Boksen in de Haagse Dierentuin

Deze column verscheen eerder op HaagseTopsport.nl

Het Nederlands kampioenschap boksen komt eraan. Waar? Ik zucht vol nostalgie. Jaren is er gebokst in de Haagse Dierentuin, zelfs Bep van Klaveren kwam hier de ring in. Allemaal herinneringen. Een boksposter van de Dierentuin? Onvindbaar.

Zaterdag zijn de wedstrijden in Nijmegen. Zondag is de finale in het Topsportcentrum Rotterdam. En dan is het klaar, in twee dagen, voorbij voordat u op het idee kwam een kaartje te kopen. Ja, het had veel spannender gekund. Klopt, je hoort er haast niks over. Het is zo gemakkelijk van boksers te houden, maar we krijgen er zo weinig kansen voor.

Was de Dierentuin er nog maar. Preciezer gezegd, waren de bokswedstrijden in de Dierentuin er nog maar. Dat gigantische complex – waar nu het Provinciehuis is – en dan die enorm grote zaal. Alle stoelen aan de kant, een boksring in het midden en er kwamen altijd meer mensen dan er eigenlijk in mochten. Voor de oorlog ademde de stad boksen. We hadden een eigen boksbond, de Haagsche Boksbond (HBB) opgericht in 1921. Zowat op elke hoek van elke straat zat een schooltje of een gelegenheid waar je kon boksen. Ursus. Door Oefening Sterk. De school van Toepoel aan de Johannes Camphuysstraat. En iedereen die je het vroeg, kon zeker drie namen van boksers noemen, zonder na te denken. Háágse boksers.

Bij ons in de stad is zowat elke zaal waar het boksen mooi was, weg. De Dierentuin werd gesloopt. Amicitia is gesloten. De oude Houtzagerij is er ook al niet meer. En dan had je ooit nog het Flora Theater en het Alhambra Theater, ook bokspaleizen. Dat was de gouden tijd van het boksen, en die heb ik gemist. Dus moet ik het doen met herinneringen van anderen en met oude boksposters. Maar dat is het gekke. Van Amicitia heb ik ze zien hangen bij boksscholen Haagse Directe en bij Houwaart. Maar van het boksen in de Dierentuin is haast niks meer over.

Alleen een foto van Bep van Klaveren zag ik een keertje, in ’54 was dat, tegen Jimmy Ligget stond hij. Maar dat was honderd procent Bep en nul procent Dierentuin. Natuurlijk won hij.

Waar zijn de posters van het boksen in de Haagse Dierentuin gebleven? Niet in het Gemeentearchief. Misschien liggen ze op zolders. Bij kleinkinderen die vaag weten dat opa voor de oorlog bokste. Ze hebben alles van toen in een ouwe kist gegooid, wat moeten ze ermee, zelf gaan ze naar het hockeyveld.

Van boksposters word je emotioneel. Tenminste, ik. Mooie oude Haagse tijden. Sentimenteel ben ik. Gek. Maar als u ze heeft?

Herman van ‘t Hof

Van ’t Hof was razend snel

Dat was begin januari 1926 een sensatie: een Nederlander kampioen van Europa. Herman van ’t Hof won de titel in Den Haag, waar hij in de grote zaal van de Dierentuin tegenover de Zwitser Clement stond. De wedstrijd werd waarschijnlijk georganiseerd door de Haagsche Boksbond. Die zou in 1927 het vijfjarig bestaan vieren.

De wedstrijd is 85 jaar geleden gebokst, maar het verslag dat in de krant Het Vaderland verscheen, is zo levendig, dat we de wedstrijd meteen voor ons zien. “Een gebeurtenis van belang”, jubelde de krant op 5 januari 1926 en vatte voordat het eigenlijke verslag begon, de match alvast zo samen:

“Van ’t Hof was razend snel in zijn rechtsche en linksche stooten, die als een regen op kaak en maag van Clement neerkwamen. En ofschoon de partij over 15 ronden van 3 minuten was vastgesteld, was de strijd reeds in de zesde ronde beslist, doordat Clement blijkbaar meer dan genoeg had van de zware afstraffing, welke de Hollander hem toediende. En onder de luide toejuichingen van zijn landgenooten kon van ’t Hof den titel in ontvangst nemen.”

Aan deze wedstrijd gingen andere wedstrijden vooraf, zoals die tussen:

“Turksma (kampioen van Nederland, Den Haag) 53,6 kg en Van Klaveren (Rotterdam) 52,3 kg.  Het werd een vinnige partij waarin Van Klaveren een vinnig enthousiasme aan den dag legde en, zij ’t ook wat onbesuisd, over een flinke serie stooten beschikte. Daardoor werd het een aantrekkelijke vlugge partij, waarin Turksma’s techniek beter was, maar door het vurige optreden van den Rotterdammer in de eerste ronde blijkbaar verrast was. Dat kostte hem de overwinning, al werd hij tegen het einde ook heel wat beter. Van Klaveren werd op punten winnaar.”

Nu de titelwedstrijd.

“Clement (78 kg) verscheen eerst in den ring met Schilperoord als zijn helper. Enkele minuten later volgde Van ’t Hof (75, 7 kg) met Braat als helper. Na de gebruikelijke plichtplegingen begon de wedstrijd onder leiding van den Belgischen scheidsrechter H. Karel Boulanger, onder-voorzitter van den Belgischen Boksbond, en met de heeren Van Ophuyzen en Crone als ringrechters.

De eerste ronde verliep nog wat slapjes. Van ’t Hof begon direct met aan te vallen en de Zwitser deed niet meer dan de harde stooten incasseeren, zonder zich behoorlijk te dekken. Slechts nu en dan kreeg hij gelegenheid om een rechtsche stoot te plaatsen.

De tweede ronde was vrijwel een getrouwe copie van de eerste, Clement probeerde het enkele malen met linksche stooten, welke Van ’t Hof blijkaar niet deerden.

In de derde ronde kwam Van ’t Hof met rechtschen en linkschen op maag en kaak danig los. De vierde ronde bracht Clement een scheurtje boven ’t linker oog, en de Zwitser poogde zooveel mogelijk op afstand te boksen, terwijl Van  ‘t  Hof door in-vechten den strijd trachtte te forceeren. Vooral in de vijfde ronde kreeg Clement het zwaar te verantwoorden. Maar erkend dient te worden, dat Clement zich ’n kranig incasseerder toonde. In de zesde ronde werd het hem echter te zwaar en door opsteken van zijn armen gaf hij te kennen, dat hij den voor hem te zwaren strijd opgaf. Daardoor werd Van ’t Hof tot winnaar verklaard; tevens verwierf hij den titel van kampioen van Europa zwaar middengewicht.

Het publiek zong ‘ lang zal hij leven’ en juichte hem langdurig toe.”

Daarmee was Herman van ’t Hof Europees kampioen. Nu is er in Rotterdam een boksvereniging naar hem genoemd. De vraag is alleen: waar is de kampioensbeker gebleven? In Rotterdam op zolder?

Siem de Wit (interview)

(gepubliceerd in Den Haag Centraal, 3 september 2009 in de zomerserie waarin sporters over hun leven vertellen)

“Kampioen van Nederland in 1953”

Bij Siem de Wit is op de oud-Hollandse manier gezellig. In de huiskamer zat een groenleren bankstel en de muren hangen vol met schilderijen, vaak in grote goudkleurige lijsten. “Zelf geschilderd”, zegt Siem, “ze hangen tot in Griekenland toe, en ik had er meer mee kunnen doen maar daar had ik geen zin in.” Dat tekent de man. Geld en status trekken hem tegenwoordig niet meer aan. Hij vertelt me over zijn leven, en dat duurt lang. Laat in de middag ga ik pas weg. Er zit een boek in Siem de Wit, besef ik. De tegenstellingen in hem verbazen me, net als zijn opmerkelijke verleden als sporter: “In 1953 was ik nationaal kampioen worstelen, boksen en gewichtheffer van Nederland”. Siem de Wit is 73 jaar.

Na een woelig leven kijkt Siem de Wit om naar de jeugd. Hij heeft er geen diploma’s voor, maar dat houdt hem niet tegen. De jongeren hebben niks, vindt hij, de gemeente zorgt slecht voor ze. “Er moeten meer clubhuizen komen en dat moet de gemeente betalen. Dan hangen ze niet rond op straat om verkeerde dingen te doen. Ik zie het voor mijn ogen gebeuren. De een verkoopt wat aan een ander, dan nog een keer en dan zijn er weer twee het verkeerde pad op.”In een moeite door: “De sociale controle in de buurt moet terug. Als je als kind vroeger op straat speelde had je overal ooms en tantes en als je wat uithaalde, dan stond je er flink op. Dan zei een oom of tante dat aan je ouders. Nu heet iedereen buurman en buurvrouw. Beleefdheid telt niet meer. Wel als je op twee agenten schiet, dat betekent wat. Dan ben je opeens zó.” Met een paar zinnen legt Siem de reden van zijn betrokkenheid uit: “Ik was vroeger net zo. Alles wat fout kan gaan op straat, ken ik uit eigen ervaring.”

Voor zijn inzet heeft hij twee jaar geleden een lintje gekregen. Zegt hem helemaal niks. De stadsspeld die hij kreeg gaf hij aan een suikerpatiënt gegeven die speldjes verzamelt.

Kampioen
Dat foute kwam toen hij achttien was en het had wel en niet met zijn worstelen te maken. Eerst het worstelen. In de vroege jaren ’40 werd hij lid van KDO, Kracht Door Oefening.

“Dat zat aan de Hoefkade. Ik was tien, elf jaar toen ik begon. Het kostte 35 cent per maand. Daarvoor kon je drie keer per week komen trainen. Eerst had je warming up, door de zaal rennen en dan sloegen ze zo met een stok op de vloer voor de maat. Dan de grepen leren. Ik was Grieks-Romeins worstelaar, ik was sterk in mijn armen want ik werkte in de stratenmakerij. Bij KDO was het hartstikke fijn. Dat kwam ook doordat je niks anders had voor jongeren, behalve dan de boksschool van Jan Nicolaas. In die tijd had je ook veel bekende worstelaars in Nederland: Aad Hogenvorst. Jantje Krabbendijk. Kwintmeijer, Dolman, te veel om op te noemen.”

KDO fuseerde in de jaren ‘60 met een andere Haagse worstelvereniging: Simson. De naam leeft voort in het huidige Simson KDO dat in de Rubensstraat is gevestigd. Tegenwoordig zijn de competities zijn klein, net de publieke belangstelling. Siem heeft de glorietijd zelf meegemaakt, vertelt hij.

“Er waren overal wedstrijden en daar deed ik zo vaak mogelijk aan mee. In Den Haag was het vooral in Amicitia en in de oude Dierentuin. Die zaten dan stampvol, met wel tweeduizend mensen. In 1953 was ik nationaal kampioen boksen, worstelen en gewichtheffen van Nederland, categorie 68 kilo. Worstelen was een harde sport. Ik deed weleens een ‘citroentje’, dat is iemand oppakken en ondersten houden. Er waren jongens die zo hun nek braken. Bij mij is er ook eens iemand blijven liggen. Later is die greep verboden.”

Brandkasten
Dat was het worstelen. Nu het verkeerde pad. “Worstelen deed ik tot ik achttien was. Toen ben ik een beetje het verkeerde pad opgegaan. Je komt in de binnenstad, je ontmoet andere mensen, je gaat iets anders drinken, ik begon aan donker bier. Als er toen drugs waren geweest, had ik het genomen. Ik was haantje de voorstste in alles. Ik was heel sterk, kon goed vechten. Daarom noemden ze me de ‘koning van de Boekhorststraat’, wegens dat vechten. In die tijd begon ik meisjes leuk te vinden. Ik vond het ook leuk de blagueur uit te hangen tegenover meisjes, een kettinkje voor die, een dingetje voor een ander. Daar had ik geld voor nodig.”

Siem toont zijn armen met de tatoeages: vol met meisjesnamen. Een romantische man, maar ook eentje die het als jonge jongen niet zo nauw nam met de grenzen. Waar een ander een kantoorbaan had om zijn uitgaansleven te betalen, wilde Siem iets anders. “Ik ging me toeleggen op brandkasten kraken. Je snijdt ze open door met gas en zuurstof te branden.”

“Hoe ik wist waar iets stond? Je krijgt wel eens een tip van iemand. Je hoort weleens wat. Het openmaken, daar ging het me om. Ik herinner me een brandkast, daar ben ik mee bezig geweest van half tien ‘s avonds tot kwart over vijf in de ochtend. Toen stond ik te zweten of ze me uit het kanaal hadden gevist. Dat is de adrenaline, die gaat door je hele lichaam om die kast open te krijgen. Als dat lukt, is dat net een orgasme. Wat er in lag maakte me minder uit. Een keer had ik honderddertigduizend gulden. Dat was veel als je nagaat dat een flesje bier in die tijd 30 cent kostte.”

Levenswerk
Zo ging het leven verder. Het brandkasten kraken en de bijbehorende levenstijl hadden de plaats ingenomen van het worstelen. Het ging goed tot Siem in handen viel van justitie. “Een keer heb ik zeven jaar gezeten. De gevangenis was toen nog een echte gevangeis, streng, sober, je kreeg twee keer per week een pakje boter daar moest je het mee doen.”

De gemiddelde crimineel leert bij in de gevangenis en vervolgt zijn loopbaan. Zo niet Siem. Hij ontmoette een vrouw die, zoals hij zelf zegt “overwicht” op hem had. Door haar veranderde hij langzaam. Klaar en hij trouwden. “Wonderlijk is dat, de invloed van een vrouw.” Door haar en door hun kinderen kwam hij weer op het goede pad. “Ik ging me bemoeien met jonge gastjes die in de bagger zitten. Gewoon,omdat ik zag dat die kinderen er veel aan konden hebben. Ze moeten het goed hebben. Als ik wat kan doen, dan doe ik het. Er is zoveel dat de overheid laat liggen.”

In de loop der jaren groeide dit uit tot een nieuw levenswerk. Nadat zijn dochter overleed aan een overdosis, is hij meer dan ooit tegen drugs. Fel zegt hij: “Ik haat het. Drank ook.”

Daar praten we nog over door. Zijn kinderen, en vooral zijn kleinzoon die bij hem woont en voor wie hij zorgt. Jesse van veertien krijgt een even strenge als liefdevolle opvoeding. Ik zie ze samen, en het is een mooi stel. De kleinzoon, bijna even groot als zijn grootvader. De grootvader die vastbesloten is zijn kleinzoon op het goede pad te houden. “Hij traint bij Kamakura. En wat denk je? Hij is al jeugdkampioen Nederlands karate.” Siem kijkt trots, Jesse is verlegen.

Tegen een juffrouw van de krant zeg je dat niet zomaar. Ze kibbelen een beetje en dan sluip ik weg.