Nee tegen de Bond

Deze column werd eerder gepubliceerd op Haagsetopsport.nl in 2012

De klap dreunt nog na. Vorige week bedankt bokser Marichelle de Jong voor een rondje flauwekul met de Boksbond. Die zouden bepalen wie er naar de Olympische Spelen mocht. Zij, of Nouchka Fontijn. Dezelfde gewichtsklasse. Eén kans. Of niet?

Hoe dan ook, kort voordat de Boksbond met onpeilbare wijsheid zou beslissen wie er naar de Spelen in Londen mocht, liet Marichelle weten dat het niet hoefde. Zij gaat zich richten op de wereldkampioenschappen boksen. Dat wil zeggen: in haar eigen gewichtsklasse tot 69 kilo, waarin ze al Europees Kampioene is.

Een mooi besluit. Moedig om uit jezelf nee te zeggen tegen iets waarvan je al zo lang droomde. Naar de Olympische Spelen te gaan, geschiedenis te schrijven, omdat dit jaar voor het eerst vrouwen in de bokssport daar mee mogen doen. Maar ze zei nee. Tegen het laatste restje van die droom. De afgelopen maanden is die droom langzaam aan flarden gescheurd. Hoe zat het ook al weer?

Twee boksers. En één ticket. Alleen voor de 75 kilo gewichtsklasse. De Bond zei tegen de ene bokser: ga hoger. Ze deed het. Daarna zei de Bond, o ja, we rekenen alle resultaten mee, dus nou ja, jammer dat je nog maar zo kort in de hogere gewichtsklasse bokst.

Gelooft u het? Nee, nou, ik evenmin. En toch is het zo gebeurd. Fontijn gaat naar Londen en we zullen heus kijken als haar wedstrijden op tv komt, maar dan zal ik net als iedereen aan Marichelle denken en aan de scheve telling. En dan denken we aan het WK in China, en hoe verschrikkelijk mooi het zou zijn als ze met goud terugkwam. Reken maar dat ze nu op scherp staat.

Het ellendige is natuurlijk dat er een vlek op het blazoen van de bokssport zit. Het is moeilijk te geloven dat het duizend procent eerlijk is gegaan. Je zult een dochtertje hebben of een buurmeisje dat leuk kan boksen. Zo’n snel meisje, niet gauw bang, vlug op haar voeten. Een meisje vol ambitie over wat ze allemaal kan bereiken, misschien wel ooit naar de Olympische Spelen. Die gedachte motiveert. Wat moet je zeggen tegen dat dochtertje of buurmeisje?

Dan zeg je: Doe maar. Ga jij maar boksen. Hang een foto van Marichelle de Jong boven je bed. Verander nooit van gewichtsklasse. En word wereldkampioen, net als Marichelle.

Op zoek naar Charles Dumerniët

Deze column verscheen in 2012 bij HaagseTopsort.nl

Zelden noemt iemand zijn naam nog. Het internet geeft een magere oogst. Een free fight gala in Ockenburg, dat was in de jaren ’90. Een filmpje met vechtsporter Wout Kist,  met “spinning backfist” staat erbij. Veel meer is er van hem niet overgebleven. Charles Dumerniët was een Hagenaar die zijn tijd ver vooruit was.

Die mensen hebben we wel meer in onze stad. Denk eens aan Pieter Toepoel, in 1911 mede-oprichter van de Boksbond en degene die jiu jitsu lessen gaf. Hagenaar. Iemand met een idee en met daadkracht. Een man die een sportbond opricht, omdat hij het nodig vindt. Dan is er the International Budo Kai, opgericht door Gerard Gordeau van Kamakura aan de Gheijnstraat. Ook een Hagenaar, met een internationale bond die martial arts worldwide promoot, vooral kyokushin karate. Tussen die twee zit Charles. Ergens. Maar waar precies?

Charles Dumerniët hield zich al bezig met freefight toen niemand er wat in zag. Dat was in de jaren ’70. Hij organiseerde wedstrijden en gala’s, hij was de oprichter en de hoofdredacteur van het blad De Samurai en richtte een sportbond op: de Internationale Organisatie Gevechtskunst. Verder was hij trainer, masseur en vast nog duizend dingen meer. Zo’n man als die twee anderen. Ze bedenken iets. Ze doen het. Daar hebben ze geen vergadering voor nodig. Zeldzaam is zoiets. In Den Haag gebeurt het.

Toepoel hebben ze een achterafstraatje met zijn naam gegeven. Gordeau kreeg nog geen felicitatiebriefje. En Dumerniët is zowat vergeten.

Dan moet je mij hebben. Precies van dat soort zaken word ik driftig. Van het gemak waarmee de Haagse geschiedenisboekjes aangepast worden. Alleen toen Louis Couperus over het boksen bij Toepoel schreef, wilden we dat onthouden. Maar ja, dat was een schrijver, hè? Dat is het minder vechtsport, en meer literatuur.

Het stikt van de vechtsportscholen in de stad. In elke wijk, in iedere buurt, daar heb je wel wat. De toeloop is groot, en groeiend, van jongens en van meisjes. Dat is mooi. Scheelt weer dikke kindertjes. Maar zouden we niet wat beter op het oer-Haagse ervan moeten passen? Ik bedoel, vechtsport heeft een lange traditie in de stad. Kijk maar naar Toepoel: hij begon meer dan een eeuw geleden. Kamakura doet het overal uitstekend. En Charles Dumerniët, die is in de vergetelheid aan het zakken. Tenzij u zo’n ondernemende Hagenaar best wilt leren kennen. Als u mij informatie mailt, schrijf ik er een stukje over. Doen?

Boksbond 100 jaar

Wie zijn deze mannen?

Uiteindelijk noteer ik hier maar een fractie van hetgeen ik hoor in de bokswereld. Ja, natuurlijk. Vertrouwen moet er zijn. Een belangrijk deel zal terecht komen in het grote boksgeschiedenisboek dat ik aan het maken ben. Ik ben er nog wel een tijdje zoet mee, ook omdat ik voor brood op de plank moet zorgen.

Vandaag is het honderd jaar geleden dat ‘den Nederlandschen Boksbond‘ werd opgericht, toen nog met sch. Gefeliciteerd, zeg ik, met vooral bezorgdheid over al de raadsels uit het honderdjarig verleden. Komt dat nog goed? We missen nog zoveel kennis, het verleden is zo slecht bijgehouden. Het bondsarchief bestaat uit zo’n 30 dozen, dat is veel te weinig voor een eeuw boksen in Nederland, Indië, Suriname en op de Antillen. Dertig dozen! Bizar. Het hadden er driehonderd moeten zijn. Minstens.

Honderd jaar lang hebben we dus een traditie van het georganiseerd boksen. Nederland, boksland. Maar dat we een boksland zijn, moeten we bewijzen met feiten, verhalen en geschiedenissen.

De mooiste boksfoto die ik nu heb, komt uit Limburg. Ik zag ‘m op de website van SCM Boxing en er was iets in de afbeelding dat me raakte. Meteen uitgeprint op hoogglanspapier en nu staat de foto op mijn schrijftafel. Twee mannen. Wie het zijn, weet ik niet. Evenmin wat er gebeurd is. Wanneer de foto genomen is? Misschien jaren ’30. Of later. Ik moet raden. Zelfs de oude garde in Maastricht wist het niet. Ik ben een generatie te laat met mijn vragen, denk ik soms. Maar ik geef niet op. Straks ga ik de Limburgse kranten vragen om hulp. Misschien leeft er nog iemand die wat gehoord heeft, ooit eens.

Bewaard is er weinig, opgeschreven is er ook niet zoveel. Vandaag de dag is de situatie niet veel beter. Er zijn oud-boksers die liever hun plakboeken verbranden dan ze aan de Boksbond te geven. Andere boksers laten hun plakboeken op zolder verstoffen, dat onverschillige is weer het andere uiterste. Maar ik ken ook jonge boksers en trainers die willen weten in welke traditie ze staan. Die zoeken naar het boksverleden.  En er zijn oud-boksers die aan een autobiografie werken, of dat willen doen.

Mijn eigen situatie is eenvoudig. Boksen kan ik helaas niet (de motorische coördinatie ontbrak), schrijven wel. Daarbij ben ik nostalgisch ingesteld. En idealistisch, dat ook nog. Dus tel dat bij elkaar op, en dan is het duidelijk waarom ik hier ben, op dit weblog en met de twee boksboeken die ik tot dusver schreef.

Vandaag bestaat de Boksbond dus honderd jaar. Een mooie verjaardag. Lekker oud. Maar wie zijn toch die twee mannen op de foto?

Boksbond 1940

Kijk, toen hadden we nog een boksblad. De Bokssport was een maandblad, ‘gewijd aan het amateur-boksen’. Maar het ging ook over de boksbond. Ik ontving per post de eerste bladzijde van het nummer dat op 30 november 1940 verscheen. Dan is de bezetting al maanden gaande en er zijn op sportgebied veranderingen op komst. Op de cover de foto van ‘de historische fusie-vergadering’. Daar is iets mee aan de hand. Met dat woord, en met dat jaartal.

Onder de foto staat:
Achter de bestuurstafel bij den Ned. Boksbond. Van links naar rechts de heeren J.P. Baan, M.J. Verbruggen, B. Bergström, G.E. van der Werff jr., J.M. Wilmsen, W. Rasenberg, M. Overkleeft en G.J. te Riet jr.

Op de achterzijde van de bladzijde vond ik het colofon: Van der Werff is dan voorzitter, Bergström de vice-voorzitter, Wilmsen de secretaris-penningmeester. Ook anderen van de foto staan genoemd: Baan, Overkleeft, Rasenberg, Verbruggen en Te Riet zijn commissarissen. In dat colofon staan apart vermeld de Amsterdamsche Boksbond, de Haagsche Bondbond en de Rotterdamsche Boksbond. Verder zijn er districten. Maar de fusie betrof iets anders.

Over boksen tijdens de bezetting las ik het indringende proefschrift van André Swijtink: In de pas. Sport en lichamelijke opvoeding in Nederland tijdens de Tweede Wereldoorlog (1992). Dit jaar verscheen er een handelseditie van onder de titel Een sportman doet niet aan politiek. Groei en populariteit van de Nederlandse sportbeoefening in oorlogstijd. Ik hou me aan het proefschrift, dat is degelijker met veel noten. Hieruit leerde ik de achtergrond van deze foto, ik citeer een stukje van bladzijde 136-137:

“In november 1940 kwamen vertegenwoordigers van de Nederlandse boksbond, de amateurboksbond, en de Nederlandse boksunie, de organisatie van professionele boksers, bijeen om over de samensmelting van beide bonden te overleggen. [...] De boksunie verklaarde zich bij monde van bestuurder Westbroek voor een samengaan met de boksbond, omdat van een fusie ‘een krachtige propaganda’ voor de bokssport zou uitgaan.

Binnen de boksbond heerste verdeeldheid. Het oostelijk district, de boksbonden Rotterdam en Den Haag, die gelieerd waren aan de boksbond, verklaarden zich voor eenwording. De afgevaardigde van de Amsterdamse Boks Bond (ABB), A. Smit, hield daarentegen een heftig pleidooi tegen een samengaan. [...] Het blijkt dan, dat Smit op persoonlijke titel had gesproken: de ABB had in meerderheid voor een fusie gestemd. Bij de stemming gaven daarop alle aanwezigen hun stem aan het voorstel tot fusie. De nieuwe bond nam de naam van de ‘voormalige’ bondbond aan.”

Dat is het verhaal van de foto.

Natuurlijk is er het grotere verhaal: de bezetting, hoe de sport ingezet werd als propagandamiddel, dat de fusie min of meer van bovenaf werd opgelegd, dat er iets vergelijkbaars gebeurde in andere sporten. Sport is niet neutraal, nooit. Dat legt Swijtink duidelijk uit, met geweldig veel details en voorbeelden. Ook met feiten die vaak schokkend zijn: op 15 september 1941 was ” iedere vorm van openbare sportbeoefening”  aan Joden verboden, meldt hij op pagina 111. Je denkt meteen aan Ben Bril (over wie een mooi boek verscheen), een bokser-scheidsrechter met een naam en een gezicht, maar hoe veel naamlozen staan er achter hem? Ja, dat zijn deprimerende gedachten.

De achterzijde van de bladzijde: boksbestuurders van enkele generaties terug. Klik erop en de afbeelding vergroot zich.