Cor Hillenga

Cor Hillenga (school Abelsma), januari 1965

Hij oogt zoals boksers ogen: goed getraind, alerte oogopslag. Cor Hillenga. Een Groninger, verbonden aan de beroemde School Abelsma. Hillenga was in 1958 Nederlands kampioen zwaarweltergewicht. Deze foto is genomen in januari 1965. Je zou het niet zeggen.

In februari 1958 waren de kampioenschappen in de Haagse Dierentuin. Daar hadden ze een prachtige zaal die er goed geschikt voor was. Ruim, sfeervol, genoeg plaats voor publiek. Vergelijk het met Krasnapolsky in Amsterdam, waar ook veel gebokst is.

Wie er nog meer waren? Ik diep dit op uit een  krantenknipsel zonder naam. Henk Zwaan (vlieggewicht) en Jan de Rooy (vedergewicht) zonder te boksen: de tegenstanders bleken bij weging te zwaar, dus was er een soort prestatiepartij. Dan haalden een titel:  Theo Wilbrink uit Groningen (bantam), Bob Bouhuizen uit Hoek van Holland (middengewicht), Wim Gerlach uit Groningen (middengewicht), Herman Schregardus uit Amsterdam (lichtwelter), Harry Matteusen uit Eindhoven (welter), Eddy Kiks uit Amsterdam (halfzwaar) en Leon Gerards uit Maastricht (zwaargewicht).

Namen uit onze boksgeschiedenis. Waar zijn ze nu? Dat vraag ik me vooral af over Cor Hillenga.

In 1965 stond hij twee keer tegenover Lolle van Houten, de Leeuwarder bokser over wie ik een boek schrijf. Beide keren won hij, “met één punt verschil” zoals Lolle graag benadrukte. Het moeten indrukwekkende partijen zijn geweest. Cor Hillenga, de man met de titels en de wedstrijdervaring. Lolle van Houten, de coming man, die nergens van onder de indruk raakte en van zichzelf wist hoe snel en sterk hij was. Ondanks het verlies werd hij beloond met een promotie naar de A-klasse. Drie maanden later won Lolle zijn eerste landelijke titel. Met de groeten aan Cor.

Daarom alleen al zou ik Hillenga willen spreken. Naamgenoten kennen hem niet, internetonderzoek leverde weinig op. Elke Hillenga uit Groningen opbellen leek me teveel op stalken, en wie weet woont hij nu wel in Zeeland.
Cor Hillenga, waar ben je?

Piet Holtkamp

Piet Holtkamp in zijn boksjaren

Hij was zeven keer kampioen Zuid-Holland en drie keer won hij de Nederlandse titel in de zwaargewicht klasse: in 1974, 1975 en in 1976. Piet Holtkamp (1948) kijkt tevreden terug op zijn bokscarrière. Hard getraind, fijn gebokst, nooit knock out gegaan en er goed uitgekomen.

Fijne verhalen zijn dat. Vooral als zo’n oudere bokser met die typische charme eens goed uit de doeken doet hoe het vroeger was. Oud-hockeymannen zijn toch héél anders. Doe mij maar een middag bij een oud-bokser.

Ik was bij Piet om over Lolle van Houten (1944-2008) te praten, de bokser uit Leeuwarden over wie ik een biografie schrijf. Piet en Lolle maakten deel uit van het groepje zwaargewichten dat in de jaren ’60 en ’70 vooraan stond op het nationaal toneel. Rudi Lubbers, Hennie Thoonen, Ben Tiben, zaten daar ook bij. Een volledige namenlijst heb ik helaas niet. Allemaal boksers die elkaar regelmatig tegenkwamen in de ring.

Tweede van links: Lolle van Houten. Uiterst rechts Piet Holtkamp met staand naast hem (met snor) Ben Tiben. Jaren '70.

En daarvan, zei Piet, heeft hij nog wat filmpjes. Destijds gefilmd op een 8 mm toestel en later overgezet op dvd. Hij laat ze zien op zijn computer en vertelt erbij. Dat hij 1,94 cm was. In zijn plakboek lees ik een krantenartikel dat het over “de reus uit het Westland” heeft. Op zijn zestiende gaan trainen bij Lou van Sinderen, die met zijn school B.V. Westland furore wilde maken. Wedstrijden gaan doen. Over zijn broer Wim, die ook bokste, maar nu in Zuid-Afrika woont. Dat hij een rechtsvoorstaande bokser was, counterde met links.

Helaas geen geluid. Piet Holtkamp tegen Ben Tiben. Finale zwaargewichten 1975, Nederlandse kampioenschappen in de Bilgaard-sporthal te Leeuwarden. Holtkamp (rood shirt) wint.

Alleen hoe hij stopte was minder minder mooi. Dat zat zo, vertelt hij. In 1976 wilde hij naar de Olympische Spelen in Montreal. Zijn staat van dienst was ernaar, en hij had zich het “leplazarus” getraind, zegt hij nog steeds verontwaardigd. Toen kwam een bericht van de Nederlandse Boksbond dat er “geen animo” was, en dat er dus geen boksers zouden worden uitgezonden. Hoe dat zat, bleek later; het NOC en de Bond hadden ruzie. Toen was het klaar voor Piet. Hij had veel gewonnen, was blij met zijn werk als kraanmachinist en zijn gezin met de drie kinderen, en het leven ging ook zonder de sport verder. Hij heeft nog jarenlang ergens portier gestaan: “Er gebeurde nooit wat.” Dat verbaast mij niks als ik naar zijn armen kijk.

Zijn mooiste wedstrijd? Tegen Hennie Thoonen, in 1972. Kijk, Hennie was moeilijk te kloppen. Want die had een rechtse hoek, levensgevaarlijk. Als je die kreeg, dan was het boem, knock out, wedstrijd verloren. Dus daar had hij zich op voorbereid. Eindeloos hardlopen voor de conditie, want in de ring wilde hij voortdurend bewegen, niet te raken zijn. Dan de combinatie, duizenden keren: leverstoot rechts, dan linkerhoek en hup, meteen een rechtse directe eroverheen. Met kracht en snelheid. Effectief is zoiets, hoor.

The man on wheels (foto: De Westlander)

En het lukte. Wat daarvoor alleen Lubbers en Van Houten voor elkaar hadden gekregen, daarin slaagde Piet Holtkamp ook. Winnen van Hennie Thoonen.  Niemand had het verwacht. Zoiets blijft je bij, zegt Piet vrolijk.

Zo heeft hij meer verhalen. Daartussen zit het andere verhaal, over de lage dwarslesie die hij zo’n twaalf jaar geleden opliep. Het was een lange weg van revalideren, en de rolstoel waar hij in zit, die blijft. Maar ook hier laat de bokser in hem zich gelden. “Ik dacht, het is nu Helpers Weg, nieuwe ronde.” Vechtlust. Terug willen komen. Is gelukt. Hij heeft weer armen als een bootwerker. Piet sport veel, rijdt auto, werkt nog altijd in de kraanwereld, zij het niet meer als kraanmachinist, maar nu als kantoorman. Hij praat graag over het boksen. Leuke verhalen, goed verteld, met een scheut Rotterdamse humor.

Over die demopartij tegen Rudi Lubbers in Leidse Minerva Societeit, en dat Lubbers pas terug was uit Amerika van zijn partij tegen Mohammed Ali. Piet wilde natuurlijk wat laten zien en dat ging heel goed, Lubbers liet zich evenmin kennen dus een “demonstratie”, tja. De volgende dag kopte de krant: “Publiek begreep er niets van.”

Dat hij een keer sparde  tegen Bep van Klaveren, ondanks het aanzienlijke verschil in gewichtsklasse. “Bep spuugde op mijn arm en toen ik daarnaar keek, haalde hij uit.  ‘Mij blijven aankijken’  zei Bep en die les was geleerd. “Bep had wel meer van die trucjes”, zegt Piet.

Over Lolle van Houten hebben we het ook nog een tijdje. Lolle zelf was niet zo’n prater, weet Piet. Je trainde soms samen, je maakte eens een praatje bij de wedstrijden, en dan ging je weg. Hij geeft een kopie van zijn plakboek op dvd aan me mee. Is een keer door iemand ingescand.

Mooie foto’s zijn het allemaal. En die filmpjes, geweldig. Er moet destijds nog veel meer gefilmd zijn, maar waar is dat toch allemaal gebleven?

P.M.C. Toepoel

advertentie in Het Vaderland, 1934

In een oude Haagse krant vond ik een uitgebreid bericht over de boksschool van Pieter Toepoel. Hij was voorzover ik nu weet, een van de eersten in Nederland. In 1897 had Henri Placké bij de Amsterdamse Prinsengracht een school, in 1910 richtte Nelis Bisschop in dezelfde stad de school J.J. Corbett op en het jaar daarna,op 3 maart 1911, opende Toepoel de deuren in Den Haag. Hij heeft dan enkele nationale titels op zijn naam maar gaat verder als trainer. In de jaren die volgen, zal Toepoel onvermoeibaar demonstratiewedstrijden organiseren en daar ook aan deelnemen. In de kranten schrijft hij artikelen over de sport en hij publiceerde boeken. Wie Toepoel zei, zei boksen.

Een foto van hem heb ik helaas niet. Wel enkele foto’s, die uit een oude brochure komen. Daarop zien we apparaten en toestellen, die modern waren voor die tijd, en die tijd, dat is de periode voor de Eerste Wereldoorlog.

Het Vaderland, 24 februari 1931

Naar aanleiding van een vierde lustrum
Een gezonde school met een typisch Haagsch cachet

Heijermans heeft in een van zijn Falklandjes gezegd, dat een muzikant hem aan luchtjes van roode kool en boenwas, enfin aan klein-burgerlijke binnenhuisluchtjes deed denken. Maar als je zoo ‘s onder je kennissen vraagt: “zeg…. e….als jelui het woord boksleeraar ziet staan, waar denk je dan aan,” dan komen daar geurtjes bij te pas uit volkskroegjes.

Zoo is het publiek nu eenmaal. Omdat het w e l e e n s zoo is, neemt het aan dat het a l t i j d zoo is.

Bij het woord professor denkt het publiek altijd aan ‘n razend knappe kerel, en bij het woord tooneelspeler denkt het aan iemand die met een rekening in de eene hand zich met de andere wanhopig achter ‘t oor krabt, terwijl er toch even goed acteurs zijn die een benijdenswaardig banksaldo hebben loopen. Door dat gegeneraliseer vergist het publiek zich telkenmale en ik zal nu eens laten zien hoc het zich ten aanzien van den boksleeraar vergist.

Daar heb je bijvoorbeeld mijn ouwe brave vriend P. M. C. Toepoel. Dat is een doodgewone boksleeraar, een man die je leert ‘n mep te ontwijken en een mep uit te deelen. Wanneer je nu dat kunstje wilt leeren, en je naar dien man toe gaat, dan verwacht je een biefstuk op beenen te zien met ‘n kop als ‘n grimmige puckhond waar ‘n helsche lust op afgegraveerd staat om je ‘n knock out te verkoopen. En als zijn mond open gaat verwacht je het geluid van ‘n vollen treffer.

Trainen op blote voeten. Mooie oude foto's aan de muur.

Je gaat naar de Johannes Camphuysstraat, zoekt naar nummer 199, je ziet dat je terecht bent, want er zit ‘n plaatje “Toepoels modelschool” aan de deur, je drukt op het knopje van de electrische schel…. en ne…. daar staat voor je een heelemaal niet robuste en heelemaat niet groote man, met den schedel van een geleerde, met goedige, gevoelige oogen die besloten liggen tusschen twee scherphoekige geestige lijnen en die je welkom heet met een zachte beschaafde stem, ieder woord zorgvuldig articuleerend.

Er staat voor je een geboren gentleman, een man van beschaving en ontwikkeling, een man met een brave inborst, gevoelig als een kind.

Hoe is die man, die capaciteiten te over heeft om zich eene maatschappelijke positie te verwerven, welke zich verre verheft boven die van boksleeraar, tot het kiezen van dit overigens zeer eerzame beroep gekomen? Ik ken Toepoel langer dan dertig jaar, ik ken hem goed, en ik kan het u dus zeggen. Toepoel is van huis uit een peinzer en een strijder, hij peinsde over de wereldinrichting en over sociaal-economische problemen, en zijn strijdersnatuur bracht mede, dat hij het niet bij gefilosofeer en papieren beschouwinggen liet. Hij wilde – als jonge gevoelige kerel hartstochtelijk bewogen – daadwerkelijk medestrijden. Hij — de idealist — trad uit den werkkring, welke hem welstand en luxe verschafte en hij liet zich verstrikken in het avontuur van Frederik van Eeden: de kolonie Walden.

Ik weet niet meer wie het was, maar er heeft er een gezongen:
Wie in zijn jeugd geen dwaasheid deed,
Wordt nimmer recht verstandig.

De dwaasheid van zijn jeugdjaren heeft Toepoel ingezien, maar zooveel idealist is hij toch gebleven, dat hij als leeraar in physical culture liever werkzaam is in het directe persoonlijke belang van menschen, die naar gezondheid en behoud van gezondheid streven, dan terug te keeren naar zijn werkzaamheid van voorheen.

In 1881 is hij geboren. Hij liep de H.B.S. af en de Handelsschool en vond eene positie in het Bankwezen. En op een groot Amsterdamsch Effectenkantoor werd hij procuratiehouder en aanstaand deelgenoot. Een zijden bed stond voor hem klaar. Hij kon er zich zoo maar in laten glijden. Doch wat spreken welstand en weelde tot een jong gevoelig idealistisch gemoed, tot een artistieke-mediteerende natuur, tot iemand die fel is in zijn sympathieën en nog feller in zijn antipathieën, tot een dichterlijken droomer, die bij het opengaan van het eerste madeliefje van ontroering heeft. Wat zeggen deze dingen tot een jongeman, die bij het hoopvol zoeken en tasten naar Confucius, Nietzsche en Hegel grijpt, die Annie Besant door werkt en Tolsto,. die een artistieke bevrediging zoekt bij Kloos, ja: bij den Kloos van meer dan dertig jaar geleden vooral, bij Gorter, van Eeden, van Looy. Die te midden van de Gooische schilders verkeert en bij de schilderkunst troost zoekt in de ateliers vooral van Van Bever en Herman Gouwe.

Hij was een geestelijk zwerver, een zoeker.

Maar toen reeds was het bij hem: werken aan den geest, maar ook werken aan het lichaam.

Hij bokste bij Placké. Trainde voor en na kantoortijd en werd in 1902 kampioen van Nederland in het lichtmidden gewicht en in 1903 in het middengewicht. En toen was het dat de idealist het idealisme in de praktijk op ontgoochelende wijze leerde kennen: Walden.

En na de mislukking van Walden toog hij naar Engeland en nam hij daar les in boksen en in lichamelijke ontwikkeling bij Frank Graig, prof. Newton, Madden, Mainquet, Berger, Willie Lewis, Régnier, Joe Jeanette e.a.

Toepoels boksschool: vooraan een roeimachine

Maar meteen las hij de groote Engelsche dichters en de groote Engelsche schrijvers en denkers, ontwikkelde hij zijn journalistieken aanleg door voor tal van Nederlandsche bladen en periodieken wijsgeerig getinte artikelen te schrijven en legde hij de hand aan eenige boeken en boekjes o.m. Het Boksen (Nijgh en Van Ditmar), Hoe versterk ik mijn lichaam, Het origineele Jujitsu, en Knotszwaaien en batstooten (alle bij J. F. v. d. Ven te Baarn). En toen, 3 Maart 1911 (dus 3 Maart sus. is de dag van zijn 20-jarig jubileum) opende hij te ‘s Gravenhage “Toepoels modelschool”, de inrichting die een typisch Haagsch cachet zou krijgen. Ik heb iets van den persoon verteld omdat de aard van dezen persoon samenhangt met den aard van zijn clientèle.

Denk niet aan bokswedstrijden. Hier hebt ge met sanitairboxing en met lichaamsontwikkeling louter terwille van de gezondheid te doen.

En gij weet niet hoevelen en wie het boksen beoefenen, want ge hebt er nooit van in de courant gelezen.

Het boksen is niet dood. Het leeft. Het leeft zooals het schaken, waarvan de leefkracht niet tot uiting komt in de enkele openbare wedstrijden, doch dat leeft: binnenshuis, achter de gesloten deur. Als man van beschaving, als man van meer dan alledaagsche ontwikkeling, als man van “wetenschap”, past hem den omgang met menschen van beschaving, met menschen van ontwikkeling en van geestlgke en maatschappelijke standing. En door zijn zaal hebben dan ook de stemmen geklonken — en klinken zij nog — van vooraanstaanden in de wereld op velerlei gebied. En zij hebben geklonken in tal van talen.

Ik heb hier voor mij liggen Engelsche brieven uit Belgrado, uit Beiroet, uit Rotterdam en Amerika van leden van het corps diplomatique waarin aan Toepoel wordt geschreven hoezeer zijn lessen den briefschrijvers zijn te stade gekomen, drieven die niet stijf officieel, doch vriendschappelijk zijn gesteld. Ik heb hier voor mij liggen brieven van jonge en oudere Nederlanders uit Australië, Ned.-lndië en Zuid-Amerika, die getuigen dat zij hun corpus, dank zij o.m. het werken bij Toepoel, met opgewektheid door het moeilijke leven heen dragen.

En bokste bij hem niet de zoon van Graham, den Engelschen gezant; de zoon van Rev. Bevan, den Engelschen dominee? Bokst bij hem op het oogenblik nog niet een bekend Nederlandsch predikant? Bokste er niet de zoon van den 1en secretaris van het Amerikaansche gezantschap, Norweb? bokste er ook niet de 1e secretaris Norman Armour zelf en – de consul Groth? Was niet een van zijn leerlingen de Roemeensche prins Alex Cantucuzëne en de Fransche baron d’Honincthun? Ik kon doorgaan.

Van de ministers Colijn en Idenburg werden de zoons leerling, zoo goed als dit werden de oudminister Kan, jhr. mr. C. Feith en zoovele anderen. Doktoren, ingenieurs, advocaten, ambtenaren, luitenants en kapiteins, figuren uit de wereld van ‘handel en industrie, alle faculteiten, tot astronomen toe, hebben zijn leerlingen opgeleverd. Daisy Walker (Lilly Green) en andere danseressen hebben zijn school doorloopen en van de sportlui waren het o.m. mr. Diemer Kool, jhr. Bosch van Drakestein, mr. Loke, Boutmy, Luyke Roskot, Peny Maier, Van Romondt, majoor Kool.

En was het niet Louis Couperus die zich tot Toepoel wendde en die door Toepoel werd afgebracht van het zwaar halteren (hoevelen weten dat de groote letterkundige dezen vorm van athletiek beoefende?) en overging tot lichter werk. Een van de kostelijke litteraire opstellen die Louis Couperus in Het Vaderland heeft geschreven, is dat niet ontstaan in de zaal van Toepoel, waar hij Toepoels herdershond Brinio heeft leeren kennen?

Toepoel is leeraar geworden aan de Academie voor lichamelijke Opvoeding te Amsterdam voor opleiding tot leeraar M.O. Lichaamsoefeningen, welk instituut is ingesteld door de Ned. Ver. tot Inrichting van een Wetenschappelijk Centrum voor Lichamelijke Opvoeding, en, wat typeerend is, onder zijn zaalleerlingen telt hij verscheidene zoontjes van medici.

Ook vele meisjes en vrouwen volgen zijn lessen, zijne methodelooze methode. Vroeger vroegen de dames les onder hel motto: zelfverdediging. Er was toen zelfs een lang niet sidderaalachtige dame, die begeerde eenige kilo’s zwaarder te worden.

Daarna volgde een periode dat de dames in Toepoels zaal kwamen werken om magerder te worden. De periode is gevolgd door een, waarin “lenigheid” de drijfveer was.

En thans is het weer de zelfverdediging welke haar de zaal doet bezoeken.
Zoo even had ik het over den herdershond Brinio, waarover Couperus schreef, zooals hij ook zoowel in Het Vaderland als in de Haagsche Post heeft geschreven, over het boksen en de school van Toepoel.

Toepoel met zijn warm, menschlievend hart heeft een nog veel gevoeliger hart voor dieren. Het leed aan een dier veroorzaakt, voelt hij nog heviger dan dat het hem zelf ware toegebracht. En daar, ja, op het gebied der dierenbescherming, daar ligt toch wel het eigenlijke levenswerk van Toepoel. Wat heeft hij er voor gestreden, voor opgeofferd. Tal van bladen hebben zijn strijdartikelen ter bescherming van het dier onder bnvat opgenomen, doch het zijn vooral zijn artikelen in Het Vaderland geweest, welke den stoot hebben gegeven tot de totstandkoming (in 1927) van de Vereeniging voor Wettelijke Dierenbescherming.

Zonder onderscheid van politieke kleur maakt deze vereeniging bij verkiezingen voor Tweede Kamer en Gemeenteraad propaganda voor candidaten. die zich als dierenvrienden hebhen doen kennen. In de verkiezingen van 1929 kwamen 30 (dertig) van de “Wettelijke” in de Tweede Kamer. En nu hoopt men binnenkort een dierenbeschermende Kamerfractie te vormen, zoowel in de Eerste als in de Tweede Kamer, over alle politieke geschillen heen. Want, zegt Toepoel, het beschermen der dieren toch is een werk van ethiek en beschaving. dat buiten alle partijverschil kan blijven.

En als dat nu bereikt wordt, dat er zulk een fractie komt, die heilzaam werkt, waardoor dus het dier veel leed bespaard word’, dan kan Toepoel aan het eind zijner strijdvolle dagen gekomen, zijn hoofd rustig neerleggen en zeggen: “Goddank! ik heb toch niet voor niets geleefd!”

Joris van den Bergh

Reino van der Hoek

“Daar staat hij”, wees Eddy ten Cate (Olympia Leeuwarden). “Een van de grootste boksers uit Friesland.” Ik keek en zag hem staan. Reino van der Hoek. Gewoon, tussen de anderen, kijkend naar de ring, net als de anderen. Maar wel met een bokscarrière die hem aanzienlijk minder gewoon maakt.

Hij was twee keer junior kampioen lichtwelter 1979, 1980 of 1981; B klasse kampioen lichtwelter 1982, A-klasse kampioen lichtwelter in 1984, 1985, 1986, 1987. En een keer A-klasse kampioen welter in 1988. Maar ook: drie keer verliezend finalist in 1982 tegen Saro (lichtwelter), in 1989 tegen Ronald Vos (welter) en in 1990/91 tegen Delibas in het zwaarwelter.

Acht keer kampioen van Nederland, present op het Europees kampioenschap van 1985 en 1987 (brons) en naar het wereldkampioenschap in 1986. Het jaar daarop gewonnen van een Cubaanse wereldkampioen, Garcia. In datzelfde jaar stond hij op de achtste plaats van de wereldranglijst. Veel internationale wedstrijden gedaan. Prof geweest. Al met al indrukwekkend. Zo hebben we er niet veel in Nederland.

Later keek ik weer naar Reino van der Hoek. Eigenlijk was het staren, om te kijken hoe hij deed. Bij de Nederlandse kampioenschappen in Rotterdam was hij ook aanwezig. “Ik voel me goed in dat wereldje”, zou hij later tegen me zeggen.

Reino is een man die tijdens een bokswedstrijd achterin de zaal hangt, die een beetje circuleert, en daarna precies kan vertellen wie er was, en wat de boksers in de ring goed en fout deden. Er hangt een rusteloosheid om hem heen, een scherpe alertheid die snel van focus wisselt. Een bokserskwaliteit.
Is hij in gesprek, dan kan hij even een blik op de ring werpen en zeggen: die wint, die niet. Dat komt meestal uit. Reino heeft zo’n tweehonderd wedstrijden gedaan, dan krijg je er wel kijk op. Met boksen begon hij op zijn vijftiende jaar, altijd bij Olympia Leeuwarden en altijd met zijn helaas overleden trainer Tabe Kooistra. In 1992 werd Reino prof, dat duurde tot 1995.

Waar blijft een bokser na het boksen?
Wat is er overgebleven van de tijd van toen?

In ieder geval een helehoop bekers en beeldjes en diploma’s en foto’s. Een groot deel ervan is pas naar Olympia gegaan, waar Eddy ten Cate er iets moois mee gaat doen voor de nieuwe generatie zonder historisch besef. Er zijn filmopnames, waarvan een deel op YouTube staat, dan zie je waarom ze hem een ‘knokker’ noemden. Zelf zegt hij: “een vechtjas met verstand”.

Bundesliga, 1987-1989.  Weet iemand anders nog wie de tegenstander is?

Er zijn twee dozen met foto’s en plakboeken. Er zijn herinneringen weg en er zijn herinneringen over. En er zijn verhalen: “Twee dagen te voren belden ze me op of ik meewilde naar een toernooi in Indonesië. Ik zeg ja, en ik won nog ook.” Er is de opgedane bokservaring. Maar trainer worden, daar ziet Reino momenteel niet zo veel in. Na al die jaren van boksdiscipline past hij niet meer zo goed in een structuur van toezeggingen en verplichtingen: “Dan gaan ze op je rekenen”, dus dan moet het, en dat moeten wil hij voorkomen.

Reino is een rivier zonder oevers: de mentale kracht waarmee hij zich voor het boksen kon inzetten is er nog. Dat veroorzaakt de rusteloosheid. Want die kracht wil vrij kunnen stromen. In het dagelijks leven is dat lastig. Daarbij komt, dat iets half doen hem slecht lukt. Gaat hij fietsen? Meteen zware bergtochten in Frankrijk: La Marmotte, in 2003 en 2005. Waarna hij er genoeg van heeft want het werd weer bijna een verplichting. Momenteel traint hij in Purmerend bij Michel van Halderen, een uurtje rijden vanuit zijn woonplaats Hoofddorp. Ook hier is het: totale inzet. Voordat de rest met de training begint is hij al een uur bezig. Het zit in hem.

Thuis heeft hij nog veel foto’s. Van zijn gezin natuurlijk, en ook van het boksen. Vaak staat Tabe daarop. Tabe juichend bij de ring, armen omhoog. Tabe die achter hem zit, Tabe die naast hem staat. Een twee-eenheid. Bij het bekijken van de foto’s vertelt Reino over vroeger.

2010 vlnr: Michel van Halderen, Reino van der Hoek, Eddy ten Cate. Op de rug gezien: Jaap Postma (Olympia Leeuwarden)

Over eten. Dat hij altijd moeite had om gewicht te maken voor zijn welterklasse. Andere mensen verliezen ’s nachts een kilo aan gewicht, nou, hij niet, hij kon wel twee kilo aankomen. Die ellende van  voortdurend moeten aftrainen. Ik zie foto’s van een touwtjespringende Reino in een dik pak kleren. Over zijn hoge tempo in de ring. Intervaltraining, licht Reino toe, zo trainde ik, dan kon ik in de derde ronde het tempo nog omhoog gooien. Een wedstrijdritme? Kijk, hier is de lijst tot 1986. En ik zie in de gauwigheid maanden met daarin heel wat wedstrijden. Jammer dat hij zijn wedstrijdboekjes niet kan vinden, die vormen een halve biografie. Sportman van het jaar in Friesland geweest. Over jonge boksers trainen. “Als ze zeiden ‘ik ben moe’ dan sloeg ik ze met een stofzuigerslang. Dan waren ze opeens niet moe meer.” Hij lacht er wel bij, maar hij zou het zo weer doen, vermoed ik. Honderd procent focus en honderdvijftig procent inzet wil hij zien. “Anders word ik kwaad.” De harde aanpak. Over zijn broer, Ivo van der Hoek, die zo’n twintig wedstijden bokste.

Reino kijkt terug met veel tevredenheid: “ik heb er alles uitgehaald”. En hij maakt de laatste weken letterlijk ruimte voor iets nieuws. Vrijwel alle bekers zijn al naar het noorden.

Een deel van Reino's collectie

Ik krijg oude nummers van De Ring en De Gong, interessante brieven van de Bond en andere boksarchivalia. Een tas vol.

Maar over dat nieuwe blijft hij vaag, hoe ik ook aandring. Dus, jonge wedstrijdboksers in Purmerend en Leeuwarden, of in de omgeving daarvan, attentie. Las voor de zekerheid extra hardlooptrainingen in, liefst met intervallen. Je weet maar nooit.