert voort. Ids ziet het, en gaat naar ze toe. Minuten lang legt hij uit, eerst aan het ene jongetje, dan aan het andere, hoe je moet staan. Hoe je je voeten moet neerzetten en hoe niet. Dan het moeilijke: een hoek.

“Draaien, die hoek”

En de jongetjes kijken, luisteren, doen na wat Ids voordoet en merken dat het beter gaat. Die komen de volgende keer weer terug, dat zie je zo. De blijdschap van opeens iets te kunnen. En dat zo’n stoere man als Ids zo geduldig met je bezig is, zoiets is voor die jongetjes heel wat. Voor die twee is de wedstrijdring die avond een stuk dichterbij gekomen. Gewoon, omdat Ids ze serieus nam en geloofde dat ze het konden leren. Misschien hebben ze wel talent, denken de jongetjes.

Na de training vertelt Piet meeslepend over zijn leven (“Ik ben geboren onder de Oldehove, in de ziel van de stad”), over Lolle van Houten, over het boksen en over Rudy Koopmans. Wat een avond. En dan die tasjes nog, vol boksgeschiedenis uit Friesland.

Sportvereniging Bep Kneppers

Bep Kneppers

“Hij is van Kneppers,”  had Eddy Kiks gezegd. “Bep Kneppers, uit Amsterdam”. Eddy doelde op Joop Walda, die in 1965 tegenover Lolle van Houten stond in de finale Nederlands kampioenschap zwaargewicht. Walda zocht ik, vanwege mijn boek over zijn tegenstander, de bokser uit Leeuwarden.

De school van Bep Kneppers bestaat nog altijd. Na omzwervingen hier en daar is ‘Sportvereniging Bep Kneppers’ gevestigd in de Palmstraat, hartje Jordaan. Een bovenzaaltje in een buurthuis, een eigen pand is niet te betalen. Maar toch, het ruikt er goed en de geest van ‘Ome Bep’  is er aanwezig. Er hangen wat oude foto’s aan de muur. Joop Willemse komt straks, een man van 75 jaar en een goed geheugen, wat een ideale combinatie is. Op hem wacht ik.

Ik ben bij Kneppers vlak voor de zomerstop ingaat. Dan is er alleen wekelijks wat hardlopen, meer niet. Er zijn dan vanzelf minder mensen, niet de gewone 50-60 die op een training afkomen. Voor een deel zijn dat studenten, buitenlanders, het verschuift elke paar jaar. De harde kern is klein. Ze hebben wat wedstrijdboksers.

Foto's aan de muur

Touwtjespringen is overal touwtjespringen, maar het verschilt nogal waar je voeten neerkomen. Hier, in de school van ‘Ome Bep’, is dat in een lange traditie van boksscholen in de Jordaan. Waar zijn ze toch allemaal gebleven?

In 1946 begon Bep Kneppers voor zichzelf. Hij was een man met een repuatie, een goede wel te verstaan. Iemand met karakter (vocht als vrijwilliger in de Spaanse Burgeroorlog) en iemand met bokstalent en bokskennis (nationale titels lichtgewicht in de late jaren ‘30). Hij is er helaas niet meer, maar de school wordt in de sfeer van toen voortgezet. Zijn zoon Bep Kneppers junior is voorzitter en een klein groepje trainers geeft les.

Terwijl ik wacht, praat ik met Willem Zweers die net de conditietraining heeft gegeven. Hij is sinds zijn diensttijd bij Kneppers en nooit meer weggegaan. Met Chaim Wannet, Joop Willemse en hoofdtrainer Henk Sleijfer houdt hij de tradities in ere.

Dan staat Joop Willemse voor me. Messcherpe ogen kijken me aan: “Wat wou u weten?” Joop Walda, leg ik uit, en ik laat een foto zien. Hij aarzelt en denkt hardop. Ja, die kleren lijken wel van Kneppers te zijn. Hij heeft hier gebokst, maar niet langer dan twee jaar hoor. Aardige jongen. Kon goed boksen. Ome Bep had wel meer van hem geweten, die wist alles, maar wij trainden toen gewoon hier. Willem zegt dat hij Walda nog portier heeft zien staan bij de studentensociëteit het Okshoofd. Dat was in de jaren ’70. Waarna Joop Willemse weer zegt, dat Walda is weggegaan naar de boksschool van Dick Groothuis, nadat ze voetbalden en Ome Bep een been brak. Had met Walda te maken. Zware jongen immers. Misschien weten ze bij Jan Huppen er mee over, zegt Joop Willemse nog, die traint met oud-boksers ergens in Osdorp. Moet ik maar eens heen.

Achterin de zaal: de ring

Geleidelijk komt het gesprek op Ome Bep en de ene herinnering brengt de andere op. Dat de jongens van Kneppers later dan anderen in de ring kwamen. Want Ome Bep liet je pas gaan als je kon boksen, dat kon dan best een paar jaar duren eer je wedstrijden mocht doen. Als je dat al mocht tenminste, want hij verbood het soms ook. Dan mocht je wel blijven sparren, maar als jij dan zo nodig toch moest boksen, nou dan ging je maar ergens anders heen. Want Ome Bep dacht altijd twee stappen vooruit, die wou het niet meemaken dat ze zeiden Ome Bep ziet het niet meer. Maar het is ook zo dat je hoofd geen aambeeld is, dus het moet niet zo zijn dat je op je 35ste opeens hoofdpijn krijgt voor de rest van je leven.

Dat er een keertje een talentvol boksertje was dat niet wou uitstappen, die zei ik boks wel gewoon naar voren. Ome Bep zei er vier, vijf keer wat van en dat boksertje luisterde niet en die kon dus gaan. Was heel talentvol,  hoor.

En Wim Snoek, die toen al prof was, die dorst een keer te laat binnen te komen voor de training. Stuurt Ome Bep hem gewoon weg. Wim Snoek ging natuurlijk, wat dacht je.

Ja, Ome Bep was rechtlijnig. Hij kende zwart en wit. Geen tussenkleuren. Een harde man ook. Boksen is een harde sport. Als je het goed wil doen, zegt Joop Willemse. Je moet er bezeten van zijn, vindt hij en dan gaat hij weg. Alle boksers in de zaal groeten hem beleefd: “Dag Ome Joop!” Een man met aanzien.

Geen Walda dus, maar wel een aanwijzing en over de vloer geweest bij een bijzondere boksschool. Ik blijf nog even hangen voor de training door Chaim Wannet.

Het is een gek idee dat ze hier pas vijf jaar zitten. Zo kort en dan al zoveel sfeer. Zou het door Ome Bep komen? Die is wel in 1995 overleden, maar het gaat er nog steeds aan toe zoals hij vond. Inzet tonen. Luisteren. Geen luxe. Nou, er zijn niet eens kleedkamers, de tassen staan overal. Je kunt water drinken, dure koffieapparaten hebben ze niet. Een barretje evenmin. Het gaat om het boksen hier, dat is het hart van de school, sinds ’46 af. Ik voelde er me thuis.