Autobiografie Wim de Haan

Wim de Haan: Klappen genoeg gehad! Schiedam, 1992 (157. pag; pocket)

Een bokser schrijft zijn levensverhaal, en hoe. Een stortvloed van herinneringen, anecdotes, terzijdes en mooie momenten krijg je over je heen in dit boek van Wim de Haan. Zelden heb ik een boksboek gelezen dat leuker, interessanter en vooral: levendiger was dan dit boek. Ik heb het in één adem uitgelezen. Heerlijk.

Het is een bomvolle pocket. Hoofdstukken zonder titel, nergens een inhoudsopgave. Gedichten, foto’s en andere afbeeldingen. De taal is lekker kloek Hollands, met hier en daar ervaringen die zeer treffend worden uiteengezet, zoals een verhaal dat begint met: “Ik maakte nog een keer een grietje mee, haar grootste liefhebberij was pijpen, daar was ze een artieste in”. Ja, dat lees je niet elke dag. Dan weet je ook meteen de aanpak van de schrijver: niet van dat flauwe. Hij staat niet te wenen bij bloempjes in de knop gebroken. Hij houdt van boksen en van vrouwen. Wim de Haan is een man waar je u tegen zegt. Vanzelf. Kermisbokser, trainer, dichter en levenskunstenaar. Al denk ik als vrouw soms: “Oom Wim, niet alwéér aan de seks”, ik gun het hem wel.

Op de achterkant staat een korte omschrijving van de inhoud:
“Zijn gemis aan natuurlijk ouders en de haatverhouding met zijn moeder. Het alleen opvoeden van zijn zoon van zijn zesde maand tot zijn vijftiende jaar. ZIjn gevechten met de kinderrechter en instanties.
U beleeft in vogelvlucht zijn omzwervingen over de aardbol, zijn optreden bij Willem Duys, zijn voetbal-en bokssuccessen. Het kweken van zeven Nederlandse en vierendertig Zuid-Hollandse bokskampioenen en zijn bijna vliegtuigongeluk in 1976 op weg naar de Olympische Spelen in Montreal”.

Dat is dan nog maar een samenvatting. Als er een hoofdstukindeling was geweest, dan was dit vanzelf een overzichtelijker boek dan het nu is. Vooral omdat er zoveel in gebeurt, en er haast niets in uitgelegd wordt. Dat is voor zijn persoonlijk leven best te doen, maar als het over boksen van toen gaat, wordt het moeilijker. We moeten maar weten wie wie is, en wat wat. Maar neem nou het volgende:

“Ik hoorde dat het Oude Badhuis op de Lange Haven leegstond en na overleg met de Gemeente werd ik de nieuwe huurder. Ik heb de cafetaria verkocht en van dat geld een sportschool gemaakt, wat is daar gewerkt met mijn leerlingen en kennissen, maar in tien weken was de opening. Ik was zo trots.
De inleiding tot wat wij nu zijn was een uitnodiging van de katholieke arbeidersjeugd om een boksdemonstratie te geven in hun clublokaal.
Als oud amateurbokser wilde ik hier graag gehoor aan geven en alras had ik enkele boksers om mij heen verzameld en kon de demonstratie doorgang vinden. Met namen als Gras, Raijmakers, Knoop en Pronk op het programma, was succes verzekerd, na afloop werd mij toen gevraagd, veel kunnen wij niet missen maar zou je bij ons boksles willen geven.”  (p.80)

Dat ontwikkelt zich mooi verder want:

“Dus in 1957 werd boksschool de Haan opgericht met als eerste wedstrijdboksers Leen Kaufman, Joop Kleinherenbrink, Johan Offerman en Jaap van Onlangs.” (p.81)

Het is wel heel beknopt allemaal. Misschien kan er nog eens een tweede editie komen met wat voetnoten voor degenen die het niet hebben meegemaakt. Die staan hier door een beslagen raam te kijken: zie zien wat, maar niet helemaal.

Maar ondanks dat lééft het boek als een mooie bonk boksgeschiedenis. Je krijgt een beeld van een tijd en daar zit gevoel in. Sommige dingen blijven ook altijd hetzelfde; Wim de Haan vertelt ook een bokser voor zijn wedstrijd opeens last kreeg van de zenuwen en weg wilde. Oom Wim wist raad, en hij diende de bokser wat druppels toe uit een flesje. Alle zenuwen waren weg en hij won. Toen kwam de ontknoping:

“Na de wedstrijd heb ik hem het flesje laten zien, wij hebben met zijn allen gebruld van het lachen toen hij op het flesje las dat het staaldruppels waren.”(p.83)

Het boek is hopelijk nog te koop bij antiquariaten, daar vond ik het ook. Het is zeker het aanschaffen waard.

Reino van der Hoek

“Daar staat hij”, wees Eddy ten Cate (Olympia Leeuwarden). “Een van de grootste boksers uit Friesland.” Ik keek en zag hem staan. Reino van der Hoek. Gewoon, tussen de anderen, kijkend naar de ring, net als de anderen. Maar wel met een bokscarrière die hem aanzienlijk minder gewoon maakt.

Hij was twee keer junior kampioen lichtwelter 1979, 1980 of 1981; B klasse kampioen lichtwelter 1982, A-klasse kampioen lichtwelter in 1984, 1985, 1986, 1987. En een keer A-klasse kampioen welter in 1988. Maar ook: drie keer verliezend finalist in 1982 tegen Saro (lichtwelter), in 1989 tegen Ronald Vos (welter) en in 1990/91 tegen Delibas in het zwaarwelter.

Acht keer kampioen van Nederland, present op het Europees kampioenschap van 1985 en 1987 (brons) en naar het wereldkampioenschap in 1986. Het jaar daarop gewonnen van een Cubaanse wereldkampioen, Garcia. In datzelfde jaar stond hij op de achtste plaats van de wereldranglijst. Veel internationale wedstrijden gedaan. Prof geweest. Al met al indrukwekkend. Zo hebben we er niet veel in Nederland.

Later keek ik weer naar Reino van der Hoek. Eigenlijk was het staren, om te kijken hoe hij deed. Bij de Nederlandse kampioenschappen in Rotterdam was hij ook aanwezig. “Ik voel me goed in dat wereldje”, zou hij later tegen me zeggen.

Reino is een man die tijdens een bokswedstrijd achterin de zaal hangt, die een beetje circuleert, en daarna precies kan vertellen wie er was, en wat de boksers in de ring goed en fout deden. Er hangt een rusteloosheid om hem heen, een scherpe alertheid die snel van focus wisselt. Een bokserskwaliteit.
Is hij in gesprek, dan kan hij even een blik op de ring werpen en zeggen: die wint, die niet. Dat komt meestal uit. Reino heeft zo’n tweehonderd wedstrijden gedaan, dan krijg je er wel kijk op. Met boksen begon hij op zijn vijftiende jaar, altijd bij Olympia Leeuwarden en altijd met zijn helaas overleden trainer Tabe Kooistra. In 1992 werd Reino prof, dat duurde tot 1995.

Waar blijft een bokser na het boksen?
Wat is er overgebleven van de tijd van toen?

In ieder geval een helehoop bekers en beeldjes en diploma’s en foto’s. Een groot deel ervan is pas naar Olympia gegaan, waar Eddy ten Cate er iets moois mee gaat doen voor de nieuwe generatie zonder historisch besef. Er zijn filmopnames, waarvan een deel op YouTube staat, dan zie je waarom ze hem een ‘knokker’ noemden. Zelf zegt hij: “een vechtjas met verstand”.

Bundesliga, 1987-1989.  Weet iemand anders nog wie de tegenstander is?

Er zijn twee dozen met foto’s en plakboeken. Er zijn herinneringen weg en er zijn herinneringen over. En er zijn verhalen: “Twee dagen te voren belden ze me op of ik meewilde naar een toernooi in Indonesië. Ik zeg ja, en ik won nog ook.” Er is de opgedane bokservaring. Maar trainer worden, daar ziet Reino momenteel niet zo veel in. Na al die jaren van boksdiscipline past hij niet meer zo goed in een structuur van toezeggingen en verplichtingen: “Dan gaan ze op je rekenen”, dus dan moet het, en dat moeten wil hij voorkomen.

Reino is een rivier zonder oevers: de mentale kracht waarmee hij zich voor het boksen kon inzetten is er nog. Dat veroorzaakt de rusteloosheid. Want die kracht wil vrij kunnen stromen. In het dagelijks leven is dat lastig. Daarbij komt, dat iets half doen hem slecht lukt. Gaat hij fietsen? Meteen zware bergtochten in Frankrijk: La Marmotte, in 2003 en 2005. Waarna hij er genoeg van heeft want het werd weer bijna een verplichting. Momenteel traint hij in Purmerend bij Michel van Halderen, een uurtje rijden vanuit zijn woonplaats Hoofddorp. Ook hier is het: totale inzet. Voordat de rest met de training begint is hij al een uur bezig. Het zit in hem.

Thuis heeft hij nog veel foto’s. Van zijn gezin natuurlijk, en ook van het boksen. Vaak staat Tabe daarop. Tabe juichend bij de ring, armen omhoog. Tabe die achter hem zit, Tabe die naast hem staat. Een twee-eenheid. Bij het bekijken van de foto’s vertelt Reino over vroeger.

2010 vlnr: Michel van Halderen, Reino van der Hoek, Eddy ten Cate. Op de rug gezien: Jaap Postma (Olympia Leeuwarden)

Over eten. Dat hij altijd moeite had om gewicht te maken voor zijn welterklasse. Andere mensen verliezen ’s nachts een kilo aan gewicht, nou, hij niet, hij kon wel twee kilo aankomen. Die ellende van  voortdurend moeten aftrainen. Ik zie foto’s van een touwtjespringende Reino in een dik pak kleren. Over zijn hoge tempo in de ring. Intervaltraining, licht Reino toe, zo trainde ik, dan kon ik in de derde ronde het tempo nog omhoog gooien. Een wedstrijdritme? Kijk, hier is de lijst tot 1986. En ik zie in de gauwigheid maanden met daarin heel wat wedstrijden. Jammer dat hij zijn wedstrijdboekjes niet kan vinden, die vormen een halve biografie. Sportman van het jaar in Friesland geweest. Over jonge boksers trainen. “Als ze zeiden ‘ik ben moe’ dan sloeg ik ze met een stofzuigerslang. Dan waren ze opeens niet moe meer.” Hij lacht er wel bij, maar hij zou het zo weer doen, vermoed ik. Honderd procent focus en honderdvijftig procent inzet wil hij zien. “Anders word ik kwaad.” De harde aanpak. Over zijn broer, Ivo van der Hoek, die zo’n twintig wedstijden bokste.

Reino kijkt terug met veel tevredenheid: “ik heb er alles uitgehaald”. En hij maakt de laatste weken letterlijk ruimte voor iets nieuws. Vrijwel alle bekers zijn al naar het noorden.

Een deel van Reino's collectie

Ik krijg oude nummers van De Ring en De Gong, interessante brieven van de Bond en andere boksarchivalia. Een tas vol.

Maar over dat nieuwe blijft hij vaag, hoe ik ook aandring. Dus, jonge wedstrijdboksers in Purmerend en Leeuwarden, of in de omgeving daarvan, attentie. Las voor de zekerheid extra hardlooptrainingen in, liefst met intervallen. Je weet maar nooit.

Boksposter

Noordelijke kampioenschappen 1977

Uitsnede van de poster

Van Martin Boersma uit Leeuwarden, webmaster van de Lolle van Houten Memorial website, kreeg ik deze poster. Ik heb er een stukje uitgesneden- ja, alleen digitaal.

Op boksposters raak je niet snel uitgekeken. Je weet meteen wie er bij welk vereniging zat (wat verrasssend kan zijn) en  hoe het krachtenveld was. En als de fotograaf goed is, en dat is in dit geval zo, zie je ook wie er in conditie is.

Tot dusver  is dit de enige boksposter die ik zag met Lolle van Houten erop.  Linksboven, in de hoek. Er moeten er meer zijn, zeker voor de Noordelijke kampioenschappen waar hij in totaal  meer dan tien titels  heeft behaald.

Anno 1977 staat er hij goed voor. Twee nationale titels op zak,  veel regionale titels, hij heeft ervaring, conditie en karakter. Maar het loopt anders. In de ring ontmoet hij Derk Frigge van Carpentier (Assen).  Het gaat er hard aan toe, beide boksers lopen waarschuwingen op.  Lolle verliest met 3-0.  Hij kan dat jaar dus  niet naar de nationale kampioenschappen. De krant schreef: “Het was alles weinig verheffend.”

Het moet een grote teleurstelling zijn geweest.  In februari 1977 is Lolle van Houten 32 jaar en hij weet dat hij van de Bond nog drie jaar mag boksen. En wat dan?  Hij staat aan de vooravond van een verandering in zijn leven, een die groter zal zijn dan hij op dat moment kan bedenken.

Carpentier was een sterke vereniging, die lang dominant aanwezig was in de Noordelijke bokswereld.  In 1990 stopte de club. Waar zouden de archieven zijn, zijn er nog mensen die er meer van weten?

Wordt vervolgd.

Boksschool I Believe

Voor me op tafel ligt een zilveren bokshandschoen. Een kleintje, hoor. Maar ‘t is een zware sleutelhanger die ik van Ronald Hiwat kreeg. Hij is de man achter boksschool I Believe in het Rotterdamse IJsselsteijn.

I Believe

Bij de voordeur

Eer ik de school gevonden had, duurde het even. Een smal straatje, een bescheiden deur. En gelukkig een mooi bord. Twee  eigenlijk. In ieder geval was er geen twijfel meer of ik op de goede plek was aangekomen.

Het leek me een kleine school.  Best een smalle deur. Wat kon daar nou achter wezen? Daar kwam ik die middag achter, toen Ronald me in zijn school liet rondkijken. Foto’s maken vond hij geen bezwaar.

Ronald is een grote man (ex-zwaargewicht) met een even groot hart. Daar passen veel mensen in. Zijn gezin allereerst, en dan de mensen van de boksschool. Vooral de jeugd. Die heeft het niet gemakkelijk. Overal moeten presteren en dan, nou ja, dan nemen ze soms verkeerd spul. Om te ontspannen of te vergeten. Maar van dergelijk spul gaan de problemen nooit weg. Als je traint, ben je gewoon beter tegen het leven opgewassen.

de ring

De ring

Daar helpt Ronald dan bij als trainer en een beetje als grote broer die afwisselend een arm om iemand schouder legt of een schop uitdeelt.

Er  zijn ook andere trainers, vrijwilligers die achter de bar helpen, maar Ronald is het hart van de boksschool. Het is me een raadsel hoe hij het allemaal voor elkaar krijgt, want hij werkt voor zichzelf en dan is hij ook nog eens echtgenoot en vader.

 

Deel oude boksposter

En wat ik erg mooi vond: hij weet op wiens schouders hij staat. We hebben die middag helemaal niet veel over het boksverleden gesproken, maar het is overal aanwezig in de boksschool. De muren zijn bedekt met prachtige oude boksposters  waarop ik veel bekende  namen tegenkwam. Elders lagen geplastificeerde krantenatikelen over beroemde Rotterdamse boksers.  Ik had de neiging om alles over te schrijven, maar daar was geen tijd voor. Zoveel boksverleden om me heen. Al die namen, bekend en onbekend, maakte veel indruk op me. Zo zie je meteen dat Nederlands een boksland is, en Rotterdam natuurlijk een boksstad.

Toen ik wegging, gaf Ronald me een cadeautje.  De zilveren bokshandschoen dus. Het is een bijzonder souvenir aan een bijzondere boksschool.  Grote broer, boksen, wedstijden en dat alles in de Rotterdamse sfeer.