Albert Groen aan de ring

Aan de ring

Aan de ring

 

Kijk, daar staat hij. Niet in de ring maar aan de ring.

Terwijl Albert Groen, de middelste man, volledig gediplomeerd Bondstrainer was.

Maar misschien nog niet op het moment dat deze foto genomen is.
Het is een van de boksfoto’s uit de nalatenschap van Albert Groen. Wie het zijn, waar en wanneer de foto is genomen, dat weten we daardoor niet meer.  Misschien in de Beurs, in Leeuwarden? De muur lijkt dezelfde ornamenten te hebben als op sommige andere foto’s. Het blijft giswerk.
 

Albert Groen als jonge bokser

Albert Groen als bokser

Albert Groen als bokser

Albert Groen, bokser. Zoals het nu gaat, zo ging het ook toen.  Trainers op een sportschool met hart voor de jonge boksers, die zijn vaak zelf vroeger wedstrijdbokser geweest.

“Je moet weten waar je ze heen stuurt”, zei eens een bokstrainer tegen me.

Hij doelde op de ring. Als je er zelf in gestaan hebt, ook al is het maar voor een paar wedstrijden, dan weet je wat het is.
Dat gold ook voor Albert Groen. Zijn grootste faam heeft hij verworven als trainer, maar ook hij is wedstrijdbokser geweest. Dat was vooral in de oorlogsjaren, met Frisia-oprichter Johan Poelsma aan de ring. Groen trof het daarmee wel en niet. Het waren vooral de jaren waarin Frisiaan Johan van der Meulen schitterde, als tweevoudig kampioen van Nederland.  Dat was aan het begin van de bezetting en kort erna. Bij zo iemand blijven de anderen vanzelf in de schaduw.
In de Leeuwarder Courant uit die tijd staan berichten waarin we Albert Groen als bokser een beetje leren kennen. Zo staat er in de krant van 21 mei 1941 een uitgebreid verslag van de eerste openbare bokswedstrijden in Hotel Spoorzicht. Zo’n 500 mensen komen kijken, de voorzitter van de Nederlandse Boksbond spreekt er een welkomstwoord uit. Albert staat die avond tegen ene v.d. Hengel, van Boks,-en Atletiekvereniging Olympus (Sneek). Over die partij schrijft de krant:

“Opmerkelijk was weer dat van deze twee halfzwaargewichten de Sneeker aan de techniek de meeste aandacht schonk. Groen ontpopte zich weliswaar als een moedig bokser, doch fraai werk leverde hij niet. Hij zocht het o.i. te veel in de clinch, blijkbaar probeerend daarmee een goed aantal punten te behalen. Dit gelukte hem evenwel niet omdat de Sneeker, wanneer de beide boksers los van elkaar stonden, in staat was enkele goede treffers te plaatsen. Het resultaat was onbeslist.”
Het jaar daarop zijn er ook enkele wedstrijden, maar dan is hij ook al lid van de Technische Commissie, samen met E. Venema, J.Muiser en R. Hoekstra. Dan is de overgang van bokser naar trainer begonnen.

 

Bokser Roos Disch

Roos DischSterren aan het boksfirmament. Herinneringen aan onze grote boksers. “Roos Disch”, door Jan Liber. In: De Ring, 1e jaargang, nr. 18. 23 juni 1948

Er zijn heel wat jonge boksers geweest, die niet ,,mochten” van thuis en die zijn er nog altijd. Er was eens een tjjd, dat vele ernstige vaders hun zonen verboden te voetballen, die dat getrap tegen een balletje maar tijdverknoeien, onverstandig en ongezond vonden. Zulke vaders zijn er nu niet meer. Weil echter zijn er helaas nog maar al te veel vaders, die bun zonen verbieden te boksen. Zij vinden dat slaan op mekaars gezichten ruw en onfatsoenlijk en gevaarlijk. Ik heb evenwel een vader gekend, die tegen zijn zoon zei: ,,Jongen, jij moet gaan boksen, Ik ken geen mooiere sport.” En laat nou die zoon er eigeniijk niet voor voelen! Die zoon heette Robert Disch, onder zijn kornuiten altijd Roos genoemd.

 

Het klinkt natuurlijk ongelofelijk voor een man, die in zijn tijd tot de beste puntenboksers van Europa behoorde, die de sterkste Engelsen weerstond en de hardste Belgen klopte. Toch is bet zo. Roos Disch bezat met de ware liefde voor de bokssport. Hij beschouwde die sport alleen maar als zijn broodwinning, als zijn vak. O zeker. hij vatte zijn werk ernstig genoeg op, maar hij vond er geen bevrediging in. Er zijn meubelmakers, die elke stoel en elke tafel met even veel zorg en evenveel ambitie in elkaar zetten, die het meubelstuk, dat zij maken bijna strelen en het als iets van hen zelf beschouwen. Dat zijn mensen met liefde voor hun vak. Maar er zijn er ook, die de dingen zo maar hoep, floep in elkaar gooien. Hoe eerder ze er van af zijn hoe liever en of de ene poot nu een millimeter korter is dan de ander, zodat zo’n stoel een doorlopende ergernis voor zijn bezitter wordt, om-dat hij altijd staat te wiebelen, dat kan hen niet schelen. Zulke mensen worden echter nooit uitblinkers. Zij bereiken nooit het allerhoogste. Zij missen het sterk makende idealisme, dat hen op een hoger plan, op een hoger niveau moet brengen. Zo is het ook met Roos Disch gegaan.

Hij miste precies de heilige vonk, die het hoge idealisme had kunnen doen ontbranden. Als die vonk er wel was geweest — Theo Huizenaar heeft het me in die dagen tientallen malen verzekerd — zou Disch een groot kampioen geworden zijn. Maar zo gaat het nu eenmaal in de sport. Om een groot kampioen te zijn, moeten alle kwaliteiten van techniek en temperament en vechtlust en ambitie en toewijding en moed in een man verenigd zijn. Als er maar een enkel element ontbreekt is het mis.
Disch had prachtige karaktereigenschappen. In de bokssport zijn er maar weinigen geweest zoals hij. Prettig en hartelijk kameraad, die alles voor iedereen over had. Echt een kerel uit een stuk, die je nooit in de steek zou laten. Altijd tot helpen bereid. Zijn mooiste hulp heeft hij wel gegeven tijdens het grote bombardement van Rotterdam op 14 Mei 1940. Hrj woonde toen in een van de zijstraten van de Schiedamse-singel. Aan de overkant van de singel stond de boel al in vlammen, aan de kant waar hij woonde was er nog niets gebeurd. Rustig zwom hij de Schiedamsesingel over, ging daar helpen bij het redden van wat schamele have en zwom een paar keer heen en weer om het goed in veiligheid te brengen. In de ring had hij iets flegmatieks, iets rustig onaandoenlijks. Hij liep niet zo gauw warm. Hij was altijd de koelbloedige. Dat maakte bij het publiek wel eens een verkeerde indruk.

De mensen oordelen gewoonlijk snel en dus oppervlakkig. Men kende die innerlijke onverschilligheid van Disch niet. Het nonchalante gebaar, dat hij kon maken of het verveelde gezicht, dat hij kon trekken, deden soms wel eens onsympathiek aan. Het gaf hem iets hautains, iets hooghartigs. De mensen zeiden dan wel eens: Die Disch is een beste bokser, maar hij is toch eigenlijk wel een opscheppertje in de ring, hij wil zo echt laten zien, dat hij het kan. En dat was nu precies niet waar. Het kon Disch allemaal zo weinig schelen wat er gebeurde. Het interesseerde hem nauwelijks of hij won of verloor en als hel publiek hem hoonde, krulde er alleen maar een minachtend en tegelijk een superieur lachje om z’n lippen. Hij was als de grote kunstenaars, die kunnen uitroepen: “Publiek ik veracht U!”

Als een jog van een jaar of zeventien kwam Disch in 1929 bij Huizenaar in de school. Het was alles mager en kwaad wat er aan die slungel was. hij rnaakte echt de indruk van een slome slungel. Theo had echter gauw bekeken, dat er wat in dat knaapjezat. Het zou alleen maar de kunst zijn, er uit te halen. Hij begon als amateur in de vedergewichtklasse met een indrukwekkende k.o.-overwinning.  Hij bokste 31 wedstrijden, waarvan hij er slechts drie verloor. Toen hij in 1932 het vedergewichtkampioenschap van Nederland veroverd had, vond Pa Disch het nodig tegen zoonlief te zeggen: En nou moet je maar prof worden. O, die oude heer Disch was een echte boksfan.

Roos DischIk herinner me nog, dat  na een wedstrijd in Den Haag, — tegen wie het was weet ik echt niet meer-  Disch werd uitgefloten. De jury had hem winnaar verklaard en daarmee mee was deel van het lieve publiek het niet eens. Woedend en met verwrongen grauw gezicht sprong Disch Sr. in de ring en begon tegen iedereen uit te varen. Met moeite konden zijn vrienden hem kalmeren. Zo was de man nu eenmaal, Hij ging op in de bokssport en je moest het niet wagen een woord ten nadele van Roos te zeggen, want dan werd hij gevaarlijk.
De successen als prof volgden elkaar snel op. België beschikte in die tijd over een stel beste vedergewichten. Daar waren Alf Berg, Mulkay, Benoir, Roothoofd. Ze werden allen verslagen. Het gebouw van Kunsten en Wetenschappen in Rotterdam op de Schiedamsesingel was voornamelijk het toneel van de strijd. Die lange pijpenla was eigenlijk een heel ongezellige zaal en allerminst geschikt als boksarena, maar er was niet anders in Rotterdam.  De Circusschouwburg was afgebrand, die goeie tijd was voorgoed voorbij. Ook de dagen van K. en W. heeft echter wel mooie bokssport opgeleverd.

Het jaar 1933 bracht wederom een reeks schitterende successen voor Disch, die inmiddels naar de lichtgewichtklasse iwas overgegaan. Harry Stein, de officiële kampioen van Duitsland, werd royaal op punten geklopt, de Nederlander Bakker ging in de 5e ronde k.o. en (later in de revanche in de derde. Toch was Disch geen typische knock outer. Hij had die echte Engelse stijl van het puntenwerk met een prima linkse directe. Zijn lange armen waren hem daarbij van groot voordeel.  Zijn enige nederlaag in 1933 was tegen de Belgische kampioen Saerens. Disch was in die partij zeker niet de mindere geweest. Ik herinner me nog zeer goed, dat het een van zijn beste gevechten was. Saerens was echter een zeer handige jongen met zeer veel routine en misschien ook wel een beetje minder sportief dan Disch. Toen hij in de negende ronde geheel onopzettelijk te laag geraakt werd, zei hij niet meer te kunnen doorboksen. De protectors waren in die dagen nog niet van de kwaliteit als thans en de scheidsrechter kon niet anders doen dan Disch diskwalificeren. Een maand later werd Disch lichtgewichtkampioen van Nederland door een overwinning op Jan Scheffers, een leerling van Schilperoord, die thans nog sportinstructeur bij de Rotterdamse Lloyd is.

Toen naar Engeland. Londen, Grimsby, Bristol, Liverpool en overal waar hij kwam veroverde Disch stormenderhand de harten van Engelsen en Schotten.
Daar was dat prachtige gevecht met Jim Stewart. Deze heer Stewart was een knock outer van de bovenste plank. De befaamde Jackie Kilberg ging er in drie ronden aan, Sybille in twee, Scheffers bieef maar een ronde op de been. Toen moest Disch het proberen.
Het was in Liverpool in 1934. IJzig kalm, zoals altijd ging Disch de ring in.

Van links naar rechts: Arnold Lagrand, scheidsrechter Knol en Robert Disch

Theo Huizenaar achter hem was veel zenuwachtiger dan hij. De eerste gongslag en het was of daarmee heel Li­verpool op het hoofd van Disch neerkwam. Een verschrikkelijke rechtse had zijn kaak getroffen voordat hij tijd had gehad om zijn handschoenen op te heffen. Disch smakte tegen de planken, maar hij bleef volkomen helder, rustte op zijn knie tot negen en zei onderwijl tegen Theo: “Alles in orde, die kans krijgt hij niet meer.” Zo gebeurde het ook. Stewart kreeg geen kans meer hem vol te raken. Het werd een opwindend gevecht, waarin Disch gelijk opbokste. Dat hij op punten verloor na vijftien zware ronden, was uitsluitend aan die down in de eerste ronde te wijten geweest.

Een schitterend gevecht leverde hij ook tegen Boyo Rees in Bristol in 1935. De Engelse pers was opgetogen. Weer verloor Disch op bet nippertje en tegen de beroemde Gustav Eder, op z’n best in die dagen, bleef hij ook de hele af stand staan. Het waren echter allemaal nederlagen en daarom kwam Disch nooit in aanmerking voor een wedstrijd om een Europese titel.

Nog een staaltje van de boksintelligentie: Op een Dinsdag moest Disch in Antwerpen de revanche tegen Saerens boksen. Een paar dagen tevoren had Huizenaar een telefoontje gekregen van de bekende Parijse promoter Jef Dickson, dat de tegenstander van Bricout niet kon uitkomen en of Disch wilde invallen. Best, zei Theo, we komen. Dinsdags bokste Disch dus tegen Saerens en verloor twijfelachtig op punten. Di­rect na afloop met de nachttrein naar Parijs. Overdag in het hotel een paar, uur geslapen. ‘s Avonds tegen Bricout in de ring. Schitterend gevecht, enthousiast publiek, enthousiaste pers en enthousiaste Dickson, die zo tevreden was, dat hij een dubbele gage uitbetaalde, maar het was weer een nederlaag geweest.

Donderdag terug naar Rotterdam en Zaterdags oversteken naar Engeland, waar hij Zondags net maar eerlijk van Harry Mizzler verloor. Daar waren dus drie prima gevechten in zes dagen geweest en Disch had er geen schrammetje van overgehouden. In 1936 behaalde Disch ook de welter-titel door Bep Donnars op punten te kloppen en de beide titels heeft hij jaren gehad. Aan het eind van zijn loop-baan na de oorlog verloor hij die titels aan Nol Lagrand en Jan Nicolaas.

Misschien zou hij nog steeds actief bokser zijn, als niet een ongeval ontijdig aan zijn carriere een eind gemaakt had. Bij een stoeipartijtje kreeg hij een vork in het oog, waardoor het netvlies op drie plaatsen beschadigd werd. Maandenlang moest hij in het ooglijdersgesticht in Utrecht verpleegd worden en hoewel hij volkonien genezen ontslagen werd, was het toch te riskant om nog te blijven boksen.
Zijn vader, die nooit een wedstrijd over-sloeg, is hem ook nu trouw gebleven, want samen met Roos leidt hij een café in Rotterdam. Op 26 Juni wordt Disch 36 jaar.
Zijn vele vrienden zullen die dag niet vergeten hem op te zoeken.

Gezocht: Ko Cornelissen

Ko Cornelissen op 1 oktober 1925 (Familiebezit)

In mijn mailbus vond ik een oproep. Bokser gezocht. Ko Cornelissen heette hij. Zijn dochter is op zoek naar hem, dat wil zeggen naar informatie over zijn bokstijd. Ooit was er een plakboek waar alles in stond. Iemand gooide dat weg en toen stond ze met lege handen. Dat is rot, als het je vader betrof. Yvon Kennedy-Cornelissen schreef: “Er is een polygoonfilmpje uit 1924, waar gebokst wordt, maar ik herken niet mijn vader, ‘t is vrij onmogelijk iémand te herkennen. Wèl herken ik hem aan tafel links met grote kuif. Maar ja, ik kan niets bewijzen.”

Ko Cornelissen dus. Hij bokste in het Amsterdamse, onder andere in Krasnapolsky.

Dit is wat Yvon schreef:

Ik zoek al heel lang naar informatie over mijn vader. Hij was in 1921 kampioen van Amsterdam, 16 jaar, vlieggewicht. In 1924 2e kampioen van Nederland. In dat jaar deed hij mee aan de Olympische Spelen in Parijs.

Hij heette Ko (Jacobus) Cornelissen, dat wordt vaak verkeerd geschreven Jan en L. Geboren in 1924, overleden in 1953. Beide Amsterdam. Hij was 25 jaar lid van D.O.S. Amsterdam. Ooit had ik een boek met knipsels en foto’s, door een familielid weggegooid. Het is lang geleden, maar wie heeft nog info?

Ik heb van de vele trofeeën die hij had er slechts twee over, plus een prachtig boksbeeld.

Ivon Kennedy-Cornelissen
mailen: chris-ivon@versatel.nl