Siem de Wit (interview)

(gepubliceerd in Den Haag Centraal, 3 september 2009 in de zomerserie waarin sporters over hun leven vertellen)

“Kampioen van Nederland in 1953”

Bij Siem de Wit is op de oud-Hollandse manier gezellig. In de huiskamer zat een groenleren bankstel en de muren hangen vol met schilderijen, vaak in grote goudkleurige lijsten. “Zelf geschilderd”, zegt Siem, “ze hangen tot in Griekenland toe, en ik had er meer mee kunnen doen maar daar had ik geen zin in.” Dat tekent de man. Geld en status trekken hem tegenwoordig niet meer aan. Hij vertelt me over zijn leven, en dat duurt lang. Laat in de middag ga ik pas weg. Er zit een boek in Siem de Wit, besef ik. De tegenstellingen in hem verbazen me, net als zijn opmerkelijke verleden als sporter: “In 1953 was ik nationaal kampioen worstelen, boksen en gewichtheffer van Nederland”. Siem de Wit is 73 jaar.

Na een woelig leven kijkt Siem de Wit om naar de jeugd. Hij heeft er geen diploma’s voor, maar dat houdt hem niet tegen. De jongeren hebben niks, vindt hij, de gemeente zorgt slecht voor ze. “Er moeten meer clubhuizen komen en dat moet de gemeente betalen. Dan hangen ze niet rond op straat om verkeerde dingen te doen. Ik zie het voor mijn ogen gebeuren. De een verkoopt wat aan een ander, dan nog een keer en dan zijn er weer twee het verkeerde pad op.”In een moeite door: “De sociale controle in de buurt moet terug. Als je als kind vroeger op straat speelde had je overal ooms en tantes en als je wat uithaalde, dan stond je er flink op. Dan zei een oom of tante dat aan je ouders. Nu heet iedereen buurman en buurvrouw. Beleefdheid telt niet meer. Wel als je op twee agenten schiet, dat betekent wat. Dan ben je opeens zó.” Met een paar zinnen legt Siem de reden van zijn betrokkenheid uit: “Ik was vroeger net zo. Alles wat fout kan gaan op straat, ken ik uit eigen ervaring.”

Voor zijn inzet heeft hij twee jaar geleden een lintje gekregen. Zegt hem helemaal niks. De stadsspeld die hij kreeg gaf hij aan een suikerpatiënt gegeven die speldjes verzamelt.

Kampioen
Dat foute kwam toen hij achttien was en het had wel en niet met zijn worstelen te maken. Eerst het worstelen. In de vroege jaren ’40 werd hij lid van KDO, Kracht Door Oefening.

“Dat zat aan de Hoefkade. Ik was tien, elf jaar toen ik begon. Het kostte 35 cent per maand. Daarvoor kon je drie keer per week komen trainen. Eerst had je warming up, door de zaal rennen en dan sloegen ze zo met een stok op de vloer voor de maat. Dan de grepen leren. Ik was Grieks-Romeins worstelaar, ik was sterk in mijn armen want ik werkte in de stratenmakerij. Bij KDO was het hartstikke fijn. Dat kwam ook doordat je niks anders had voor jongeren, behalve dan de boksschool van Jan Nicolaas. In die tijd had je ook veel bekende worstelaars in Nederland: Aad Hogenvorst. Jantje Krabbendijk. Kwintmeijer, Dolman, te veel om op te noemen.”

KDO fuseerde in de jaren ‘60 met een andere Haagse worstelvereniging: Simson. De naam leeft voort in het huidige Simson KDO dat in de Rubensstraat is gevestigd. Tegenwoordig zijn de competities zijn klein, net de publieke belangstelling. Siem heeft de glorietijd zelf meegemaakt, vertelt hij.

“Er waren overal wedstrijden en daar deed ik zo vaak mogelijk aan mee. In Den Haag was het vooral in Amicitia en in de oude Dierentuin. Die zaten dan stampvol, met wel tweeduizend mensen. In 1953 was ik nationaal kampioen boksen, worstelen en gewichtheffen van Nederland, categorie 68 kilo. Worstelen was een harde sport. Ik deed weleens een ‘citroentje’, dat is iemand oppakken en ondersten houden. Er waren jongens die zo hun nek braken. Bij mij is er ook eens iemand blijven liggen. Later is die greep verboden.”

Brandkasten
Dat was het worstelen. Nu het verkeerde pad. “Worstelen deed ik tot ik achttien was. Toen ben ik een beetje het verkeerde pad opgegaan. Je komt in de binnenstad, je ontmoet andere mensen, je gaat iets anders drinken, ik begon aan donker bier. Als er toen drugs waren geweest, had ik het genomen. Ik was haantje de voorstste in alles. Ik was heel sterk, kon goed vechten. Daarom noemden ze me de ‘koning van de Boekhorststraat’, wegens dat vechten. In die tijd begon ik meisjes leuk te vinden. Ik vond het ook leuk de blagueur uit te hangen tegenover meisjes, een kettinkje voor die, een dingetje voor een ander. Daar had ik geld voor nodig.”

Siem toont zijn armen met de tatoeages: vol met meisjesnamen. Een romantische man, maar ook eentje die het als jonge jongen niet zo nauw nam met de grenzen. Waar een ander een kantoorbaan had om zijn uitgaansleven te betalen, wilde Siem iets anders. “Ik ging me toeleggen op brandkasten kraken. Je snijdt ze open door met gas en zuurstof te branden.”

“Hoe ik wist waar iets stond? Je krijgt wel eens een tip van iemand. Je hoort weleens wat. Het openmaken, daar ging het me om. Ik herinner me een brandkast, daar ben ik mee bezig geweest van half tien ‘s avonds tot kwart over vijf in de ochtend. Toen stond ik te zweten of ze me uit het kanaal hadden gevist. Dat is de adrenaline, die gaat door je hele lichaam om die kast open te krijgen. Als dat lukt, is dat net een orgasme. Wat er in lag maakte me minder uit. Een keer had ik honderddertigduizend gulden. Dat was veel als je nagaat dat een flesje bier in die tijd 30 cent kostte.”

Levenswerk
Zo ging het leven verder. Het brandkasten kraken en de bijbehorende levenstijl hadden de plaats ingenomen van het worstelen. Het ging goed tot Siem in handen viel van justitie. “Een keer heb ik zeven jaar gezeten. De gevangenis was toen nog een echte gevangeis, streng, sober, je kreeg twee keer per week een pakje boter daar moest je het mee doen.”

De gemiddelde crimineel leert bij in de gevangenis en vervolgt zijn loopbaan. Zo niet Siem. Hij ontmoette een vrouw die, zoals hij zelf zegt “overwicht” op hem had. Door haar veranderde hij langzaam. Klaar en hij trouwden. “Wonderlijk is dat, de invloed van een vrouw.” Door haar en door hun kinderen kwam hij weer op het goede pad. “Ik ging me bemoeien met jonge gastjes die in de bagger zitten. Gewoon,omdat ik zag dat die kinderen er veel aan konden hebben. Ze moeten het goed hebben. Als ik wat kan doen, dan doe ik het. Er is zoveel dat de overheid laat liggen.”

In de loop der jaren groeide dit uit tot een nieuw levenswerk. Nadat zijn dochter overleed aan een overdosis, is hij meer dan ooit tegen drugs. Fel zegt hij: “Ik haat het. Drank ook.”

Daar praten we nog over door. Zijn kinderen, en vooral zijn kleinzoon die bij hem woont en voor wie hij zorgt. Jesse van veertien krijgt een even strenge als liefdevolle opvoeding. Ik zie ze samen, en het is een mooi stel. De kleinzoon, bijna even groot als zijn grootvader. De grootvader die vastbesloten is zijn kleinzoon op het goede pad te houden. “Hij traint bij Kamakura. En wat denk je? Hij is al jeugdkampioen Nederlands karate.” Siem kijkt trots, Jesse is verlegen.

Tegen een juffrouw van de krant zeg je dat niet zomaar. Ze kibbelen een beetje en dan sluip ik weg.

Vincent Stikkolorum (interview)

(gepubliceerd in Den Haag Centraal, 11 juni 2009)

De eerste honderd dagen van de nieuwe Nicolaas

Dinsdag 8 juni 2009 was voor Vincent Stikkolorum de dag met het gouden randje. Op die datum was hij honderd dagen lang eigenaar van Sportschool Nicolaas (Rijswijk), in 1938 opgericht door de bokser Jan Nicolaas. Vincent is modern, maar hij is vast van plan de oude tijden te laten herleven. Begin deze week formeerde hij zijn eigen wedstrijdteam. Allemaal boksers met ambitie. Team Nicolaas.

“Ik ben er geleidelijk in gegroeid”, vertelt Vincent Stikkolorum. “De laatste maanden voor de overname werkte ik al mee. Ik had wel gedachten over wat ik op de eerste dag wilde doen, maar als je hard gaat, loop je jezelf voorbij. Ik wilde het goed doen. Daarvoor had ik tijd nodig. Ik wilde met aandacht werken en goed nadenken over wat ik wilde en hoe ik dat ging aanpakken.” In eerste instantie veranderde hij wat lestijden, nam parttime docenten aan, verlegde accenten en dacht, zoals altijd, aan boksen. Daar komt hij vandaan, dat is zijn passie, al heeft hij een sportschool waarop inmiddels ook lessen zijn te volgen in uiteenlopende sporten als aerobic, jiu jitsu en het hippe dans-fitness zumba. “Ik moet commercieel zijn”, zegt Vincent bijna verontschuldigend. Dat is hij. Het resultaat? “Tien procent meer leden. Op dinsdag hangen ze hier uit het raam”.

Dinsdag, dan staat op het rooster: fitness, conditietraining en jawel, boksen. Nadrukkelijk zegt Vincent: “De mensen moeten zich hier thuis voelen, ik wil een goedlopende sportschool hebben. Boksen is mijn grote passie en liefde, daarin blijf ik ook bezig. Als ik me meer op de boksers kan gaan richten, is dat natuurlijk fantastisch. Recreant-boksers zijn welkom. Maar mij persoonlijk gaat het vooral om de wedstrijden”.

Dat zegt Vincent Stikkolorum met de nodige kennis. In 1992 was hij kampioen Zuid-Holland, dus hij heeft wel wat wedstrijdervaring. Hij weet wat het is, de wedstrijdwereld. Daar kwam ook Jan Nicolaas uit voort, die in 2001 op 89-jarige leeftijd overleed. Hij was een bokser wiens naam nog steeds ontzag afdwingt door het grote aantal partijen dat hij bokste en vaak won.

Nicolaas was amateur, prof, herhaaldelijk kampioen van Nederland, en daarna begenadigd trainer van andere boksers. Nog steeds is hij aanwezig in de sportschool die hij in 1938 oprichtte: aan de muren hangen posters en foto’s met zijn afbeelding. Dat heeft Vincent bewust zo gewild, traditie vind hij moois. Zeker in de bokswereld moet je het verleden in ere houden. Zeker het Haagse boksen is een schatkamer aan grote namen en boksscholen: Houwaart, de Haagse Directe, het boksen bij de Houtzagerij, de school van Leen Hoogenband en dan natuurlijk de onvergelijkbare school van John Kristallijn. Daar kwamen grote wedstrijdboksers vandaan.

Kampioen
Sinds afgelopen maandag bestaat dus het Team Nicolaas, onder leiding van Vincent Stikkolorum. Meer dan 21 boksers hebben zich aangemeld, al zal niet iedereen doorstromen naar een wedstrijd. Voor degenen die dat wel willen en kunnen, stelt Vincent doelen vast. Die zijn met opzet hoog gesteld: “Als je niet voor alles gaat, dan heb je niets”. Als uitleg: “Iedere jongen die dat in principe kan, moet kampioen van Nederland willen worden en naar de Olympische spelen willen gaan.” Ambitie. Daarbij hoort begeleiding. “Krachttraining, techniek, tactiek, theorie, wedstrijdsparren, sparring met opdracht, voeding”, somt hij op. Daarna komt een filosofisch verhaal over het verschil tussen trainen (“Je past dan gewoon je kennis toe”) en coachen (“Iemand die niet goed is, moet je beter kunnen maken. Daarvoor moet je ook een goede trainer zijn”), het belang van diploma’s en praktijkervaring en dan vertelt hij een spannende anekdote over Wim van Klaveren. Soms geeft hij iets prijs over zijn Team Nicolaas: “Er zit een jongen uit het Oostblok bij die meer dan 100 wedstrijden heeft gebokst”. Honderd dagen had Vincent Stikkolorum nodig om te komen waar hij nu is: aan de vooravond van grote veranderingen.

Zoon
Vincent bokst nu 20 jaar bij Nicolaas. Hij begon als jongen van 14 jaar; zelfs kreeg hij les van de oude bokser zelf. En daarvoor? “Mijn vader was gek van boksen. Hij leerde me stoten zetten. Ik was toen 6, 7 jaar. Zo kreeg ik het met de paplepel ingegoten.” Hier herhaalt zich de geschiedenis, want Vincents zoon Tijmen heeft zijn eigen bokshandschoenen, al is hij pas anderhalf jaar. “Als hij ze ziet, wil hij ze aan”, zegt Vincent Stikkolorum trots. Om er dan haastig aan toe te voegen: “Maar we laten hem vrij. Als hij balletdanser wil worden, vinden we het ook goed”.