Tijd voor Vechtsport Den Haag

Nederlands Instituut voor Vechtsport en Maatschappij. Bijeenkomst Den Haag, woensdagavond 16 maart 2011

We zaten in het zaaltje… (foto: NIVM)

Echt overweldigend druk was het niet, nee. Er hadden zich zo’n zestien verenigingen aangemeld en nog niet de helft was gekomen. Dan waren er mensen van de Gemeente, afdeling Sportsupport. En drie mensen van het Nederlands Instituut voor Vechtsport en Maatschappij. Daarmee was zowat de halve organisatie aanwezig.

Het project Tijd Voor Vechtsport is afgelopen. Daaruit is dit Instituut voortgekomen. Er zijn enorm veel projecten, plannen, opleidingen en andere mogelijkheden. Heel goed dat er erkenning is voor vechtsport, fantastisch dat er waardering is.

Maar er zijn ook enkele minpuntjes, die me niet los lieten naarmate de avond vorderde.

Die was best gezellig, overigens. Thai boksen, judo, aikido (“wij zijn eigenlijk geen vechtsport”), taekwondo, boksen en een oosterse vechtsport waarvan ik de naam vergeten ben, we zaten allemaal braaf aan tafeltjes in de kantine van een sportclub. Wij luisterden. De ene presentatie volgde de andere op, met mooie powerpoints. Dure kleurendruk folders, die ik allemaal verzamelde, wat dat betreft leek het net de Huishoudbeurs.

Het was ook een beetje de evaluatie van Tijd Voor Vechtsport. Dat project is in het Haagje uitmuntend verlopen. Bijna duizend leden erbij voor de vechtsportclubs, verenigingen waar trainers beter opgeleid werden en meer uren in het onderwijs verzorgden. En natuurlijk het Fight Right Keurmerk, dat bij veel clubs naast de voordeur hangt. Dan weten de mensen: hier is het in orde.

Er is nu ook een Label Veilig en Verantwoord Vechtsport. Dat is zeg maar een kleine uitvoering van het Keurmerk. De eisen voor het Label zijn lager, dus een uitkomst voor de clubs die wel erkenning willen maar (nog) niet kunnen voldoen aan alle voorwaarden van het Keurmerk.

Haast terzijde zeiden de jongens van het Instituut dat ze alleen nog geld voor dit jaar hadden. Daarna? Hopelijk vond de overheid het dan zo zinvol, dat ze weer door konden. Lijkt me onrustig werken. En dan zal je je als boksschool in dat jaar toch net het schompes hebben gewerkt voor dat Keurmerk, wat dan misschien niet meer komt.

De Gemeente zette uiteen hoe ze de verenigingen konden helpen. Ze gaan themabijeenkomsten houden (zoals over de penningmeester), ze hebben subsidieregelingen en nieuwsbrieven en ze willen altijd meedenken, bel of mail vooral. Het is natuurlijk wel zo, zei de Gemeente daarbij, dat clubs met een Label of het Keurmerk een streepje voor hebben als de Gemeente wat gaat opzetten.

Dat betekent, dacht ik, dat er op termijn dus een tweedeling gaat ontstaan. Je krijgt de verenigingen met Keurmerk/Label, en die zonder. De laatsten krijgen vanzelf minder geld, maar hebben ook minder toezicht. Dat kan een vereniging wel eens heel fijn vinden. Plus, ze hoeven dan ook ook geen maatschappelijke functies te vervullen. Ik kan zo een paar boksscholen en vechtsportverenigingen bedenken die alleen in vrijheid bloeien. En ik dacht terug aan de oude boksscholen van weleer, zonder keurmerk, met niks, waar iedereen toch heen ging omdat die ene oude oom er boksles gaf. Zijn gezicht was het beste keurmerk ter wereld. Een reputatie is alles waard.

Misschien krijgen we dat soort oude scholen hierdoor weer terug. Van ooms, van indrukwekkende trainers, achterzaaltjes waar het lekker ruikt naar zweet.

En daarnaast komen er nette scholen met ventilatie en keurmerken en subsidies.

Ik geloof in samenwerken. Maar ook in vrijheid. Dus dat wordt interessant.

Aan het einde van de avond kwam de discussie. Stelling 1: “De vechtsportclubs in Den Haag zouden zich moeten verenigen.”

Iemand van het Instituut sprak optimistisch over “een stukje kennisdeling”. Een vechtsportclub gaf een uiteenzetting over “kleine koninkrijkjes” die bestuurd werden door grote ego’s. Iemand zei nog, dat we ongeveer met een miljoen vechtsporters in Nederland zijn, en als dat één bond werd, dan hadden we wat. Daarna liep de discussie zo enorm uit dat ik nog voor het einde naar de tram moest, dat was ongeveer op hetzelfde moment dat de kaaskoekjes verschenen. Het speet me, ook om de koekjes.

Website Nederlands Instituut voor Vechtsport en Maatschappij

Herman van ‘t Hof

Van ’t Hof was razend snel

Dat was begin januari 1926 een sensatie: een Nederlander kampioen van Europa. Herman van ’t Hof won de titel in Den Haag, waar hij in de grote zaal van de Dierentuin tegenover de Zwitser Clement stond. De wedstrijd werd waarschijnlijk georganiseerd door de Haagsche Boksbond. Die zou in 1927 het vijfjarig bestaan vieren.

De wedstrijd is 85 jaar geleden gebokst, maar het verslag dat in de krant Het Vaderland verscheen, is zo levendig, dat we de wedstrijd meteen voor ons zien. “Een gebeurtenis van belang”, jubelde de krant op 5 januari 1926 en vatte voordat het eigenlijke verslag begon, de match alvast zo samen:

“Van ’t Hof was razend snel in zijn rechtsche en linksche stooten, die als een regen op kaak en maag van Clement neerkwamen. En ofschoon de partij over 15 ronden van 3 minuten was vastgesteld, was de strijd reeds in de zesde ronde beslist, doordat Clement blijkbaar meer dan genoeg had van de zware afstraffing, welke de Hollander hem toediende. En onder de luide toejuichingen van zijn landgenooten kon van ’t Hof den titel in ontvangst nemen.”

Aan deze wedstrijd gingen andere wedstrijden vooraf, zoals die tussen:

“Turksma (kampioen van Nederland, Den Haag) 53,6 kg en Van Klaveren (Rotterdam) 52,3 kg.  Het werd een vinnige partij waarin Van Klaveren een vinnig enthousiasme aan den dag legde en, zij ’t ook wat onbesuisd, over een flinke serie stooten beschikte. Daardoor werd het een aantrekkelijke vlugge partij, waarin Turksma’s techniek beter was, maar door het vurige optreden van den Rotterdammer in de eerste ronde blijkbaar verrast was. Dat kostte hem de overwinning, al werd hij tegen het einde ook heel wat beter. Van Klaveren werd op punten winnaar.”

Nu de titelwedstrijd.

“Clement (78 kg) verscheen eerst in den ring met Schilperoord als zijn helper. Enkele minuten later volgde Van ’t Hof (75, 7 kg) met Braat als helper. Na de gebruikelijke plichtplegingen begon de wedstrijd onder leiding van den Belgischen scheidsrechter H. Karel Boulanger, onder-voorzitter van den Belgischen Boksbond, en met de heeren Van Ophuyzen en Crone als ringrechters.

De eerste ronde verliep nog wat slapjes. Van ’t Hof begon direct met aan te vallen en de Zwitser deed niet meer dan de harde stooten incasseeren, zonder zich behoorlijk te dekken. Slechts nu en dan kreeg hij gelegenheid om een rechtsche stoot te plaatsen.

De tweede ronde was vrijwel een getrouwe copie van de eerste, Clement probeerde het enkele malen met linksche stooten, welke Van ’t Hof blijkaar niet deerden.

In de derde ronde kwam Van ’t Hof met rechtschen en linkschen op maag en kaak danig los. De vierde ronde bracht Clement een scheurtje boven ’t linker oog, en de Zwitser poogde zooveel mogelijk op afstand te boksen, terwijl Van  ‘t  Hof door in-vechten den strijd trachtte te forceeren. Vooral in de vijfde ronde kreeg Clement het zwaar te verantwoorden. Maar erkend dient te worden, dat Clement zich ’n kranig incasseerder toonde. In de zesde ronde werd het hem echter te zwaar en door opsteken van zijn armen gaf hij te kennen, dat hij den voor hem te zwaren strijd opgaf. Daardoor werd Van ’t Hof tot winnaar verklaard; tevens verwierf hij den titel van kampioen van Europa zwaar middengewicht.

Het publiek zong ‘ lang zal hij leven’ en juichte hem langdurig toe.”

Daarmee was Herman van ’t Hof Europees kampioen. Nu is er in Rotterdam een boksvereniging naar hem genoemd. De vraag is alleen: waar is de kampioensbeker gebleven? In Rotterdam op zolder?

Boksen bij Toepoel

(Gepubliceerd in Moesson, juli 2009)

Verlofgangers uit Indië wisten hem te vinden:Toepoel. Hij was kampioen van Nederland geweest, schreef in de kranten en had bovendien een grote boksschool in Den Haag. Daar gaf hij zijn lessen. In groepsverband maar ook privé. P.M.C. Toepoel (1881-1960) is een van de beroemdste boksers van Nederland geweest, maar wie weet nu nog iets over hem?

Indië kende een grote rijkdom aan boksers. Profs en amateurs. Die wilden natuurlijk hun conditie op peil houden als ze met verlof naar Nederland gingen. Bij Toepoel kon je sparren. Hij kende het wedstrijdcircuit. Aan zo’n man had je wat. Dus daar gingen veel boksers uit Indië heen.

Momenteel werk ik aan een boek over Haagse boksgeschiedenis. Daarin moet Indië ook te vinden zijn. Hoe zit dat met Toepoel en de Indische boksers? Kunt u mij helpen?