Bokser, trainer, vechtsportvader

Deze column verscheen eerder in 2012 bij Haagsetopsport.nl

Angolo Dundee is niet meer onder ons. Wie? Ik hoor het u zeggen. De trainer van Muhammed Ali. De kleine man achter de grote man. Vorige week ging hij dood. Hij werd slechts negentig jaar oud. Ja, slechts.

Natuurlijk is het een mooie leeftijd, maar sommige mensen wil je gewoon niet missen. Ali himself is nu 71 jaar en we horen af en toe onrustige berichten over zijn gezondheid.  Jo Frazier, ook zo’n Amerikaanse grootheid, zijn we eind vorig jaar kwijtgeraakt. Hoe zou het met George Foreman zijn? Soms gaat de een na de ander dood en wat blijft er over? Herinneringen. Boeken, in het beste geval.

Angelo Dundee had zijn autobiografie: My view from the corner. A life in boxing (2007) Je kunt het zo bestellen bij Amazon.com. Daar hebben ze wel meer over vechtsport, het is een jaloersmakende etalage. En wij?

Wij hebben haast niks. Over de saaiste teamsport heeft elke dorpsboekhandel nog een plankje vol, terwijl je zelfs in grote steden moet zoeken naar vijf fatsoenlijke vechtsporttitels. En dat geldt ook voor Den Haag. Als we niet uitkijken, gaat er veel geschiedenis verloren. Haagse geschiedenis. Sportgeschiedenis. Generaties van mannen als Angelo Dundee, die zijn bokser ver wist te brengen. Zonder hem had de ‘rumble in the jungle’ tegen Foreman in 1974 heel anders uitgepakt.

Elke keer als de tram bij de Brouwersgracht stopt, zeg ik de drie namen op: lady boss Kathy Houwaart is er nu, haar vader Harry Houwaart was er voor haar en daarvoor had je Leen Hoogenband. De posters hangen nog bij Houwaart, daar hebben ze gevoel voor geschiedenis. Maar wat is er verder nog van hem over? Ik weet dat Bram Charité bij hem trainde, Bram, zelf zoon van een gewichtheffer. Weer een vechtsportvader erbij. Bram leerde Louis van Swinderen boksen, en die twee geven ze nu trainingen Cubaans boksen bij Sportmindz, in het Segbroekcollege.

Zo kun je vanuit de een naar de ander lijnen trekken in het Haagse, en dan zie je iets bijzonders. Het patroon. Het zijn vooral mannen van gewicht en van naam, die iets willen doorgeven aan de jongere garde. En als die ouder worden, is er weer een jongere garde opgestaan, nieuwsgierig naar de sport. Bij ons zijn ze niet zo beroemd als Angelo Dundee was, maar ze doen hetzelfde. Doorgeven wat ze weten en wat ze kunnen. Het beste dat ze hebben. En dan gaan ze dood. Ik zou het helemaal niet gek vinden, als er nog eens een standbeeld kwam voor de Haagse vechtsportvader.

Kinderen in de vechtsport

Deze column verscheen eerder op HaagseTopsport.nl

Met de regelmaat van de klok gebeurt het. Ik praat met een mens, die een kind heeft, en dat kind, daar is iets mee. Te dik, te sloom, wil dit niet, kan dat niet. “Doe hem op vechtsport”, adviseer ik. Kijkt die ouder me aan alsof ik het kind levend wil verbranden. Nee, Jantje moet op een teamsport. “Hoeft-i nóg niks te doen” zeg ik dan vals. Want ik voel me dan zwaar vertieft.

Bij boksschool Houwaart zag ik een keer op een wedstrijddag kleine kickboksers in de ring komen. Zo’n jaar of zes. Misschien jonger. Ze waren net iets groter dan hun scheenbeschermers maar toch nog te klein om zelf in die grote ring te stappen. Allright, die stond op een verhoging, maar toch. De kleine vechtertjes werden door hun trainers opgetild en over de touwen heen getild. Daar stonden ze. Helemaal klaar om los te gaan. De bel klonk en hop, daar gingen ze. In hoog tempo, en maar doorgaan. Niks kijken, wachten. Slaan, schoppen, doorgaan. Ik zat aan de ring en lachte, vertederd om zoveel enthousiasme. Anderen lachten ook, om dezelfde reden. Kijk toch eens, dachten we, daar hebben we de toekomst van het kickboksen.

Voor die jonkies geldt hetzelfde wat voor senioren en veteranen geldt. Persoonlijke inzet is noodzakelijk. Er is daar geen Jantje of Pietje die even op de teamgenootjes gaat hangen, wegens geen zin of mammie ik ben zo moe-hoe-hoe. Zoiets bestaat niet in de vechtsport. Hoeveel hulp je ook krijgt van je hoek, als de bel klinkt voor jouw ronde, moet jij naar voren gaan.

Dat is een levensles. Hoe vroeger je die leert, des te beter.

Onder de vechters die ik volg, zijn een paar kinderen. Zoals Jordan van Poelgeest, een kyokushin karateka van acht jaar. Hij komt uit voor Dojo Kamakura, een van de beste adressen in Den Haag. Jordan heeft nog geen handvol wedstrijden gedaan en hij is nu al volop in ontwikkeling. Wat verliezen is, weet hij. Hij heeft geleerd dat hij zijn angst kan overwinnen. Een beker omhoog houden lukt hem ook inmiddels. Als ik hem bij Kamakura zie, geeft hij een hand: “Osu”.  Het protocol van de beleefdheid, respect in de praktijk. Ik zeg het ook tegen hem. Voor elke vechter heb ik dat respect, ongeacht zijn of haar leeftijd.

Kijk, dat krijg ik dan niet uitgelegd aan de ouder van wie het kind zo nodig op de teamsport moet. Want dat kind moet liefst een voetballer worden, iemand die groot geld verdient en anderen de enkels kapot schopt, en dan nog zegt van niks te weten. Dat mag ik dan niet zeggen, want voetbal is heilig in dit land en ADO is onze afgod. Had ik kinderen, ze gingen allemaal op een vechtsport. Het is de beste garantie voor een sterk karakter.

Boksschool Houwaart/ open dag

Twee avonden hield Boksschool Houwaart (den Haag) een open dag, of liever: een open avond. Donderdag 17 december voor dames, vrijdag 18 december voor heren. Toen was ik er. Ik zag thai boksen, hoorde muziek van dj Radha en vooral de stem van trainer Ivan Sprang die nergens een microfoon voor nodig had.

Recht in de zaal kijkend

Thai boksen heeft wel wat. Boksen met iets erbij, dat heel mooi is als er twee met talent tegenover elkaar staan. Soms leek het op ballet, zo elegant en vanzelfsprekend als de bewegingen werden uitgevoerd. Maar toch hou ik meer van boksen: dat lijkt me natuurlijker. Zeg tegen iemand: “verdedig je!” en wat zie je… de klassieke bokshouding. Dat bedoel ik.

Nu is Houwaart twee weken dicht. De feestdagen. Elders in de stad gaat het boksleven door; de Haagse Directe blijft gewoon open. Ik sprak even met Arnaud van der Veere van de vechtsportwinkel Force One, waar het elke dag drukdrukdruk is. Ook hoorde ik sensationeel nieuws van Oom Jan (een boks-oom van Houwaart), waarover ik later meer hoop te berichten. Eerst de ontwikkelingen volgen.

Het was een feestelijke afsluiting van het jaar. Stapels cake en schalen vol oliebollen, een overvloed aan fruit en vooral: een zaal vol enthousiaste kickboksers. Waar gaan die eigenlijk heen tijdens deze vakantie?

Vincent Stikkolorum (interview)

(gepubliceerd in Den Haag Centraal, 11 juni 2009)

De eerste honderd dagen van de nieuwe Nicolaas

Dinsdag 8 juni 2009 was voor Vincent Stikkolorum de dag met het gouden randje. Op die datum was hij honderd dagen lang eigenaar van Sportschool Nicolaas (Rijswijk), in 1938 opgericht door de bokser Jan Nicolaas. Vincent is modern, maar hij is vast van plan de oude tijden te laten herleven. Begin deze week formeerde hij zijn eigen wedstrijdteam. Allemaal boksers met ambitie. Team Nicolaas.

“Ik ben er geleidelijk in gegroeid”, vertelt Vincent Stikkolorum. “De laatste maanden voor de overname werkte ik al mee. Ik had wel gedachten over wat ik op de eerste dag wilde doen, maar als je hard gaat, loop je jezelf voorbij. Ik wilde het goed doen. Daarvoor had ik tijd nodig. Ik wilde met aandacht werken en goed nadenken over wat ik wilde en hoe ik dat ging aanpakken.” In eerste instantie veranderde hij wat lestijden, nam parttime docenten aan, verlegde accenten en dacht, zoals altijd, aan boksen. Daar komt hij vandaan, dat is zijn passie, al heeft hij een sportschool waarop inmiddels ook lessen zijn te volgen in uiteenlopende sporten als aerobic, jiu jitsu en het hippe dans-fitness zumba. “Ik moet commercieel zijn”, zegt Vincent bijna verontschuldigend. Dat is hij. Het resultaat? “Tien procent meer leden. Op dinsdag hangen ze hier uit het raam”.

Dinsdag, dan staat op het rooster: fitness, conditietraining en jawel, boksen. Nadrukkelijk zegt Vincent: “De mensen moeten zich hier thuis voelen, ik wil een goedlopende sportschool hebben. Boksen is mijn grote passie en liefde, daarin blijf ik ook bezig. Als ik me meer op de boksers kan gaan richten, is dat natuurlijk fantastisch. Recreant-boksers zijn welkom. Maar mij persoonlijk gaat het vooral om de wedstrijden”.

Dat zegt Vincent Stikkolorum met de nodige kennis. In 1992 was hij kampioen Zuid-Holland, dus hij heeft wel wat wedstrijdervaring. Hij weet wat het is, de wedstrijdwereld. Daar kwam ook Jan Nicolaas uit voort, die in 2001 op 89-jarige leeftijd overleed. Hij was een bokser wiens naam nog steeds ontzag afdwingt door het grote aantal partijen dat hij bokste en vaak won.

Nicolaas was amateur, prof, herhaaldelijk kampioen van Nederland, en daarna begenadigd trainer van andere boksers. Nog steeds is hij aanwezig in de sportschool die hij in 1938 oprichtte: aan de muren hangen posters en foto’s met zijn afbeelding. Dat heeft Vincent bewust zo gewild, traditie vind hij moois. Zeker in de bokswereld moet je het verleden in ere houden. Zeker het Haagse boksen is een schatkamer aan grote namen en boksscholen: Houwaart, de Haagse Directe, het boksen bij de Houtzagerij, de school van Leen Hoogenband en dan natuurlijk de onvergelijkbare school van John Kristallijn. Daar kwamen grote wedstrijdboksers vandaan.

Kampioen
Sinds afgelopen maandag bestaat dus het Team Nicolaas, onder leiding van Vincent Stikkolorum. Meer dan 21 boksers hebben zich aangemeld, al zal niet iedereen doorstromen naar een wedstrijd. Voor degenen die dat wel willen en kunnen, stelt Vincent doelen vast. Die zijn met opzet hoog gesteld: “Als je niet voor alles gaat, dan heb je niets”. Als uitleg: “Iedere jongen die dat in principe kan, moet kampioen van Nederland willen worden en naar de Olympische spelen willen gaan.” Ambitie. Daarbij hoort begeleiding. “Krachttraining, techniek, tactiek, theorie, wedstrijdsparren, sparring met opdracht, voeding”, somt hij op. Daarna komt een filosofisch verhaal over het verschil tussen trainen (“Je past dan gewoon je kennis toe”) en coachen (“Iemand die niet goed is, moet je beter kunnen maken. Daarvoor moet je ook een goede trainer zijn”), het belang van diploma’s en praktijkervaring en dan vertelt hij een spannende anekdote over Wim van Klaveren. Soms geeft hij iets prijs over zijn Team Nicolaas: “Er zit een jongen uit het Oostblok bij die meer dan 100 wedstrijden heeft gebokst”. Honderd dagen had Vincent Stikkolorum nodig om te komen waar hij nu is: aan de vooravond van grote veranderingen.

Zoon
Vincent bokst nu 20 jaar bij Nicolaas. Hij begon als jongen van 14 jaar; zelfs kreeg hij les van de oude bokser zelf. En daarvoor? “Mijn vader was gek van boksen. Hij leerde me stoten zetten. Ik was toen 6, 7 jaar. Zo kreeg ik het met de paplepel ingegoten.” Hier herhaalt zich de geschiedenis, want Vincents zoon Tijmen heeft zijn eigen bokshandschoenen, al is hij pas anderhalf jaar. “Als hij ze ziet, wil hij ze aan”, zegt Vincent Stikkolorum trots. Om er dan haastig aan toe te voegen: “Maar we laten hem vrij. Als hij balletdanser wil worden, vinden we het ook goed”.