Kijken naar Badr Hari

Deze column verscheen eerder in 2012 op HaagseTopsport.nl

Nog één wedstrijd, dan is hij weg. Kickbokser Badr Hari verlaat Nederland, op zoek naar gouden bergen in Amerika. Profbokser, zwaargewicht, geld en roem. Zaterdag was er een openbare training in Leeuwarden. Stampvol. Iedereen ging kijken naar die ene man.

Voor mij was Leeuwarden te ver weg die zaterdag. Net als half Nederland zat ik thuis te hoesten en te niezen. Maar de uitgebreide fotoverslagen, vooral de serie van topfotograaf Ben Pontier, die lieten weinig te raden over. Een ring, daaromheen een op elkaar gepropte massa. Een rij van fotografen, ieder met een toeter van een telelens. En dan het gezicht van Badr Hari, steeds meer geschrokken, steeds duidelijker opgejaagd wild.

In het AD had hij gezegd dat hij “op de grens van waanzin” hing. Ik geloof het. In en buiten de ring. Maar ik denk ook, wiens schuld is dat? Wat is er met die man aan het gebeuren? Eind deze maand vecht hij zijn afscheidswedstrijd als kickbokser. Daarna is hij vertrokken, enkeltje Amerika.

De druk op Badr Hari is nu al ontzettend groot. Een paar keer heeft hij zijn zelfbeheersing verloren in de ring en elke wedstrijd betaalt hij daarvoor de prijs. Een publiek dat hoopt dat het wéér gebeurt zodat ze daarna boe en bah kunnen roepen. Maar ze willen het zien, liefst vanaf de eerste rij. Op die openbare training dringen ze naar de ring. Dichterbij, dichterbij, nog dichterbij. Benauwend. Een massa die bloed ruikt, dat beklemt.

Hoho, er is een andere kant. Natuurlijk moet een topsporter kunnen omgaan met druk. Juist in de vechtsport. Mentale kracht telt daar dubbel. Daar begint het mee. Je kunt zo sterk zijn als een beer, alleen wanneer je een vechtershart bezit, kun je een stap naar voren zetten. Dat hart moet op dezelfde manier buiten de ring kloppen. Wanneer je dan in de media hoog van de toren blaast over wereldtitels halen, dan kun je ook een reactie verwachten. Zeker in Nederland, waar we liever iemand bescheiden horen zeggen: “Ach, ik zie wel hoever ik kom”.

Precies daarom is het goed dat Badr uit ons land vertrekt. We zijn geen land om vechtsporters van zijn niveau te koesteren. Straks zeg hij in Amerika hetzelfde en dan krijgt hij applaus van het publiek en daarbij de ruimte. Maar wat deden wij Nederlanders daar in Leeuwarden? Naar voren dringen, hopen dat het misgaat. Voor de sensatie. Badr Hari, ik hoop dat hij het helemaal maakt. Good luck!

Boksen in de Haagse Dierentuin

Deze column verscheen eerder op HaagseTopsport.nl

Het Nederlands kampioenschap boksen komt eraan. Waar? Ik zucht vol nostalgie. Jaren is er gebokst in de Haagse Dierentuin, zelfs Bep van Klaveren kwam hier de ring in. Allemaal herinneringen. Een boksposter van de Dierentuin? Onvindbaar.

Zaterdag zijn de wedstrijden in Nijmegen. Zondag is de finale in het Topsportcentrum Rotterdam. En dan is het klaar, in twee dagen, voorbij voordat u op het idee kwam een kaartje te kopen. Ja, het had veel spannender gekund. Klopt, je hoort er haast niks over. Het is zo gemakkelijk van boksers te houden, maar we krijgen er zo weinig kansen voor.

Was de Dierentuin er nog maar. Preciezer gezegd, waren de bokswedstrijden in de Dierentuin er nog maar. Dat gigantische complex – waar nu het Provinciehuis is – en dan die enorm grote zaal. Alle stoelen aan de kant, een boksring in het midden en er kwamen altijd meer mensen dan er eigenlijk in mochten. Voor de oorlog ademde de stad boksen. We hadden een eigen boksbond, de Haagsche Boksbond (HBB) opgericht in 1921. Zowat op elke hoek van elke straat zat een schooltje of een gelegenheid waar je kon boksen. Ursus. Door Oefening Sterk. De school van Toepoel aan de Johannes Camphuysstraat. En iedereen die je het vroeg, kon zeker drie namen van boksers noemen, zonder na te denken. Háágse boksers.

Bij ons in de stad is zowat elke zaal waar het boksen mooi was, weg. De Dierentuin werd gesloopt. Amicitia is gesloten. De oude Houtzagerij is er ook al niet meer. En dan had je ooit nog het Flora Theater en het Alhambra Theater, ook bokspaleizen. Dat was de gouden tijd van het boksen, en die heb ik gemist. Dus moet ik het doen met herinneringen van anderen en met oude boksposters. Maar dat is het gekke. Van Amicitia heb ik ze zien hangen bij boksscholen Haagse Directe en bij Houwaart. Maar van het boksen in de Dierentuin is haast niks meer over.

Alleen een foto van Bep van Klaveren zag ik een keertje, in ’54 was dat, tegen Jimmy Ligget stond hij. Maar dat was honderd procent Bep en nul procent Dierentuin. Natuurlijk won hij.

Waar zijn de posters van het boksen in de Haagse Dierentuin gebleven? Niet in het Gemeentearchief. Misschien liggen ze op zolders. Bij kleinkinderen die vaag weten dat opa voor de oorlog bokste. Ze hebben alles van toen in een ouwe kist gegooid, wat moeten ze ermee, zelf gaan ze naar het hockeyveld.

Van boksposters word je emotioneel. Tenminste, ik. Mooie oude Haagse tijden. Sentimenteel ben ik. Gek. Maar als u ze heeft?

Binnen zonder kloppen

Deze column verscheen eerder in 2012 op HaagseTopsport.nl

Weer verovert een Nederlandse sportman Amerika. Vechtsporter Alistair Overeem kwam, zag en overwon. Zijn tegenstander Brock Lesnar ging na de wedstrijd acuut met pensioen. Alistair staat aan de supertop van het MMA (Mixed Martial Arts). Nederlanders zijn beter in vechtsport dan in voetbal. Hoe kan dat?

Beter in vechtsport? Jawel. Kijk maar eens naar de finales van de grote vechtsportgala’s in Amerika of Japan. Dan ziet u hetzelfde als wanneer u langs Eurosport zapt. Altijd staan er Nederlanders in de finale. Sem Schilt. Badr Hari. Peter Aerts. Remy Bonjasky. Het lijstje is gemakkelijk aan te vullen. Stapje terug in de geschiedenis? Bep van Klaveren. Gooi alle Europese titels en wereldtitels van deze mannen op een hoop, en je hebt een berg tot in de hemel. Voetballers en een wereldtitel, daar hoeven we het eigenlijk niet over te hebben.

Afgelopen vrijdag maakte Alistair Overeem zijn debuut in de wereld van de UFC, dat is een grote vechtsportorganisatie in Amerika. Hij werd tegenover Brock Lesnar gezet, een grote vierkante man met een kop zoals die maar één keer per generatie voorkomt. Brock. Zeg het hardop en je weet hoe hij eruit zag. Opgegroeid in Texas, op een boerderij. Van huis uit een worstelaar. Dan weten we het wel.

Voor de wedstrijd was het psychologische oorlogsvoering, waarbij de een overtuigend dreigde (Brock) en de ander (Alistair) een knock out beloofde in de eerste dan wel in de tweede ronde. “He doesn’t like to be hit. And that’s what I’m going to do. I’m gonna hit him,” verduidelijkte Alistair nog voor geheel Amerika. Dat is verwachtingen scheppen. Zo zet je jezelf onder druk. Neemt Brock je mee naar de grond, dan is die worstelaar daar koning en jouw UFC-carrière is weg. Maar Alistair bleef staan, en hoe. Binnen een paar minuten was het klaar: KO! Brock stond op en verklaarde met pensioen te gaan, die wilde zoiets nooit meer meemaken. Maar “the Reem” zag er vrolijk uit. Hij begon al aan de volgende wedstrijd te denken. In Den Haag zullen ze gejuicht hebben; we hebben verschillende MMA-scholen met vechtsporters die naar Amerika kijken.

‘t Is miljoenenbisnis, daar in Amerika. Mil-joe-nen. UFC verdient klauwen vol geld aan de televisierechten, dat gaat daar pay per view. Het budget van Studio Sport is daarmee vergeleken een zakcentje, hoor. Te weinig om structureel aandacht aan vechtsport te besteden. Het is allemaal voetbal wat de klok slaat. Terwijl, laten we eerlijk zijn, het Nederlands voetbal het zoveel slechter doet dan de Nederlandse vechtsport. Dan klopt er toch iets niet?

Moeten vrouwen rokjes aan?

Deze column verscheen eerder in 2012 op HaagseTopsport.nl

Je bent een vrouw, je doet aan karate en je hoort van de bond dat je tijdens wedstrijden voortaan een rok moet dragen. De judovrouwen krijgen hetzelfde nieuws. Het moet, zegt de bond, want dat staat zo veel vrouwelijker. Bizar? Welnee. Die discussie moeten boksende vrouwen momenteel aanhoren.

Alles dat vechtsport beter en aantrekkelijker maakt, daar ben ik vóór. Duizend procent. Zonder meer. Laat dat duidelijk zijn. Vooruitgang is de redding van elke sport. Wie kan er tegen vooruitgang zijn? Niemand.

Nu gaan we een stapje verder. Is het een vooruitgang om vrouwen in een rok te laten vechten? Als een rok goede wedstrijdkleding is, hebben mannen er ook recht op. Daar horen we geen enkele boksbobo over. En dat terwijl we sinds die televisieserie Gladiator allemaal weten hoe een vechter in rok eruit ziet. Maar omdat het alleen over vrouwen gaat, is er iets anders aan de hand. We moeten vrezen dat het de boksbobo’s zijn, de mannetjes die graag naar vrouwen in rokjes kijken. Op zich is daar niks mis mee. Dat is de doelgroep van een hele industrie aan moddervechtende meisjes, en ook de Wallen doen dankzij dit soort mannetjes goede zaken. Maar kunnen die seksbeluste mannetjes van onze vechtsportvrouwen afblijven?

De grote boksbond AIBA presenteerde een kledinglijn van rokken voor boksvrouwen, dit met het oog op de Olympische Spelen volgend jaar. Dan staat boksen voor vrouwen op het programma. Je zou zeggen, dat is aantrekkelijk genoeg. De wereldtop van de amateurs treedt dan tegen elkaar aan, en hoe indrukwekkend dat is hebben we kort geleden bij het EK in Rotterdam gezien. Daar schitterde Marichelle de Jong die een gouden medaille won. In rok? Nee. In broek. Gewone bokskleren. In The Wall Street Journal zei ze erover: “Als ze vrouwen in rokken willen zien, dan gaan ze maar ergens anders heen”.

Treffend samengevat.

Geen enkele vrouw gaat de boksring in om mooi te zijn. Of sexy. Ze gaat om te winnen, en dan draagt zij kleding die dat gemakkelijk maakt. Tenzij de grote AIBA de regels verandert, natuurlijk. Kunnen ze best. Vandaag zijn de rokjes vrijwillig, maar wie weet is het een week voor de Olympische Spelen opeens verplicht. Van die kekke korte rokjes, daar denken de AIBA-bobootjes nu al verlekkerd aan, en dan ook verplichte onderbroekjes, en eh… misschien een strak shirtje erbij. Je begrijpt meteen wat ze daar eigenlijk vinden over vrouwen die boksen. Met sport heeft het niks meer te maken. Want die bobootjes, o, die bobootjes!