Bokser Roos Disch

Roos DischSterren aan het boksfirmament. Herinneringen aan onze grote boksers. “Roos Disch”, door Jan Liber. In: De Ring, 1e jaargang, nr. 18. 23 juni 1948

Er zijn heel wat jonge boksers geweest, die niet ,,mochten” van thuis en die zijn er nog altijd. Er was eens een tjjd, dat vele ernstige vaders hun zonen verboden te voetballen, die dat getrap tegen een balletje maar tijdverknoeien, onverstandig en ongezond vonden. Zulke vaders zijn er nu niet meer. Weil echter zijn er helaas nog maar al te veel vaders, die bun zonen verbieden te boksen. Zij vinden dat slaan op mekaars gezichten ruw en onfatsoenlijk en gevaarlijk. Ik heb evenwel een vader gekend, die tegen zijn zoon zei: ,,Jongen, jij moet gaan boksen, Ik ken geen mooiere sport.” En laat nou die zoon er eigeniijk niet voor voelen! Die zoon heette Robert Disch, onder zijn kornuiten altijd Roos genoemd.

 

Het klinkt natuurlijk ongelofelijk voor een man, die in zijn tijd tot de beste puntenboksers van Europa behoorde, die de sterkste Engelsen weerstond en de hardste Belgen klopte. Toch is bet zo. Roos Disch bezat met de ware liefde voor de bokssport. Hij beschouwde die sport alleen maar als zijn broodwinning, als zijn vak. O zeker. hij vatte zijn werk ernstig genoeg op, maar hij vond er geen bevrediging in. Er zijn meubelmakers, die elke stoel en elke tafel met even veel zorg en evenveel ambitie in elkaar zetten, die het meubelstuk, dat zij maken bijna strelen en het als iets van hen zelf beschouwen. Dat zijn mensen met liefde voor hun vak. Maar er zijn er ook, die de dingen zo maar hoep, floep in elkaar gooien. Hoe eerder ze er van af zijn hoe liever en of de ene poot nu een millimeter korter is dan de ander, zodat zo’n stoel een doorlopende ergernis voor zijn bezitter wordt, om-dat hij altijd staat te wiebelen, dat kan hen niet schelen. Zulke mensen worden echter nooit uitblinkers. Zij bereiken nooit het allerhoogste. Zij missen het sterk makende idealisme, dat hen op een hoger plan, op een hoger niveau moet brengen. Zo is het ook met Roos Disch gegaan.

Hij miste precies de heilige vonk, die het hoge idealisme had kunnen doen ontbranden. Als die vonk er wel was geweest — Theo Huizenaar heeft het me in die dagen tientallen malen verzekerd — zou Disch een groot kampioen geworden zijn. Maar zo gaat het nu eenmaal in de sport. Om een groot kampioen te zijn, moeten alle kwaliteiten van techniek en temperament en vechtlust en ambitie en toewijding en moed in een man verenigd zijn. Als er maar een enkel element ontbreekt is het mis.
Disch had prachtige karaktereigenschappen. In de bokssport zijn er maar weinigen geweest zoals hij. Prettig en hartelijk kameraad, die alles voor iedereen over had. Echt een kerel uit een stuk, die je nooit in de steek zou laten. Altijd tot helpen bereid. Zijn mooiste hulp heeft hij wel gegeven tijdens het grote bombardement van Rotterdam op 14 Mei 1940. Hrj woonde toen in een van de zijstraten van de Schiedamse-singel. Aan de overkant van de singel stond de boel al in vlammen, aan de kant waar hij woonde was er nog niets gebeurd. Rustig zwom hij de Schiedamsesingel over, ging daar helpen bij het redden van wat schamele have en zwom een paar keer heen en weer om het goed in veiligheid te brengen. In de ring had hij iets flegmatieks, iets rustig onaandoenlijks. Hij liep niet zo gauw warm. Hij was altijd de koelbloedige. Dat maakte bij het publiek wel eens een verkeerde indruk.

De mensen oordelen gewoonlijk snel en dus oppervlakkig. Men kende die innerlijke onverschilligheid van Disch niet. Het nonchalante gebaar, dat hij kon maken of het verveelde gezicht, dat hij kon trekken, deden soms wel eens onsympathiek aan. Het gaf hem iets hautains, iets hooghartigs. De mensen zeiden dan wel eens: Die Disch is een beste bokser, maar hij is toch eigenlijk wel een opscheppertje in de ring, hij wil zo echt laten zien, dat hij het kan. En dat was nu precies niet waar. Het kon Disch allemaal zo weinig schelen wat er gebeurde. Het interesseerde hem nauwelijks of hij won of verloor en als hel publiek hem hoonde, krulde er alleen maar een minachtend en tegelijk een superieur lachje om z’n lippen. Hij was als de grote kunstenaars, die kunnen uitroepen: “Publiek ik veracht U!”

Als een jog van een jaar of zeventien kwam Disch in 1929 bij Huizenaar in de school. Het was alles mager en kwaad wat er aan die slungel was. hij rnaakte echt de indruk van een slome slungel. Theo had echter gauw bekeken, dat er wat in dat knaapjezat. Het zou alleen maar de kunst zijn, er uit te halen. Hij begon als amateur in de vedergewichtklasse met een indrukwekkende k.o.-overwinning.  Hij bokste 31 wedstrijden, waarvan hij er slechts drie verloor. Toen hij in 1932 het vedergewichtkampioenschap van Nederland veroverd had, vond Pa Disch het nodig tegen zoonlief te zeggen: En nou moet je maar prof worden. O, die oude heer Disch was een echte boksfan.

Roos DischIk herinner me nog, dat  na een wedstrijd in Den Haag, — tegen wie het was weet ik echt niet meer-  Disch werd uitgefloten. De jury had hem winnaar verklaard en daarmee mee was deel van het lieve publiek het niet eens. Woedend en met verwrongen grauw gezicht sprong Disch Sr. in de ring en begon tegen iedereen uit te varen. Met moeite konden zijn vrienden hem kalmeren. Zo was de man nu eenmaal, Hij ging op in de bokssport en je moest het niet wagen een woord ten nadele van Roos te zeggen, want dan werd hij gevaarlijk.
De successen als prof volgden elkaar snel op. België beschikte in die tijd over een stel beste vedergewichten. Daar waren Alf Berg, Mulkay, Benoir, Roothoofd. Ze werden allen verslagen. Het gebouw van Kunsten en Wetenschappen in Rotterdam op de Schiedamsesingel was voornamelijk het toneel van de strijd. Die lange pijpenla was eigenlijk een heel ongezellige zaal en allerminst geschikt als boksarena, maar er was niet anders in Rotterdam.  De Circusschouwburg was afgebrand, die goeie tijd was voorgoed voorbij. Ook de dagen van K. en W. heeft echter wel mooie bokssport opgeleverd.

Het jaar 1933 bracht wederom een reeks schitterende successen voor Disch, die inmiddels naar de lichtgewichtklasse iwas overgegaan. Harry Stein, de officiële kampioen van Duitsland, werd royaal op punten geklopt, de Nederlander Bakker ging in de 5e ronde k.o. en (later in de revanche in de derde. Toch was Disch geen typische knock outer. Hij had die echte Engelse stijl van het puntenwerk met een prima linkse directe. Zijn lange armen waren hem daarbij van groot voordeel.  Zijn enige nederlaag in 1933 was tegen de Belgische kampioen Saerens. Disch was in die partij zeker niet de mindere geweest. Ik herinner me nog zeer goed, dat het een van zijn beste gevechten was. Saerens was echter een zeer handige jongen met zeer veel routine en misschien ook wel een beetje minder sportief dan Disch. Toen hij in de negende ronde geheel onopzettelijk te laag geraakt werd, zei hij niet meer te kunnen doorboksen. De protectors waren in die dagen nog niet van de kwaliteit als thans en de scheidsrechter kon niet anders doen dan Disch diskwalificeren. Een maand later werd Disch lichtgewichtkampioen van Nederland door een overwinning op Jan Scheffers, een leerling van Schilperoord, die thans nog sportinstructeur bij de Rotterdamse Lloyd is.

Toen naar Engeland. Londen, Grimsby, Bristol, Liverpool en overal waar hij kwam veroverde Disch stormenderhand de harten van Engelsen en Schotten.
Daar was dat prachtige gevecht met Jim Stewart. Deze heer Stewart was een knock outer van de bovenste plank. De befaamde Jackie Kilberg ging er in drie ronden aan, Sybille in twee, Scheffers bieef maar een ronde op de been. Toen moest Disch het proberen.
Het was in Liverpool in 1934. IJzig kalm, zoals altijd ging Disch de ring in.

Van links naar rechts: Arnold Lagrand, scheidsrechter Knol en Robert Disch

Theo Huizenaar achter hem was veel zenuwachtiger dan hij. De eerste gongslag en het was of daarmee heel Li­verpool op het hoofd van Disch neerkwam. Een verschrikkelijke rechtse had zijn kaak getroffen voordat hij tijd had gehad om zijn handschoenen op te heffen. Disch smakte tegen de planken, maar hij bleef volkomen helder, rustte op zijn knie tot negen en zei onderwijl tegen Theo: “Alles in orde, die kans krijgt hij niet meer.” Zo gebeurde het ook. Stewart kreeg geen kans meer hem vol te raken. Het werd een opwindend gevecht, waarin Disch gelijk opbokste. Dat hij op punten verloor na vijftien zware ronden, was uitsluitend aan die down in de eerste ronde te wijten geweest.

Een schitterend gevecht leverde hij ook tegen Boyo Rees in Bristol in 1935. De Engelse pers was opgetogen. Weer verloor Disch op bet nippertje en tegen de beroemde Gustav Eder, op z’n best in die dagen, bleef hij ook de hele af stand staan. Het waren echter allemaal nederlagen en daarom kwam Disch nooit in aanmerking voor een wedstrijd om een Europese titel.

Nog een staaltje van de boksintelligentie: Op een Dinsdag moest Disch in Antwerpen de revanche tegen Saerens boksen. Een paar dagen tevoren had Huizenaar een telefoontje gekregen van de bekende Parijse promoter Jef Dickson, dat de tegenstander van Bricout niet kon uitkomen en of Disch wilde invallen. Best, zei Theo, we komen. Dinsdags bokste Disch dus tegen Saerens en verloor twijfelachtig op punten. Di­rect na afloop met de nachttrein naar Parijs. Overdag in het hotel een paar, uur geslapen. ‘s Avonds tegen Bricout in de ring. Schitterend gevecht, enthousiast publiek, enthousiaste pers en enthousiaste Dickson, die zo tevreden was, dat hij een dubbele gage uitbetaalde, maar het was weer een nederlaag geweest.

Donderdag terug naar Rotterdam en Zaterdags oversteken naar Engeland, waar hij Zondags net maar eerlijk van Harry Mizzler verloor. Daar waren dus drie prima gevechten in zes dagen geweest en Disch had er geen schrammetje van overgehouden. In 1936 behaalde Disch ook de welter-titel door Bep Donnars op punten te kloppen en de beide titels heeft hij jaren gehad. Aan het eind van zijn loop-baan na de oorlog verloor hij die titels aan Nol Lagrand en Jan Nicolaas.

Misschien zou hij nog steeds actief bokser zijn, als niet een ongeval ontijdig aan zijn carriere een eind gemaakt had. Bij een stoeipartijtje kreeg hij een vork in het oog, waardoor het netvlies op drie plaatsen beschadigd werd. Maandenlang moest hij in het ooglijdersgesticht in Utrecht verpleegd worden en hoewel hij volkonien genezen ontslagen werd, was het toch te riskant om nog te blijven boksen.
Zijn vader, die nooit een wedstrijd over-sloeg, is hem ook nu trouw gebleven, want samen met Roos leidt hij een café in Rotterdam. Op 26 Juni wordt Disch 36 jaar.
Zijn vele vrienden zullen die dag niet vergeten hem op te zoeken.

De Ring: Bep van Klaveren

Bep van Klaveren

Bep van Klaveren

De Ring 1e jaargang no.6, pag. 4-6. Jan Liber: Herinneringen aan onze grote boksers. Bep van Klaveren.

      BEP VAN KLAVEREN

Een ster ditmaal, waarvan de glans nog niet is verbleekt, mogelijk niet meer zo fonkelend en stralend als weleer, maar, vooral aan ons kleine boksershemeltje, toch altijd nog blinkend als een ster van de eerste grootte. Er zijn geen kijkers nodig om hem te zoeken. Hij staat daar nog niet het blote oog zichtbaar voor iedereen. Er zal eens een tijd komen, dat ook deze ster moet ondergaan, aan die eeuwige wet ontkomt niets op deze wereld, maar elke liefhebber van de bokssport, die hem eens zag, zal dan toch iets van die oude glans in zich bewaren. Onverbrekelijk is Van Klaverens naam, als Olympisch kampioen, tweevoudig Europees kampioen en met talloze gevechten in vier werelddelen, aan de historie van de bokssport verbonden. Zonder ook maar iemand te kort te willen doen, mag ik zeggen, dat hij de grootste van allen is geweest.

Een leven vol ups en downs, een leven vol romantiek en avonturen! Wat een schat aan herinneringen weven er zich omheen. In welk een duizelingwekkende vaart heeft hij dit leven geleefd, welk een overstelping van gebeurtenissen. Er is geen beginnen aan om dat allemaal in een paar woorden te vertellen. Een paar flitsen kan ik slechts geven. Hier een greep en daar een brok. Maar waar te beginnen? Olympische Spelen 1928, Volendam, sinaasappelenkuur? Reis naar Zuid-Afrika met Arie van Vliet? Eerste Europese titelgevecht tegen Sybille? Amerika met Theo Huizenaar? Patsi Zeuli, Joe Meyers, Frank Vandermee? Ik weet het waarlijk niet. Het is allemaal overbekend, maar het is allemaal interessant. Wat Van Klaveren beleefd heeft, is soms op het randje van het ongelooflijke. Hij heeft altijd een rijke fantasie gehad en als hij wat vertelde, moest je altijd denken: zou het wel waar zijn? Maar zijn recordlijst liegt niet. Die is groots, zonder meer.

Zo’n record heeft niemand in Nederland.

Bep van Klaveren

Bep van Klaveren

Ik ken Van Klaveren zo’n drie, vier en twintig jaar. In 1924 verscheen hij voor het eerst in de ring. Hij was nog geen zeventien en hij woog 41 kg. Een aardig, dartel diertje met veel te lange veulenbenen, een beetje schichtig, maar toen al met veel temperament en moeilijk in toom te houden. Piet Dijksman was zijn eerste leermeester. Er is wel eens beweerd, dat “Ome Nol” Steenhorst, in die dagen middengewicht kampioen van Nederland, Bep boksen geleerd heeft, maar dat is beslist niet zo. Nol had dat neefje van ‘m natuurlijk wel het hoofd op hol gebracht met zijn verwarde verhalen over het boksen, waarbij je het goud zo maar voor het oprapen had, maar moeder Van Klaveren, de zuster van Nol, een bij-de-handje als zij nu eenmaal is, had gezegd: “Nol blijft met zijn handen van ‘m af”. Zo kwam Bep bij Piet Dijksman terecht en de oude Piet is daar riojl altijd trots op. “Ik en niemand anders heb ‘m boksen geleerd”, zegt hij nog altijd met veel nadruk en dikwijls voegt hij er nog aan toe:

“Ze hebben ‘m van me gestolen!”

Stelen is misschien een beetje veel gezegd. Bep ging na een paar jaar op aanraden van vele vrienden in de leer bij Teun Schilperoort, een van de bekwaamste instructeurs van Rotterdam. Het ene succes volgde op hét andere. Hij werd amateur vedergewicht-kampioen van Nederland en uitverkorene voor de Olympische Spelen in Amsterdam. Als een net jongetje met zijn witte broek, blauw blazertje en strohoed veel te schuin op zijn zwarte haren, liep hij in het grote défilé. Een week later ging voor hem de vlag aan de hoogste mast. Het was allemaal als een droom geweest. Overwinningen op de Spanjaard J. Munos Panadez, de Engelsman F. M. Perry; in de halve finale op de Amerikaan H. G. Devine. En toen del finale, die de gouden medaille zou brengen. De Argentijn V. Peralta stond als een wildeman bekend en niemand van f de familie Van Klaveren had de nacht voor de wedstrijd ook maar één oog i dicht gedaan. Bep had de gehele nacht in zijnbed liggen boksen en vermoeid en met hevige pijn in zijn rug was hij opgestaan. Maar hij was merkwaardig kalm geweest. Oom Nol, een der instructeurs van de Olympische ploeg, wist niet meer waar hij het zoeken moest van de zenuwen, doch Bep had gezegd: “man, stel je niet zo aan, over tien minuten ben ik Olympisch kampioen.” Hij pelde een extra sinaasappeltje en stapte doodbedaard de ring in. Het werd een fanatieke, volkomen gelijk opgaande strijd. Bep liet zich niet tot vechten verleiden en won door betere techniek. De volgende nacht sliep er weer niemand in de huize Van Klaveren, maar nu was het niet van de zenuwen….

Het Rotterdamse slagersknechtje was een beroemdheid geworden. Theo Huizenaar werd zijn vriend en leidsman en er volgden enige jaren van glorie, culminerend in het lichtgewichtkampioenschap van Europa. Ook weer zo’n gevecht om nooit te vergeten, al duurde het maar twee ronden.

img066

Een foto van 18 jaar geleden. Van Klaveren verwelkomt Primo Carnera aan het D.P. te Rotterdam. Links promotor Theo Huizenaar, rechts van Van Klaveren Lou Cats, bestuurslid van de toenmalige N.O.B. (door de Duitsers vermoord), achter deze Maup Ploeg. Geheel rechts scheidsrechter Sanders.

Op de Rotterdamse wielerbaan, waar enkele’jaren tevoren tranen waren geplengd over de tragische nederlaag van Herman van ‘t Hof, werden nu – on-Hollandse – vreugdedansen gesprongen. Het was ook allemaal zo onverwacht gegaan. Bep van Klaveren was geen knock outer en daar plofte me die lange Sybille in de tweede ronde plotseling tegen de planken. Iedereen dacht dat hij gestruikeld was, maar aan de glazige blik; waarmee hij overeind kwam, was wel duidelijk te zien, dat hij een voltreffer gehad- had. Nog twee van die voltreffers en het was afgelopen.

Amerika lag voor Van Klaveren in het verschiet, maar

eerst verspeelde hij nog even zijn Europese titel

aan de Italiaan Locatelli,

vóór hij in 1932 naar New York ging.

Met een hart vol verwachtingen gingen Bep en Theo op de 29e Juli aan boord van de Statendam. Er werd van een wereldkampioenschap gedroomd, maar op 19 September waren ze weer thuis. De gouden bergen, die hun beloofd waren, bleken slechts molshopen te zijn geweest. De heer Patsi Zeuli, de Amerikaanse manager, was een dranksmokkelaar, een clandestiene kroegbaas en wie weet wat hij nog meer zou zijn geweest, als Huizenaar niet had opgepast, want Theo heeft me wel honderd maal in volle ernst verzekerd: ze zijn vast van plan geweest mij daar te verdonkeremanen, want ik was te veel. Inderdaad was Huizenaar te veel. Van Klaveren ging weer naar Amerika, maar nu alleen. De jacht naar de wereldtitel was begonnen. Geëindigd is zij nooit. Amerika werd een aaneenschakeling van teleurstellingen en desillusies. Van Klaveren had gedacht, dat hij maar ineens een wedstrijd om het wereldkampioenschap zou krijgen. Het was tamelijk naief. Er kwam niets van terecht.

 

Hij kreeg een lange reeks totaal

onbekende jongens te verwerken.

Stuk voor stuk harde knokkers en Van Klaveren moest er echt wat men noemt voor “vechten”. Hij moest Amerikaans gaan doen. Phil Rafferty, Baby Joe Gans, Jimmy Philips, Herman Perlick en Stan Loyaza werden achtereenvolgens op punten geklopt. De wedstrijd tegen de was net een aap met die verschrikkelijk lange armen. In de tweede rond zeilde Van Klaveren van een ontzettende swing door de ring en kwam plat op zijn buik te liggen. Hij dacht dat heel New York op zijn hoofd viel, vertelde hij later, maar in de achtste ronde was de gorilla nergens meer en “Van Kleeveren”, zoals hij in Amerika heette, won royaal. Zijn Europese stijl had hij nu voor goed verlaten. Hij was “fighter” geworden en hij wilde ook niet anders meer. Buiten de ring spaarde hij zich, maar in het gevecht spaarde hij zich npoit. Hij werd de vechter en de volhouder, de onvermoeibare, vermetele tempobokser en hij verwierf populariteit. De bladen — of misschien de publicity-managers — schreven over hem als “The Dutch windmill”, “the hammering Hollander”, “the Dutch cleancer” en “the man with a thousand billardballs in his hands”.

 

In de zomer van 1933

leefde men in spanning in Nederland.

De kansen op een titelgevecht waren gestegen. Van Klaveren-Billy Petrolle zou een halve finale worden. De winnaar kreeg een titelgevecht tegen Canzoneri. Nieuwe pech echter. Van Klaveren geraakte in training geblesseerd, maar de strijd moest ten koste van alles doorgaan. De gevolgen bleven niet uit. In de vierde ronde werd Beps oogwond zo erg, dat hij moest opgeven. En de revanche, die spoedig daarna kwam, verloor hij door dezelfde oorzaak in de achtste. Later heeft Van Klaveren nog enige malen tegen Frankie Petrolle gebokst, een broer van Billy, die hij op punten versloeg en men heeft het toen in Nederland wel doen voorkomen of hij de befaamde “FargoExpress” verslagen had, maar dat was niet juist. Een titelgevecht kreeg hij niet. Jimmy Mc Larnin en Barnie Ross speelden het veel gespeelde spel van stuivertje wisselen en Bep kwam er niet tussen.

In 1937 kwam hij na vele bittere ervaringen — ook op het gebied van de liefde — in Europa terug.

Als het in Amerika niet ging dan moest het maar weer in Europa. Gustave Eder. Nenijto-hal. Een overwinning voor het ‘grijpen. Grote puntenvoorsprong, maar toen een herhaling van het drama-Van ‘t Hof, knock out in de achtste ronde. Het leek afgelopen met Van Klaveren. Maar weer klemde hij de tanden opeen. De moeizame weg naar de top zou hij van voren af aan beginnen. Hij koos zich een ervaren gids: zijn oude vriend en manager Theo Huizenaar. Samen begonnen zij opnieuw en ziet, het wonder gebeurde. Binnen een jaar was de top bereikt. Van Klaveren weer kampioen van Europa. Het stadion Feijenoord was het toneel van de veel bewogen strijd tegen de Franse kampioen Ed. Tenet.

Een titanengevecht met een inzinking van Van Klaveren in het midden, die noodlottig leek te zullen worden. De mensen, schudden de hoofden al, het zou wel weer niets worden. Die Van Klaveren kon er wel mee ophouden. Maar Van Klaveren houdt nu eenmaal nooit op. Hij vocht voor zijn leven en hij kwam zijn inzinking te boven. Zijn eindspurt was daverend en meesterlijk. Tenet werd verslagen, maar eerst moest nog een scheidsrechterlijke vergissing in Parijs goed gemaakt worden voor Van Klaveren werkelijk tot kampioen van Europa kon worden uitgeroepen. Vier maanden later moest hij zijn titel afstaan aan Christoforides, een Griek, die later wereldkampioen werd. Nog gaf Eep het niet op. Kort voor het uitbreken van de oorlog ging -hij weer naar Amerika. “Ze hebben me een gevecht tegen Fred Apostoli beloofd”, zei hij en geloofde er vast in. Hij was nu eenmaal de eeuwige optimist. In 1940 bokste hij nog vier gevechten in Amerika. Won er twee tegen Ernie Vigh en Jay Macedon, bokste er een onbeslist tegen Augie Arellano en verloor op punten van Milt Aron in Chicago. Toen kwam het tijdperk van de militaire dienst, exhibitions door heel Amerika en Australië. In Februari 1947 terug in Nederland.

Moet ik nog verder vertellen? Schoen, Posno, Van Dam (weer kampioen van Nederland) en nog eens Van Dam (kampioen af). Hij is nu veertig geweest. En hij heeft er nog altijd niet genoeg van. Komt er nog een derde gevecht tegen Van Dam? Komt er daarna nog meer? Wie zal het zeggen.

Bij Van Klaveren is alles mogelijk.

Bokser Willem Westbroek

Willem Westbroek

Willem Westbroek in zijn glorietijd: “Wie doet me wat?”

Jan Liber: Sterren aan het boksfirmament.  Herinneringen aan onze grote boksers. In: De Ring, 1e jaargang no 3. Onder leiding van Kick Geudeker en Franc G. Bouwens.

WILLEM WESTBROEK (1892-1948)

Wim Westbroek weet het natuurlijk zelf niet meer, want het is al meer dan vijf en twintig jaar geleden, maar de eerste lessen in de pugilistiek ‘heb ik van deze eertijds zo populaire Rotterdammer gehad. Hij zal het ook daarom niet meer weten, omdat ik helemaal geen uitblinkende leerling ben geweest en het zelfs nimmer tot een gevecht in de ring heb gebracht. Maar ik herinner het me nog als de dag van gisteren, dat ik als een mager scharminkel van een joch van een jaar of zeventien, bevend en witjes, in dat kleine zaaltje achter het cafétje op de Rotterdamse Veemarkt, voor de gevreesde kampioen stond.

Nu, na al die jaren mag ik het gerust zeggen: Wim Westbroek heeft mij tot de bokssport gebracht. En als men mij nu zou vragen, waarom ik zo’n diepe bewondering voor deze bokser heb gehad, dan weet ik het echt niet. Een groot technicus is Willem nooit geweest. Na hem zijn er velen in Nederland geweest, die veel beter bokser waren dan hij, maar die niet half zo populair waren. Misschien was het zijn grote sportiviteit, die hem tot de afgod van het Rotterdamse bokspubliek maakte. Hij behoefde maar het puntja van zijn tamelijk geprononceerde neus te laten zien, of de mensen waren dol van opwinding. Hij kon de Circus-Schouwburg laten dreunen op zijn grondvesten. De Circus-Schouwburg.,.. Wat een Rotterdamse boksherinneringen liggen daar. Nooit is er in Nederland een zaal geweest, die beter geschikt was voor bokswedstrijden als deze. Een echte arena. Een half ronde zaal met loges. met amphitheaters, met gaanderijen en waar je zat, overal kon je goed zien. Marius en Fietje Spree speelden er hun volkstoneel: Klaasje Zevenster, De Fabrieksbaas, De Witte Non en Rooie Sien, maar eens in de maand werd er gebokst. Het toneel moest er voor wijken. Het was daar, dat ik Wim Westbroek voor het eerst zag boksen, een van de klassieke gevechten uit de oertijd van de vaderlandse boksgeschiedenis: Willem Westbroek tegen Rinus Groeneweg.

img210

Willem Westbroek, derde van links, zoals hij er uitzag in zijn roemruchte jaren. De anderen zijn, van links naar rechts, Piet Dijksman, Theo Kourimsky en Van der Ploeg.

Het was in de zomer van 1919, als ik het me goed herinner, de glansperiode van Westbroek, die toen een jaar of vijf en twintig geweest zal zijn. Het ging er in die wedstrijd om of Westbroek er in zou slagen met knock out te winnen. Groeneweg was de fijne puntenwerker, de man met het sierlijke benenspel, de beheerste tacticus en de haast volleerde technicus, zoals men in 1919 volleerd kon zijn althans, want in die dagen wist rnen bij ons nog zo weinig van techniek af. Onze boksers hadden wat afgekeken van de Engelse ge-interneerden uit de eerste wereldoorlog. Ze wisten wat een linkse directe was, maar van de veel moeilijker rechtse directe kwam maar weinig terecht. Je zag het meest wilde zwaaislagen. Westbroek was eigenlijk, wat men noemt, een stilstaande man, die echter een dodelijk wapen bezat: de linkse hoek. Wie die hoek, flitsend als een bliksemstraal, op het kinnetje kreeg, werd onherroepelijk „weggezet”. In de latere jaren zijn er maar weinig boksers in ons land geweest, die zoveel „killing power” in hun linkse hadden als Willem. Het merkwaardige was echter, dat Willem een tamelijk slecht incasseur was. Hij had een paar glazen kaken. Zo was een gevecht van Westbroek dus altijd bijzonder emotioneel en de geweldige schare van Westbroek-vereerders leefde altijd tussen hoop en vrees of zijn favoriet k.o. zou gaan of diens tegenstander. Dat gevecht tussen Westbroek en Groeneweg is mij altijd bijgebleven. Van de bijpartijen herinner ik me er geen een meer. Ik kan me werkelijk geen enkele naam meer te binnen brengen van boksers, die in hetzelfde programma stonden, maar Westbroek-Groeneweg zie ik nog zó voor mij. Het werd een boeiend spel van rhythme en schoonheid. Het pakte me, het sleepte me mee. Ademloos keek ik naar die twee mannen. Ik zag voor het eerst boksen en was er voor gewonnen.

Mijn vrienden hadden me gewaarschuwd: boksen is alleen maar een sport, waar de onderwereld met haar sinistere aanhang naar gaat kijken. Ik wist nu, dat het niet waar was. Ja, ik zag ruwheid en geweld in de ring. Twee mannen, die elkaar op het gezicht slaan, kunnen niet anders dan een ruwe en een gewelddadige indruk maken, maar die ruwheid en die gewelddadigheid zijn in lijnrechte tegenstelling met het sportieve spel van mannelijke kracht, van steeds variërende bewegingen, van soepel ‘vloeiende lijnen, van zelfbeheersing en het afwegen van kansen. Die tegenstellingen leerde ik als schoonheid zien. Gelukkig eindigde de strijd niet met een knock out. Westbroek won op punten en na afloop heb ik hartstochtelijk mee-geapplaudiseerd.

Later heb ik Westbroek nog dikwijls in de ring gezien. Ik zag zijn serie knock outs tegen Hendrik Keyzer, tegen Jonkman, Groeneweg (in de revanche), tegen Krieger, Lenaers, Wilson Forfab. Ik zag zijn nare nederlagen tegen Battling Siki, zijn beide draws tegen de gevreesde Belg René Devos, zijn grote kampioensgevechten tegen Jansma, zijn strijd op leven en dood tegen Nol Steenhorst, waarin hij ten onrechte verliezer werd verklaard en ik zag ook zijn verschrikkelijke knock out tegen Hans Breiten-strater. Dat was in 1921. Na de eerste gongslag kwam Westbroek met uitgestoken handen op zijn tegenstander af voor een sportief shake hands. Breitenstrater negeerde dit gebaar. Zijn eerste de beste stoot was een voltreffer en Westbroek was volledig k.o., nog voor de strijd begonnen was. Breitenstrater bood onmiddellijk aan van voren af aan te beginnen, maar Wim voelde er niets voor tweemaal in één gevecht knock out te gaan en bedankte voor de eer. Maar bij alle sensatie en emotie, bij alle opwinding en bij alle teleurstelling ook, die ik in de loop der jaren als bewonderaar van Westbroek ondervonden heb, is me die eerste partij tegen Rinus Groeneweg toch het meest bijgebleven.

Het vorige jaar bij het weerzien der oude glorie, kwam Wim Westbroek als goede vijftiger nog eens tegen Jansma in de ring. Het publiek was even enthousiast als vijf en twintig jaar geleden en u gelooft het misschien niet, maar ik kreeg weer dat zelfde wonderlijke, nerv veuze gevoel,, dat ik alleen maar gehad heb, als Wim Westbroek bokste.

img212

Westbroek, zelfverzekerd kijkend als steeds, vóór zijn voor hem fatale gevecht met Kurt Prenzel waarin Willem in de 1ste ronde K.O. ging.

Westbroek, die goeie, fijne sportieve kerel, die altijd een beetje verlegen keek, net of hij “sorry” wilde zeggen, als zijn tegenstander uitgeteld lag, is voor mij een van de mooiste herinneringen aan de bokssport.

Jan Liber: In en om de bokssport

Jan Liber: In en om de bokssport
Amsterdam: Uitgeverij J.F. Duwaer & Zonen, 1958; 32 pag., foto’s.

Opeens had ik het weer in handen. Een boekje, eigenlijk meer een brochure, over de bokssport. Het zat aan de zijkant van een overvolle doos met boksboeken, vooral Nederlandse. In Cuba staan de bibliotheken vol met boeken en studies over het boksen, maar wij hebben dat niet. Of nog niet. Mijn boeken komen uit de winkel, of ik heb ze gevonden via Antiqbook.nl en een enkele keer dankzij Google. Het criterium is: boeken over boksen of over boksers in Nederland. Ik ga ze stuk voor stuk online zetten hier. Jan Liber als eerste.

“De eerste sportbokser uit de historie van de bokssport, waarover niet zo heel veel materiaal bewaard is, leefde in 450 voor Christus. Hij heette Theagenes van Thaois en hij was de eerste Olympische kampioen der klassieke Spelen. Volgens de overlevering bokste hij 1406 wedstrijden met de cestus, een zware ijzeren handschoen. De meeste van zijn tegenstanders werden in die gevechten gedood.”

Daarmee is de toon gezet: luchtig en terzake. Alleen wil je wel meteen weten waar Jan Liber dat allemaal vandaan heeft. Maar dat zegt hij niet, jammer genoeg. Dat getal: 1406 wedstrijden blijft intrigeren.

In de 32 pagina’s loopt Liber met grote stappen door de geschiedenis van de bokssport. De uitgave verscheen in een serie, dat het Nederlandse publiek vertrouwd moest maken met de achtergronden van de sport. Er waren veel uitgaven, onder andere over fietsen, voetballen, gymnastiek en zwemmen. Populaire boekjes, met veel foto’s, die fl. 1,75 kostten. Voor mijn exemplaar heb ik een veelvoud in euro’s betaald.

Jan Liber legt wat de bokssport in Nederland betreft de nadruk op het westen, vooral op Rotterdam. Gek is dat. Of er elders niet gebokst werd. Dat is wat je noemt een beperkte blik. En ik had graag wat foto’s van buitenlandse boksers ingewisseld voor Nederlandse boksers, zoals Herman van ’t Hof of Piet van der Veer. Grote namen, zeker toen, al hadden ze misschien geen 1406 wedstrijden op hun naam. Gelukkig is er een foto die veel goed maakt:

Het allermooiste moment uit Bep van Klaverens boksloopbaan. Getekend door de strijd tegen Dione neemt Neerlands beroemdste bokser afscheid van ‘zijn’ publiek.

Daarbij staat een mooi stuk, wat me nostalgisch stemde. Ach, toen leefde iedereen nog en Piet van Klaveren, destijds 27, was “vast van plan” om “zijn beroemde broer” na te volgen. Nu is die hele bijzondere generatie Van Klaverens weg. Maar toen niet: ten tijde van de uitgave (1958) had Bep nog maar drie jaar geleden zijn laatste wedstrijd gebokst, tegen Idrissia Dione, op 28 november 1955. Bep was toen 48 jaar, Dione 22 jaar jonger.

“De gehele wereld schreef er over. Nooit was zo iets in de historie van de ring vertoond. Van Klaveren verloor na een heroïsch gevecht en toen vond de Nederlandse Boksbond het welletjes. Men gaf hem geen toestemming voor meer wedstrijden. Er moest nu maar een streep onder.”

Tussen de regels door is het duidelijk wat Liber eigenlijk vond: een Bep van Klaveren hoor je niets te verbieden. Daar valt wat voor te zeggen.

Inhoudsopgave:
2 Er wordt gebokst zolang de wereld bestaat (De vader van de bokssport; Broughton-rules; Daniek Mendoza; John C. Heenan; Jem Mace)
4 Nieuw tijdperk (John L. Sullivan; Queensberry-rules; Voor het eerst handschoenen; J.J. Corbett; James J. Jeffries; Eerste neger wereldkampioen; Jack Dempsey; Joe Louis)
11 Boksen in Nederland (Oprichting Nederlandsche Boksbond; Piet van der Veer; Herman van ’t Hof; Bep van Klaveren; Luc van Dam, ander slag bokser)
30 Verval
32 Gewichtsindeling