Karateka Cath Zomer: Vechtsport gaat over conditie en kracht

karate Verschenen in Den Haag Centraal, januari 2014 

Karateka Cath Zomer (35)

Vechtsport gaat over conditie en kracht’

Het aftellen gaat elk jaar snel. In maart 2014 vinden in Den Haag de Europese kampioenschappen kyokushin karate plaats. De hardste vorm van karate is dat. Nauwelijks bescherming en een ijzeren mentaliteit van dóórgaan, dwars door pijn en angst. Wie doet zoiets? Karateka Cath Zomer bijvoorbeeld, van Honbu Kamakura. Ze heeft in twee vechtsportdisciplines de zwarte band, en drie open EK-karatetitels in haar bezit.

Ik wil weten wat ik nog in huis heb”, zegt Cath. “En ik denk dat ik een goede kans op de titel maak. De vierde titel wordt het dan, maar of het genoeg is? Je kunt niet genoeg titels hebben. Het afgelopen jaar ben ik er even uit geweest. Daarom vraag ik me af of ik het vermogen nog heb om op dit niveau te vechten. Dat zal de tijd moeten uitwijzen”. Ze vertelt het op een rustige manier, net of ze een klein plannetje heeft dat er eigenlijk niet zo veel toe doet. Maar achter deze woorden gaat iets groters schuil. Welke jonge vrouw in ons land houdt van deze harde karatesport, en leeft ervoor, dag-in dag-uit? Ze vertelt er meer over tijdens een gesprek in een chique hotel lounge. Cath houdt van stijl. En van hard slaan, en van het leven dat ze kreeg dankzij de vechtsport.

Maar eerst een huishoudelijke mededeling.

Het zijn merkwaardige tijden voor de serieuze vechtsporters. Op televisie heeft het showbusinessnieuws aandacht voor kickboksers die verkeerde dingen doen. Dat is een akelige beeldvorming, waar je lastig van los komt. Voor het EK heeft de organiserende sportschool Kamakura enkele trouwe sponsors die wel beter weten, maar enkele meer zou welkom zijn. Cath zelf is blij met haar sponsors JuicePlus en restaurant Qip, maar ze weet dat de sportschool nog wel wat sponsoren kan gebruiken. Dus als er belangstelling is graag, peilt ze.

Bikkelen

Het dagelijks leven van een karateka in training is intensief en verbluffend eenvoudig tegelijkertijd. Het verloopt in grote lijnen zoals het de vorige drie keer verliep, toen ze de EK-titel haalde. “Net als ieder ander mens sta ik ’s ochtends op. Dan maak ik een ontbijtje en daarna ga ik de deur uit. Hardlopen. Dan fitnessen en vervolgens ga ik naar de sportschool voor gevechtstraining. Vooral rondjes trappen en techniekoefeningen doen, soms ook sparren. Tegen de avond is het boodschappentijd, eten en rusten. ’s Avonds ben ik gewoon thuis. Mijn partner steunt me gelukkig enorm”. En de dag erna herhaalt dit zich weer, en de dag daarna ook, en daarna weer. “Mijn leven staat in het teken van de vechtsport”. Voor haar bestaat er niet iets als ‘vandaag geen zin’: ze wil winnen, dus ze traint. Zo simpel is het. Deze weken is het bikkelen om straks het EK te winnen, en daarna ― nee, dan breekt niet het grote genieten aan, dan traint ze alleen even minder hard.
“Hoe lang ik al op die manier leef? Ik denk zo’n 28 jaar”. Cath Zomer is nu 35.

Overlevingsdingetje

Mijn ouders deden me op judo toen ik zeven was. Dat ging best goed, ik won alles. Maar ik vond het niet leuk genoeg en de lerares was niet zo aardig. En: ze zeiden dat het moest. Met moeten heb ik niet zoveel op. Moeten is dwang. Tenzij ik het mezelf opleg, natuurlijk”. Cath vertrok van de judo en vond een andere sport.

Bij Mossel heb ik onder andere semi-contact karate gedaan. Hij was een goede leraar en ik had er een leuke tijd, maar… voor een vrouw sloeg ik vrij hard. Mijn tegenstandsters begonnen vaak te kermen en zeuren. Ik moest dan meedoen met een hogere gewichtsklasse en als er wedstrijdjes waren, werd ik bij de jongens ingedeeld. Dat beviel me steeds minder. Bij Seoul in de Kranestraat heb ik nog een tijdje hapkido gedaan, een Koreaanse vechtsport. Het was een beetje … Je leert mooie technieken, het is een hele mooie sport maar ja, het ging voor mij niet hard genoeg. Wanneer je op een bepaald niveau zit en echt los wil gaan dan moet je toch bij Kamakura zijn. Er is geen andere sportschool waar ze zó hard full contact karate zó goed trainen. Dat is er gewoon niet”.

Ze was negentien jaar toen ze besloot over te stappen. Toch een leeftijd waarop een doorsnee meisje aan andere zaken denkt dan aan de verschillen van semi-contact en full contact.

Asperger

Je hebt bij een semi-contact sport geen low kicks. Het lijkt meer op tikkertje, een spel om je goed op conditie te houden. Voor kinderen is het leuk. Minder beangstigend en het vraagt ook minder van je lichaam. Full contact zoals het kyokushin is intenser. Een harde sport. Het maakt je sterk. Maar je moet wel even door een pijnbarrière heen. Dat is een fysiek overlevingsdingetje, denk ik”. Ze bedoelt: als je hele lichaam pijn doet van de training of van het gevecht, en alles in jou roept vol spanning om hulp, dan nog ga je de ring in of de mat op. Je geest is sterker. Die hóórt sterker te zijn. Dat moet.

Nu heeft Cath een voordeel. Ze heeft Asperger en daarmee een bovengemiddeld concentratievermogen. Lachend: “Ik denk dat het een nadeel is dat de rest van de wereld het niet heeft”. Mensen met Asperger floreren bij structuur. “Voor mezelf is het nooit zo opgevallen dat ik Asperger had. Ik ben groot geworden in de wereld van het judo en het karate. Daar is structuur belangrijk. Het schept duidelijkheid. Ik denk dat het iedereen heel veel rust geeft op het moment dat je weet wat je deze dag gaat doen, is het niet? Het is fijn als je een wekelijks schema hebt, dat je dingen inplant en dat ze zo gebeuren. Dat draag ik graag aan anderen over, ik geef ook seminars”.

Budo

Er is vechtsport met en zonder budo. Tussen die twee zit een groot verschil. Zonder komt het eigenlijk neer op vechten binnen een sportieve dimensie. Een vechtsport met budo is een manier van leven. Door het judo kwam Cath al vroeg in aanraking met budo. Ze legt uit hoe ze budo ziet: “Een budosport heeft een culturele achtergrond waardoor er ook van je verwacht wordt dat je in je dagelijkse leven je ontwikkelt. Je gaat bewuster met jezelf om en je wordt geacht je karakter te verbeteren. Niet in je eentje, maar met de anderen op de sportschool”. Als kind leerde ze het al: “De trainer spreek je aan met u en niet bij zijn voornaam. Je groet beleefd. Er bestaat een hiërarchie: de één heeft een hogere band dan de ander. Respect is een werkwoord; voor de training arriveer je op tijd en in schone kleren. Dat soort dingen is het. Het lijkt nog het meeste op de ouderwetse Hollandse beleefdheid, alleen combineert het hier met vechtsport.” 

“Wanneer je trainer zegt: ‘Ga door’, dan ga je door, zonder te antwoorden met ‘ja-maar’”.

Bij sportschool Kamakura, waar ze traint, zijn deze omgangsvormen de norm. In het oude gebouw aan de Gheijnstraat geldt het huisreglement, maar veel sterker aanwezig is het morele gezag van kancho Gerard Gordeau. Hij bepaalt wat er gebeurt, hoe en wanneer, zonder daarbij alles uit te leggen. Die duidelijkheid geeft Kamakura een eigen sfeer, waarin de meesten opbloeien. “Dat zie je vooral bij jongens die uit democratische gezinnen komen,” zegt Cath. “Die kregen al op hun vijfde jaar inspraak in het huishouden, dus met grenzen omgaan kunnen ze dan niet meer. Bij de kancho is het kiezen of delen. Je doet wat hij zegt, of je vertrekt. Veel van die jongens noemen hem hun tweede vader. Het is een ouderwetse vorm van vaderlijke autoriteit die ze dan toch gemist hebben. Pas later, als je zelf verder bent in je ontwikkeling en je iets weet wat hij allemaal heeft bereikt in zijn leven, begrijp je waarom hij doet wat hij doet. Mij heeft hij in de loop der jaren heel ver op weg geholpen. Zonder hem was ik niet geweest waar ik nu ben”.

Cath vertelt verder: “Karate is een individuele sport maar de trainingen beoefen je samen. Dus je groeit samen en je helpt elkaar waar nodig. Zo kun je allemaal dezelfde weg gaan om het uiterste uit jezelf te halen. Want dat is waar het om gaat bij het kyokushin. Daarom volg je dus allemaal dezelfde regels. Je helpt elkaar verder in de sport en dat werpt zijn vruchten af in het dagelijks leven omdat je bewust en gedoseerd sociaal bent. Vooral bewust is belangrijk: het zet je met beide benen op de grond doordat je besef krijgt van je eigen capaciteiten, van de dingen die jijzelf hebt, waarvan je weet dat je ze of kunt geven of niet kunt geven. Daardoor weet je ook wat je voor een ander kunt betekenen en wat een ander van jou kan verwachten. De sport maakt je duidelijk wie en wat je bent. Dat is een manier van leven die niet iedereen op prijs stelt, hoor. Ik geloof ook best wel dat als je liever ziet wat de dag brengt, dat je daar heel veel moeite mee kunt hebben. Dat is eigenlijk wat budo met je doet. Het geeft je net zoveel diepgang als je aankunt”.

Hoe mooi je karakter ook is geworden, toch komt vroeger of later een tegenstander die wil winnen. Voor Cath is dat dus bij de kampioenschappen in maart. Het zal iemand zijn die ook getraind heeft op techniek en kracht. Die dus hard kan slaan. Ziet ze op tegen eventuele pijn? “Nee,” zegt ze. “Het gaat niet over pijn”.

oeckk2014_poster_medium

Zelfbeheersing

Vechtsport gaat over het totaal van conditie en kracht die je opgebouwd hebt door hard te trainen, en het inzicht dat je in jezelf hebt. Daar gaat het over. Het gaat over discipline en over je zelfbeheersing, en over de kracht die jij hebt weten te ontwikkelen in je eigen lichaam. Het heeft niets met pijn te maken. Je weet dat je die schop krijgt. Ik krijg ze ook. Ik heb ook vaak genoeg klappen gehad, hoor”.

Haar gezicht ziet er gaaf uit. Ongeschonden door blessures. Vooralsnog, tenminste. Maar ze vreest niet voor dat soort blessures. De vraag ernaar irriteert haar zelfs. Eerst zegt ze: “Nee, ik ben niet bang voor mijn gezicht”. Dan met een grapje: “Ik hoop gewoon dat ik straks zo goed ben dat het niet gebeurt”. Ze lacht. En uiteindelijk weegt ze serieuzer het risico van een blessure oplopen: “Dat risico neem jij ook iedere dag als je over straat gaat. Dat risico neemt iedereen. Dat is het leven. Je hoeft maar een auto-ongeluk te krijgen en niet getraind te zijn; dan zijn de blessures die je daaraan kunt overhouden zijn vele malen groter dan wanneer je wél getraind bent. Door te trainen maak je je lichaam dus sterker. En het gaat ten koste van niemand. Een wedstrijd evenmin. Als ik verlies, dan word ik sterker van mijn tegenstander, omdat die me op dat moment mijn zwakke plekken laat zien.”

“Net zoals wanneer ik win van mijn tegenstander, dat mijn tegenstander iets leert van mij”.

 Daar komt het gesprek steeds op terug, die wisselwerking tussen budo, vechtsport en het dagelijks leven. Praten met Cath Zomer over haar vechtsport is iets anders dan uitvoerig wedstrijden analyseren. Het gaat over de sport en tegelijkertijd over het leven zelf. Wat werkelijk belangrijk is en hoe je het beste uit jezelf haalt. Evenzogoed komt elke dag haar wedstrijd dichterbij en daarmee dat ze in haar witte karatepak, met de zwarte band, naar de ring gaat, voor het uur van de waarheid.mt iedereen. Dat is het leven. Je hoeft maar een auto-ongeluk te krijgen en niet getraind te zijn; dan zijn de blessures die je daaraan kunt overhouden zijn vele malen groter dan wanneer je wél getraind bent. Door te trainen maak je je lichaam dus sterker. En het gaat ten koste van niemand. Een wedstrijd evenmin. Als ik verlies, dan word ik sterker van mijn tegenstander, omdat die me op dat moment mijn zwakke plekken laat zien. Net zoals wanneer ik win van mijn tegenstander, dat mijn tegenstander iets leert van mij”.

Dat uur komt op zestien maart in de Haagse Sporthal Hellas, tijdens de Open Europese Kyokushinkai Karate Kampioenschappen. Voor velen is dat een gewone zondagmiddag, waar verder niets gebeurt. Voor degenen die daar in de ring treden, gaat het om winnen of verliezen. Een titel, een inzicht, een grens vinden en daar overheen gaan, zo mogelijk.

En dan weer. Nóg een keer.

Waar houdt zoiets op?

Bij de uiterste grens, en geen milimeter ervoor.

 

 

Nakada in de Zoutmanstraat

Deze column verscheen eerder op Haagse Topsport.nl/ 2012

Daar is het, in de Zoutmanstraat. Of beter gezegd, daar was het. Nakada, de school van Johan van der Meulen. Nummer 61a, om precies te zijn. Eindelijk kon ik achter de etalage kijken, dankzij een mooi boek over die school.

Voordat u het bij Bol.com bestelt, moet ik wel waarschuwen. Het maakt treurig, vanwege alles erin dat voorbij ging. Johan van der Meulen is er niet meer, het Japanse harnas dat ooit in de etalage stond is weg en komt evenmin ooit weerom. De foto’s zijn te klein afgedrukt en bovendien te donker, waardoor je blijft turen naar iets waar je mee van wilt zien. Voor een apart fotoboek had ik graag het dubbele betaald. Maar dat is er nog niet. Oude vechtsportfoto’s, daar worden de mensen sentimenteel van. Ik ook.

De schrijver van het boek is J.H.G. Smits. Johan trainde ook bij Nakada: “Ik heb er judo, jiu-jitsu en ook wat kendo geleerd”, zo zegt hij achterin het boek. En: “Ik denk nog vaak, soms met enige weemoed terug aan mijn tijd op de mat bij meneer Van der Bruggen in zijn prachtige school Nakada”. Daarom ging hij schrijven, om deze geschiedenis te bewaren.

Het is een ongewoon boek geworden. Een beetje van dit en dat. Herinneringen van oud-leerlingen. Familiefoto’s. Een lijst die een “biografische kalender” heet. Uitleg over de sporten. En achterin meer over de auteur, die evenveel van geschiedenis als van vechtsport lijkt te houden. “Zijn eerste boek”, staat erbij. Moge er nog vele volgen, en dan vooral een paar uitdiepers over Nakada. Zoals dat fotoboek, dus.

Wat gek is het toch dat we in de stad zo’n rijkdom aan geschiedenis hebben en er zo weinig mee gedaan wordt. Ja, wat de vechtsport betreft dus. Straks komt weer de Dag Van De Haagse Geschiedenis die dit jaar helemaal in de open lucht plaatsvindt. Een soort braderie, ben ik bang. De dag der dagen om iets te doen aan de sportgeschiedenis van onze stad, maar om te zeggen dat er aandacht voor is? Neen. Dat dagje is entertainment geworden.

Ik durf te wedden dat niemand het boek over Nakada kan lezen zonder één keer te zuchten bij de foto’s. Nostalgie en sentiment, en dan komen de verhalen los. Allemaal Haags. Met details en verwijzingen naar andere sportscholen en naar schoenendozen met foto’s. O, dat er nog veel meer Nakada boeken mogen komen, Johan, zet ‘m op.

Oud-worstelaar Harry Steinmetz

Den Haag Centraal, 9 december 2011. Foto Ronald Mooiman

“En dan kun je de nieuwe worstelaar opvreten”

Regeren is vooruitzien, weten ze ook in de worstelwereld. In januari begint de voorjaarscompetitie om de landelijke titels. Het Haagse Simson KDO doet ook mee. Er is altijd hoop, maar er zijn ook twijfels. Hoe staat het ervoor? Een gesprek met trainer en oud-worstelaar Harry Steinmetz.

In het hart van de Schilderswijk, aan de Rubensstraat, zit een van de oudste sportscholen van Nederland. Simson KDO, Kracht Door Oefening. Die ‘kracht’ gaat vooral over worstelen, al kun je er ook andere sporten doen. Weinig mensen weten nog dat Nederland een rijke worsteltraditie heeft. Harry Steinmetz wel. Hij komt uit een worstelfamilie, die al generaties lang betrokken is bij Simson KDO. “Twee broers van mijn oma Brekelmans worstelden ook hier, en mijn oma haar vader is voorzitter geweest”. Harry zelf heeft een carrière als worstelaar gehad (landelijk kampioen en vijfde van de EEG) en is sinds jaar en dag trainer bij de club. Hoe leer je iemand worstelen? Met geduld, dat allereerst. “Eer je een beetje de technieken kent, ben je zo twee jaar verder. Het is een moeilijke sport, heel technisch. Na een jaar denk je dat je het nooit leert, maar dan komt er een nieuweling binnen en die kun je dan opvreten, bij wijze van spreken”. Zo doet Harry dat. Met geduld en humor. Op die manier houdt hij als worsteltrainer de club bij elkaar, en op peil. Eigenlijk begrijpt hij niet goed dat er vooroordelen tegen zijn sport bestaan: “Worstelen is eigenlijk een hele nette sport. Geen verwurgingen, geen armklemmen. Ja, je hebt weleens dat je een kopstoot krijgt maar dat mag niet. Wat gebeurt er niet bij voetbal?”

Wedstrijden

De voorjaarscompetitie dus. En het Haagse worstelen. Er zijn alleen mannelijke worstelaars bij Simson. Dat is half een keuze, half toeval. “Je pakt elkaar toch op bepaalde plekken beet bij technieken, of je hebt hoofd ergens tegenaan, dat gaat gewoon moeilijker bij een vrouw”, vindt Harry. Mochten zich vrouwen aanmelden, dan is hij bereid een klasje te maken. Dat is niet zo gek: het grootste worsteltalent van Nederland Jessica Blaszka uit Limburg, een lichtgewicht die de Olympische Spelen verwacht te halen.

Van Simson KDO worstelen er een aantal jongens straks in de Nederlandse competitie. Tussendoor en tegelijkertijd gaan ze naar Duitsland, waar het worstelen zo groot is als bij ons het voetbal. Alex Koval komt bij Harry: morgen moet hij naar Duitsland en hij is drie kilo te zwaar voor wat hij in de wedstrijd mag wegen. Harry: “Morgen is hij op gewicht, hoor. Ik was ook nooit te zwaar. Zie je dat hij zich nou helemaal in het plastic heeft ingepakt? Dadelijk gaat hij trainen, straks hardlopen op de band boven en dan zal hij morgen heel weinig eten. Je moet er wat voor overhebben, natuurlijk”. Dat is met Koval het geval. Overdag maakt hij lange dagen als betonvlechter in de bouw, en vrijwel elke avond is hij op de Rubensstraat. Plus dan nog de wedstrijden in het weekend. Maar zoals Koval zijn er niet veel, weet Harry. “Mensen zijn niet meer gewend wat op te offeren, zichzelf weg te cijferen. Minder eten om gewicht te maken vinden ze te moeilijk”. Daar komt dan nog bij dat de trainingen voor worstelen loeizwaar zijn. Erna ben je dankbaar als je in bed ligt. Daarin zit misschien de reden dat zijn competitie-jongens vooral uit het Oostblok komen. Die hebben een andere mentaliteit. Doorzetters zijn het. “Goeie jongens, allemaal“, zegt Harry trots.

Den Haag kan aardig meekomen in de Nederlandse competitie en worstelt zelfs in de A-competitie. Andere worstelsteden zijn Amsterdam, waar Body Fit zit van Bert en Bertje Kops, vader en zoon. In Utrecht zit De Halter, waar ooit Anton Geesink begin met worstelen. De Halter heeft ook zogeheten ‘stoeiclubs’, waarmee ze kinderen naar de club trekken. Dat heeft Harry ook geprobeerd: “Het is heel moeilijk om hier jeugdworstelen van de grond te krijgen. Er moet dan reclame gemaakt worden zodat iedereen het weet. Als je heel jonge kinderen hebt van zo’n zes jaar, dan moet je die contstant in de gaten houden, anders hangen ze weer in dat touw. We hebben het geprobeerd. De een nam een neefje mee, ik zeg nog neem een vriendje mee. Maar dan gaan ze toch gauw spelletjes doen in plaats van  greepjes en techniekjes aan te leren”. Wat hij niet zegt maar wel bedoelt: bij Kops en De Halter hebben ze meer trainers. Hij staat er hier alleen voor. Twee avonden per week geeft hij les. De clubliefde zit diep bij hem. Niemand bij Simson die eraan wil denken wat er gebeurt als Harry het voor gezien houdt.

Verder komen

“Ik was twaalf jaar, toen ik voor de eerste keer op de mat ging worstelen. Je had destijds de Nederlandse kampioenschappen in Overbosch en daar ben ik toen gaan kijken. Ik kon bij Simson meetrainen en op zaterdag stond ik op de mat, zo snel ging dat. Nee, ik was niet bang want ik had een judo-achtergrond dus ik was al met sport bezig. Die zaterdag stond ik tegen Kees Mantel, dat was de kampioen van Nederland. Vanaf toen ben ik bij de club gebleven. Zeker drie keer per week trainen en als je wedstrijden doet, dan ga je voor jezelf ook nog hardlopen. Toen ik een jaar of veertig was, hield ik de wedstrijden voor gezien. De trainers gingen geleidelijk weg en toen ben ik opgestaan en het gaan doen”.  En zo is dat ongeveer al tien jaar. Als het kan met zijn werk, gaat Harry mee naar wedstrijden in Duitsland. Harry: “Ik was met Alex in Dortmund voor de Europese kampioenschappen en we gingen nog even het stadje in. De worstelaars haalden we er meteen uit. Die hadden bloemkooloren“. Hijzelf ook, alleen rechts (“Waarom dat zo is, weet ik niet”); er past geen Ipoddopje in het verdikte kraakbeen om de ooropening.

“Ik hoop dat we volgend jaar in de competitie beter presteren”, zegt Harry. “Dus dat de jongens die wedstrijden doen, zich ontwikkelen en beter gaan worstelen. We hebben Spyros, Mat, Singh, Alex, Mazud. Dan zijn er pas twee Poolse jongens bij gekomen, en iemand uit Oegstgeest. Sinds een paar weken hebben we opeens weer aanwas, het is onvoorspelbaar. Met de harde ken hoop ik verder te kunnen gaan, zodat de andere jongens zich aan hen kunnen optrekken en beter worden. Daar komen weer nieuwe leden uit voort”. Via via, bedoelt hij, want vooral uit Oostblok komen ze naar Simson, en met worstelervaring ook nog. Dat is pure winst voor de club. Hij houdt ze er graag bij. Al is het wel een beetje jammer, alles welbeschouwd, dat er nauwelijks meer Haagse jongetjes zijn die zo in de club groeien als hij dat gedaan heeft. Maar die Oostblokkers, nou.

Haagsche Athletiekvereeniging Hercules

Oproep

 

(klik op de foto voor een groot formaat)

Ed Boers mailde:

Bijgaand een foto die ik al ruim 40 jaar in (familie)bezit heb en afkomstig is van mijn oud-oom N.J.C. Hoedeman. Hij was voor de oorlog vertegenwoordiger van de Koninklijke Nederlandse krachtsportbond bij gewichthefwedstrijden. Het is een groepsfoto van de Haagsche Athletiekvereniging Hercules. Deze vereniging is op 1 nov. 1900 opgericht en op de foto staan waarschijnlijk de gewichtheffers en worstelaars van de vereniging. De foto is te dateren rond 1905. Het gemeentearchief bezit één vergeljikbare foto van de vereniging (nr. 1.53078). Namen die ik heb kunnen vinden van enkele leden die aan gewichtheffen/worstelen deelnamen zijn: Barend Havelaar, P.W. Caffa, F.F. Moonen, J. Mutsiers, J. Sinteur, W. Graafeiland, J. Smulders, van Son, Baan. Mogelijk staan deze op de foto. Dhr. J.B. van Vliet is voorzitter geweest tussen 1903 en 1943 (mogelijk 2e van links met de hoge hoed). Op de achterzijde van de foto staat `Barend Havelaar v. Kinsbergenstraat 98´. Dit huis bestaat nog, mogelijk woonde daar een lid of bestuurslid, mogelijk is de foto daar in de achtertuin gemaakt.

Er is bijzonder weinig te vinden over deze vereniging. Hercules Den Haag moet tot in de jaren ´50 hebben bestaan want er is in 1950 een jubileumspeldje gefabriceerd. Andere bekende verenigingen in die tijd waren Hercules Dordrecht, Simson en K.D.O.

Volgend jaar viert de KNKF (Koninklijke Nederlandse Krachtsport- en Fitnesfederatie) haar 100 jarig bestaan en het zou leuk zij hierover een tentoonstelling te organiseren. Herkent iemand personen op deze foto? Weet iemand waar de personen trainden? Het zou leuk zijn als iemand iets meer informatie over deze inmiddels lang opgeheven vereniging heeft. Misschien heeft het wel een maandblad gehad.

Al uw reacties zijn welkom bij Edboers@casema.nl