Haagse zwaargewichten (artikel)

(Gepubliceerd in Den Haag Centraal, 20 mei 2009)

Maandagavond was het druk in boksvereniging De Haagse Directe aan de Newtonstraat. Zwaargewichten Richel Hersisia en Fred Westgeest stonden voor het eerst sinds tijden tegenover elkaar in de ring. Twee bekende boksersnamen in Nederland en zeker in Den Haag. Westgeest, voormalig Nederlands kampioen (1994), heeft een profcarrière van 7 jaar achter de rug, waarvan 25 wedstrijden gewonnen en slechts 4 verloren. Hij stond tegenover Hersisia alias ‘the Dutch Sonny Liston’, oud-titelhouder WFB wereldkampioen, en in training voor het Ben Bril Gala in oktober.

“bijzondere zwaargewichten in de Haagse Directe”

Het was een groot besluit voor Fred Westgeest om na een lange afwezigheid terug te gaan naar de Haagse Directe. Alleen om te sparren, dus geen wedstrijd, maar toch. Evenzogoed sta je in de ring tegenover een ander die net zo naar jou kijkt als jij naar hem.

“Boksen is hard,” zegt Westgeest. “Dat blijft. Ik vond het een moeilijke stap. Je bent jaren met die sport bezig geweest en dan sta je opeens weer in een ring. De druk van de wedstrijd was er niet maar het heeft wel veel impact. De nacht erna was ik geestelijk aan het naboksen.”

Het lijkt of er, na de afsluiting van zijn boksloopbaan, veranderingen op komst zijn. Fred droomt ervan de sportschool van Harry van der Hulst (Wassenaar) over te nemen, ooit, als Harry stopt en natuurlijk als zijn dochter het niet overneemt. “Pas dan kan ik mijn beroep ervan maken”, zegt Fred beslist. “Nu gaat dat niet.” Hij heeft een vriendin en een zoontje dat net één jaar is geworden. Daar wil hij bij zijn.

Maar het boksen laat hem niet los. Dat hij geen wedstrijden meer gaat doen, is evenwel zeker: “Die druk hoef ik niet meer terug. De nacht voor de wedstrijd sliep ik altijd beroerd, je denkt dat je doodgeslagen gaat worden. Ja, als de wedstrijd voorbij is dan denk je daar niet meer aan. Vooral niet als je hebt gewonnen en ik won meestal. Ik moest van mezelf altijd winnen, ik legde de lat heel hoog. Dat was een zware druk. Nu hebben ze allemaal een team met psychologische begeleiding maar in mijn tijd dachten ze daar niet aan. Na de wedstrijd stond ik weer te metselen, net zoals ik nou nog steeds doe.”

Toen hij in 2002 afscheid had genomen van de bokssport, hoefde Fred niets meer met boksen te maken hebben. “Drie jaar lang heb ik me ervoor afgesloten. Op een dag liep ik weer een boksschool in en alles was er nog, de techniek, de kracht en de motivatie om te winnen.” Een beetje trainen, een beetje sparren, verder ging het niet, Westgeest bleef afstand houden.

Tot kort geleden Chris van Veen van de Haagse Directe opbelde. Of hij kwam sparren met Richel Hersisia. Wat zeg je dan? Een tegenstander van formaat, en een bekende. Hersisia maakte in 2001 zijn debuut als prof op een boksgala dat ter ere van Westgeest was georganiseerd. Sindsdien waren ze elkaar op wedstrijden tegengekomen. Tussen hen bestaat een paar jaar verschil. Beide harde boksers, meestal winnend door knock out. Westgeest ging en stapte de ring in.

In de ring
Het is imponerend om de twee tegenover elkaar in de ring te zien. Ze zijn groot, sterk en duidelijk van plan zich te laten gelden. Elkaar niets toe te geven. Hersisia gaat meteen los, plaatst hard en raak combinaties van stoten. Chris van Veen vermaant: “Elkaar niet raken!” Hersisia, quasi-verontschuldigend: “Ik wil kijken wat hij heeft.” Westgeest en Hersisia draaien om elkaar heen. Nog is het plagen, een schijnbeweging uitproberen, kijken of de ander hapt. Het leuke verdwijnt wanneer het aftasten voorbij is.

Dan zijn ze serieuzer, meer geconcentreerd. Westgeest zweet snel, hij heeft last van zijn overgewicht, maar alles wat hem aan de top bracht heeft hij nog paraat: het voetenwerk, de combinaties, de snelheid waarmee hij reageert. Alleen de conditie laat te wensen over. Dat is een kwestie van tijd; hij gaat tegenwoordig om de dag hardlopen. Hersisia en Westgeest sparren, maar tijdens het sparren zal iemand de beste zijn. Of de snelste. De sterkste. In elke ronde is dat een ander, ze zijn aan elkaar gewaagd. Dat ze in een boksschool staan, zijn ze vergeten. Ze zien alleen elkaar. Dat de trainers combinaties omroepen in de zaal, gevuld met boksers en recreantenboksers, dat lijken ze niet te horen, maar toch volgen ze die aanwijzingen op.

Links rechts. Hoeken erbij. Alleen linkse directe. Duiken, twee keer, dan de ander. Stoten op de maag. Let op je voetenwerk. Hou je verdediging gesloten. Snel instappen, stoot zetten, en weer weg. Hier ziet alles er zo natuurlijk uit, dat de boksers in de tweede ring ophouden met trainen en in de touwen gaan hangen om te kijken. Dit zien ze niet vaak bij de Haagse Directe. Later zal Fred Westgeest zeggen: “Hersisia weet wat ik voel. Hij weet alles. Ik kan met hem lezen en schrijven. Wij zijn de enige twee zwaargewichten van Nederland die aan elkaar gewaagd zijn. Tussen ons bestaat er rivaliteit. Een vijandschap, maar op een sportieve manier.”

Het sparren gaat steeds harder en sneller. De vloer van de ring ligt vol met druppels. Ze geven elkaar niets toe. Dan gaat de bel. Pauze.

Tough love
Tegelijkertijd met Fred stapte een nieuwe generatie Westgeest de boksschool binnen. Zijn neef, Robin Westgeest (16), komt ook trainen en gaat natuurlijk met zijn oom sparren. Fred houdt zich een beetje in, maar evenzogoed blijft zijn rechte directe hard. Het is tough love. Oom aait niet. Weer komt die rechtse directe en dan moet Robin het beter doen. Duiken om de stoot van je tegenstander te ontwijken.

“Kijk zo”, doet Fred voor, “kom op”. Robin wil later wedstrijden vechten, maar eerst komen de schoolexamens. Daarna kan hij vaker trainen en dan, wie weet. Het leven van een profbokser stelt hoge eisen aan een mens. Intussen leert hij hoeken zetten van oom Fred. Robin kijkt en luistert. Tegen Hersisia stapt hij nog even niet de ring in.

Scherp blijven
Richel Hersisia woont in Den Haag maar is in Nederland nauwelijks te zien als bokser. De laatste keer was in 2005, waar hij in Rotterdam won van Vitaly Shkraba door knock out in de zesde ronde. Hij wint vrijwel altijd, en daardoor heeft hij een indrukwekkend aantal titels op zijn naam staan, op nationaal en internationaal niveau. Wie op dat hoge niveau wil blijven winnen, moet scherpte behouden en daarvoor heb je goede tegenstanders nodig.

Hersisia vindt die nauwelijks in Nederland: “Er is hier niemand op mijn niveau met uitzondering van Fred Westgeest. Vorig jaar september heb ik mijn hand gebroken, daarna heb ik een tijdje weinig getraind om te kunnen herstellen. Dat is gebeurd”. Nu traint hij sinds afgelopen maandag op de Haagse Directe: “Voor conditie en souplesse. Als het gevecht dichterbij komt, heb ik jongens van mijn niveau nodig, om me scherp te maken. Ik wacht ook af hoe Chris mij trainen wil. Een trainer moet corrigeren, aandacht geven. Dat gaat niet samen met tegelijkertijd lesgeven”.

Het boksleven in Nederland staat in schril contrast met het luxebestaan dat voetballers leiden. Verdient een linksbuiten bij FC Volkstuintje al snel een ton per jaar, een topbokser als Hersisia heeft er noodgedwongen een baan naast.

“Veertig uur per week”, zegt hij rustig. “Als je grote gevechten hebt, neem je een paar weken vrij zodat je helemaal kunt concentreren. In het begin van mijn carrière had ik een contract in Denemarken, terwijl ik hier mijn baan had. Als ik naar Denemarken vloog, sloeg ik ze er toch allemaal uit.” Hoe dan ook, het blijft erg jammer voor boksland Nederland dat profs naar het buitenland moeten uitwijken. Hersisia vertelt over trainingsmaanden in Duitsland, over tegenstanders zoeken in heel Europa en dan heeft hij het nog niet eens over Amerika.

“Weet je,” zegt hij, “het is niet zo dat ik vroeger plannen maakte om de wereld te veroveren. Je begint met boksen omdat je hart daar ligt. Wanneer je ziet dat je talent hebt en het lukt je om te winnen, dan ga je verder. Zo heb ik het gedaan. De promotors van het Ben Bril Gala willen me hebben omdat ze het kaliber van mijn tegenstanders hebben gezien.” En dat van hemzelf, maar dat zegt hij niet hardop. Wat volgt er daarna? Hersisia zwijgt. Kalm aan met die vragen.

Volgende week is hij weer op de Haagse Directe, misschien met Fred en zeker met de anderen die daar ook trainen.

Nieuw zweet
De Haagse Directe is, om precies te zijn, de vereniging De Haagse Directe. Hier trainen sinds bijna tien jaar boksers. Om wedstrijden te doen, zeker, maar ook om het plezier in de sport, uit recreatie dus. Binnen de muren van de vereniging gaat dat goed samen. Lesgeven en trainen bestaat naast elkaar, dat is de democratie die er heerst sinds de eerste dag. Dat is meegenomen van de legendarische boksschool van John Kristallijn, waar vooral veel (voormalige) wedstrijdboksers vandaan komen. Ook Westgeest en Hersisia trainden daar. Die boksschool bestaat helaas niet meer.

Kortgeleden zond TV West een documentaire uit over boksers van de Haagse Directe die nog één keer teruggingen naar de school van Kristallijn. “Oud Zweet” heette de documentaire waarin de oude glorie herleefde. Een mooie titel, die uitnodigt om het vervolg te maken: ”Nieuw Zweet”, dat afkomstig is uit de Newtonstraat waar de Haagse Directe zit. Waar behalve mannen als Fred Westgeest en Richel Hersisia, iedereen welkom is die de boksport liefde toedraagt.

Fred Westgeest (interview)

(Verscheen in Den Haag Centraal op 2 augustus 2009, in de zomerserie waarin sporters terugkijken)

Neem nou Fred Westgeest. De lezeressen van Cosmopolitan, Viva en Linda mogen hopen dat de ideale man toch bestaat. Fred kan koken en metselen, hij is lief voor poezen en kleine kinderen en hij praat uit zichzelf over zijn gevoelens. Hij gaat goed om met zijn ouders die twee huizen verderop wonen. Bij dit alles komt nog dat ik het geen straf vind om naar Fred te kijken. Er is echter een aandachtspuntje. Fred slaat graag anderen knock-out. In de ring. Hij is in 1994 bokskampioen van Nederland geweest, categorie zwaargewicht. Fred zei, dat ik zijn zoontje best even op schoot mocht nemen. Hij kreeg zo de handen vrij om zijn plakboeken te openen. Terwijl ik luisterde naar Fred die hardop telde hoeveel tegenstanders hij gevloerd had, zei ik verbaasd tegen junior: “poelepoelepoele”. Het werd een gedenkwaardige middag.

“Als je wint, ben je blij, hoe rot het ook voor de ander is”

“In 2002 had ik mijn 49ste wedstrijd, met de amateurpartijen erbij geteld en het was als prof mijn 25ste wedstrijd. In de eerste ronde ging Levin neer, ik denk, dat maak ik mooi af, maar hij kwam keihard terug. Aan het einde van de vierde ronde raakte hij me boven mijn oog, en hoe is het met een oog, als dat volloopt met bloed dan zie je niks meer. De wedstrijd wordt even gestopt, maar met de volgende klap loopt het oog weer vol. In de vijfde ronde ging ik weer neer. Ik zakte op een knie en op dat moment dacht ik, ik stop ermee. Dat is geen leuke manier om te stoppen. Met verlies”. Fred Westgeest moet je eigenlijk horen. Hij is een klassieke bokser-verteller, die een verhaal theatraal kan brengen. Je vergeet bijna dat het over zijn eigen leven gaat. Fred vertelt wat er daarna gebeurde.

“Chris van Veen van Haagse Directe heeft een afscheidspartij voor me georganiseerd. Daarna ben ik drie jaar niet in een boksschool geweest. Ik wilde er niks meer mee te maken. Wat ik toen deed… zo hard mogelijk werken. Ook ‘s avonds. Voor boksen sloot ik me af”.

Droom
Tegenwoordig werkt Fred volle dagen als metselaar in het familiebedrijf Westgeest. Vroeg opstaan, zijn uren maken, hardlopen voor de conditie en thuis is er zijn vriendin Wilma en hun zoon Fred jr. “Ik heb haar ontmoet nadat ik gestopt was. Ze wist gelukkig niet wie ik was”. Verliefd, samenwonen en samen een nieuw leven begonnen. Fred leest en pokert; hij gaat regelmatig hardlopen. Of hij de tijd van toen mist? “Soms. Ik was een bekende Nederlander, zat bij Barend en Van Dorp en op straat herkende de mensen me. Dat is weg. Maar ik ga niet opnieuw wedstrijden doen. De druk daarvan kan ik missen. Ik moest van mezelf altijd winnen en dan leg je de lat natuurlijk hoog. Als ik wist dat ik over twee maanden een wedstrijd had, dacht ik al die tijd aan niets anders”.

Soms lijkt dat van vroeger wel een droom, denkt Fred. Vooral als hij tijdens de schaft aan de bouwvakkers over zijn boksersleven van toen vertelt. Is hij nou een metselaar of is hij ook een bokser? In 2002, stond hij in het American Square Garden, toch een bokswalhalla, en wat denk je, vertelt de tegenstander dat hij een staf om zich heen had, een trainer, een looptrainer, een psycholoog. Nou, Fred bokste en daarna ging hij gewoon weer terug naar de bouw. Toch heeft hem dat wel aan het denken gezet: “Als ik in Amerika had gebokst, was ik veel verder gekomen. Of in Duitsland. Daar bokste ik in een zaal met meer dan tienduizend mensen en de dag erna stond ik weer te metselen. Dat waren mijn twee werelden, boksen en metselen.”

Kampioen
Fred begon te boksen toen hij achttien was, dat is oud voor een bokser. Eerst bleef hij naar feestjes gaan, bier drinken. Totdat John Kristalijn, de trainer van de gelijknamige boksschool hem duidelijk maakte dat winnaars een andere levensstijl hadden. Fred: “Toen heb ik 13 jaar niet meer gedronken”. Hij deed wat er van hem verlangd werd: ‘s morgens hardlopen, metselen, naar de boksschool om te trainen, laat thuis, eten en om negen uur naar bed. Altijd hetzelfde, een half jaar lang.

“Op een zaterdagavond belde John Kristalijn me op en zei dat ik de dag erop moest boksen. Het werd mijn eerste wedstrijd. Ik won. Daarna zei John, hou je gereed, want maandag moet je misschien invallen. Die wedstrijd won ik op knock out in de derde ronde. Ik vertrouwde mijn trainer blindelings. Als hij zei, je kunt winnen, dan hoefde ik verder niets te weten over mijn tegenstander, niet eens zijn naam. Dan stapte ik zo de ring in”.

Zeven gouden jaren volgden, waarin Fred onder andere kampioen van Nederland werd. Hij won de ene wedstrijd na de andere won, vaak op knock out. “Dat vond ik heerlijk, want dan kwam alles eruit van de training. Tegen Saleta had ik wel tweeduizend keer mijn links-rechte directe geoefend en als je dan daarmee wint, dat is wat hoor. Het is heerlijk om iemand knock out te slaan. Dat is het mooiste dat er is. Je weet meteen dat je gewonnen hebt. Daar trainde ik op, om iemand zo hard mogelijk te slaan. Het is hij of ik. Als je wint, ben je blij, hoe rot het ook voor de ander is. Voor mijn tegenstander had ik altijd het grootste respect. Ik gaf hem altijd een hand”.

De Olympische Spelen lokten, maar Fred zou dan zijn eigen trainer niet mogen meenemen. Daarom werd hij in 1986 prof. Fred stond in Duitsland, Amerika, Polen en in Rusland. Hij trainde met Harry van der Hulst en met Chris van Veen. En hij bleef metselen. Tot dus dat ene moment in de ring kwam waarop hij stopte. Abrupt.

Naboksen
Het huis waarin Fred met zijn gezin woont, heeft hij grotendeels zelf gebouwd. De aanbouw, de vissenvijver, de vloer in de grote woonkamer tot en met de tegels in de wc, wat Fred ziet met zijn ogen, dat kunnen zijn handen maken. Van dat andere leven getuigen zijn plakboeken en het grote schrift waarin hij al zijn wedstrijden noteerde. Als hij met zijn vinger over de regels gaat, zegt hij wat er in welke ronde gebeurde, hoe de uitslagen waren. Wat voor publiek er was. De scheidsrechter. Maar ook vertelt hij het verhaal dat de foto’s en het schrift niet weten, het verhaal dat gaat over de schaduwzijde van het boksen.

Want elke nacht na de wedstrijd, kwam de echte tegenstander langs en dat gevecht duurde de hele nacht. Die tegenstander was hijzelf. Ik kijk gefascineerd naar deze sterke man van meer dan twee meter lang, en probeer me de verschrikkingen van zo’n nacht voor te stellen. Hoe donker dat was. De flashbacks van momenten uit de wedstrijd waarop hij in gevaar kwam. Die steeds opnieuw te moeten beleven, zonder zich deze keer te kunnen verdedigen. Hij vertelt over liters vocht uitzweten van angst.

Dat “naboksen” zoals hij het noemt, is de echte reden waarom Fred nooit meer een wedstrijd wil boksen, ook al zou het kunnen. Inmiddels traint hij weer een beetje, zegt hij, maar rustig aan. Ik vraag of zijn zoontje later mag boksen. Fred junior is groot voor zijn leeftijd, er groeit vast een zwaargewicht uit hem. “Misschien”, aarzelt Fred, “als hij het echt wil. Alleen geen voetballer, dat is me te agressief”.

De familie van de Haagse Directe

(Verschenen in Den Haag Centraal, 19 juli 2007)

Nog een paar weken, en dan zit de boksschool Haagse Directe een jaar in de Newtonstraat. Het was even wennen maar nu lijkt het gewoon. Avond na avond is de school open. Er komen trainers, boksers en degenen die dat willen worden. Ze zijn in de ban van een sport die altijd vragen oproept. Boksen, waarom zou een mens zoiets nou willen?

Op maandagavond opent Martin Lek meestal als eerste de deur. Hij is een van de trainers bij de Haagse Directie en op die avond zit is hij er vaak, zoals gewoonlijk beginnend met de contributie te innen. Hij zit achter de tafel in de algemene kleedkamer, ervoor wacht een rij boksers en boksers in-de-dop. Vijf euro. Per week. Cash betalen, graag. Veel is het niet en de administratie geeft ruimte voor ad hoc beslissingen. “Het hoeft niet zo strak,” zegt Martin, “als de kas uiteindelijk maar klopt”. Zo gaat dat daar. “We zijn een familie”, vindt Chris van Veen, ook trainer. “Hij doet het meeste”, zegt Martin en dat is zo.

Na het ritueel van betalen stroomt iedereen verder. Verkleden, de grote zaal in waar twee boksringen staan en rijen zakken hangen. Opwarmen. Dan begint de training. Stoten oefenen, en dan reeksen van stoten. Sommigen gaan meteen de ring in. Overal is een trainer die toezicht houdt. Chris kijkt de zaal in en zegt: “Je ziet in een training snel hoe iemand is. In bedrijven geef ik boksclinics en dan weet ik meteen wie er op het werk de kantjes vanaf loopt”.

Kracht en zwakte
Martin en Chris zijn vanaf het prille begin betrokken geweest bij de boksvereniging. Ze vullen elkaar aan. Chris denkt en doet duizend dingen tegelijk, Martin is nuchterder. Vrienden, jawel, “maar we gaan niet met elkaar op vakantie”, verduidelijkt Martin. Wat ze aan elkaar hebben weten ze precies, ook doordat ze vier keer tegenover elkaar hebben gestaan in de ring. Elk twee keer verloren en gewonnen, een mooi evenwicht. Daar leerden ze elkaars kracht en zwakte kennen. Chris over Martin: “Hij gaat voor niemand opzij. Ik wel, ik krijg liever geen klappen”. Martin: “Nou, ik heb gewoon een hoge pijngrens. Dat zit bij ons in de familie. Maar ik sta niet in de ring om iemand schade toe te brengen”.

Alles wat er op de Haagse Directe gebeurt, staat in dienst van de sport. Van de contributie moeten de huisvestigingskosten worden betaald, soms een bijdrage als “een van ons” een wedstrijd heeft en laatst zijn alle zes trainers naar Cuba gegaan, het bokswalhalla. Het is duur, zucht Chris, maar ze komen er. Het kost wel veel tijd, reken maar uit, een volle baan erbij en dan ‘s avonds vaak hier zijn, de wedstrijden in het weekend, er is altijd wel iets dat zijn aandacht vraagt, de telefoon staat ook nooit een uur stil. Gelukkig dat de website tenminste geen onderhoud vraagt, die heeft een van de jongens hier gemaakt. Het is er gezellig, al klinkt dat raar voor de hardheid die het boksen ook heeft. Je slaat. Je wordt geslagen. Je kunt knock out gaan. Natuurlijk zijn er regels, maar die veranderen niets aan dat ene moment waarop je je tegenstander ziet. Wat gebeurt er met je? Ben je bang en houdt daarmee alles op? Of zet je een stap naar voren? In de ring, tijdens de training en gedurende de clinics kweek je karakter. Als dat nodig is.

Bokshistorie
De boksschool is voortgekomen uit het gemeenschappelijke boksverleden van Martin en Chris. Ze trainden bij Kristalijn, een beroemde school uit de Haagse bokshistorie. Tamelijk abrupt zouden daar de deuren gesloten worden. “Toen namen wij het over,” vertelt Chris, die het nog levendig voor de geest staat.

Martin luistert mee en vult aan. Chris: “Ik was toen profbokser. Nee, ervan leven kon ik niet. Regilio Tuur heeft het redelijk gedaan maar dat is een uitzondering. Voor voetballers ligt het in Nederland anders maar een bokser verdient meestal weinig geld. Daarom had ik er een baan bij als vuilnisman. ‘s Morgens rende ik om half zes vanuit Nootdorp naar mijn werk en dan begon ik om kwart voor acht met vuilniszakken te gooien en daarna ging ik boksen. Dat heb ik 14 jaar gedaan.” Martin: “Ik heb een loodgieterbedrijf. Van de school leven gaat niet. Wij zijn allemaal vrijwilligers”.

Chris weer: “Toen Kristalijn ermee ophield, hadden Martin en ik ook de leeftijd dat de profcarrière afliep. Ik deed alles wat mijn trainer zei, dus toen hij vond dat ik het moest overnemen, deed ik dat. Al snel met Martin samen, want alleen was te zwaar. We vonden het ook wel stoer. Had je opeens je eigen boksschool.” Zakelijk gezien duurde het even voordat alles geregeld was; tot op de dag van vandaag gonst het in Den Haag van de geruchten over wat er destijds werkelijk gebeurde.

Vertrouwen
In de school aan de Newtonstraat beginnen ze bijna aan het tweede jaar. Leden genoeg. De recreatiemensen, mannen en vrouwen, en ook de profboksers en de aanstaande profboksers.

Prof Mohammed El Farouni traint er vrijwel dagelijks onder de leiding van Chris: “Zonder hem was ik al lang gestopt met wedstrijdboksen. Het is een harde wereld en veel managers gebruiken je alleen om geld te verdienen. Bij Chris ligt dat anders. Hij is een vriend van me. En omdat hij zelf profbokser is geweest, weet hij precies hoe een bokser naar de top kan en moet worden gebracht. Dat doet hij met mij. Zonder hem was ik nooit vier keer Nederlands kampioen geweest. Chris vertrouw ik.”

En er is de achttienjarige Michel Klaui, sinds kort in het bezit van zijn HAVO-diploma, en al twee jaar in de ban van het boksen. “Een vette sport”, zegt hij, een beetje onwennig om zoiets vanzelfsprekends uit te moeten leggen. “Vroeger heb ik wel kickboksen gedaan, maar dit is gewoon meer mijn sport. Ik werd meteen bloedfanatiek.” Dat betekent: trainen, wedstrijden en later – dat hoopt hij – een titel. Hoe ver zijn ambities reiken? “Laat ik eerst maar Nederlands kampioen worden, dat is haalbaar als ik goed doortrain.”

Chris hoort het aan. Martin knikt. Misschien een nieuwe Haagse kampioen. Aan de Haagse Directe zal het niet liggen. Ze dwingen niemand. Maar als het kan? Ja, dan liggen de kaarten anders. Chris: “Wil iemand graag en is er talent, dan zoek ik de tegenstander in eerste instantie uit. Na het eerste gevecht praten we verder”. Het blijven uitzonderingen, zeggen ze. Bij De Haagse Directe gaat het om de gezelligheid. Het boksen. En of je karakter hebt.

Vincent Stikkolorum (interview)

(gepubliceerd in Den Haag Centraal, 11 juni 2009)

De eerste honderd dagen van de nieuwe Nicolaas

Dinsdag 8 juni 2009 was voor Vincent Stikkolorum de dag met het gouden randje. Op die datum was hij honderd dagen lang eigenaar van Sportschool Nicolaas (Rijswijk), in 1938 opgericht door de bokser Jan Nicolaas. Vincent is modern, maar hij is vast van plan de oude tijden te laten herleven. Begin deze week formeerde hij zijn eigen wedstrijdteam. Allemaal boksers met ambitie. Team Nicolaas.

“Ik ben er geleidelijk in gegroeid”, vertelt Vincent Stikkolorum. “De laatste maanden voor de overname werkte ik al mee. Ik had wel gedachten over wat ik op de eerste dag wilde doen, maar als je hard gaat, loop je jezelf voorbij. Ik wilde het goed doen. Daarvoor had ik tijd nodig. Ik wilde met aandacht werken en goed nadenken over wat ik wilde en hoe ik dat ging aanpakken.” In eerste instantie veranderde hij wat lestijden, nam parttime docenten aan, verlegde accenten en dacht, zoals altijd, aan boksen. Daar komt hij vandaan, dat is zijn passie, al heeft hij een sportschool waarop inmiddels ook lessen zijn te volgen in uiteenlopende sporten als aerobic, jiu jitsu en het hippe dans-fitness zumba. “Ik moet commercieel zijn”, zegt Vincent bijna verontschuldigend. Dat is hij. Het resultaat? “Tien procent meer leden. Op dinsdag hangen ze hier uit het raam”.

Dinsdag, dan staat op het rooster: fitness, conditietraining en jawel, boksen. Nadrukkelijk zegt Vincent: “De mensen moeten zich hier thuis voelen, ik wil een goedlopende sportschool hebben. Boksen is mijn grote passie en liefde, daarin blijf ik ook bezig. Als ik me meer op de boksers kan gaan richten, is dat natuurlijk fantastisch. Recreant-boksers zijn welkom. Maar mij persoonlijk gaat het vooral om de wedstrijden”.

Dat zegt Vincent Stikkolorum met de nodige kennis. In 1992 was hij kampioen Zuid-Holland, dus hij heeft wel wat wedstrijdervaring. Hij weet wat het is, de wedstrijdwereld. Daar kwam ook Jan Nicolaas uit voort, die in 2001 op 89-jarige leeftijd overleed. Hij was een bokser wiens naam nog steeds ontzag afdwingt door het grote aantal partijen dat hij bokste en vaak won.

Nicolaas was amateur, prof, herhaaldelijk kampioen van Nederland, en daarna begenadigd trainer van andere boksers. Nog steeds is hij aanwezig in de sportschool die hij in 1938 oprichtte: aan de muren hangen posters en foto’s met zijn afbeelding. Dat heeft Vincent bewust zo gewild, traditie vind hij moois. Zeker in de bokswereld moet je het verleden in ere houden. Zeker het Haagse boksen is een schatkamer aan grote namen en boksscholen: Houwaart, de Haagse Directe, het boksen bij de Houtzagerij, de school van Leen Hoogenband en dan natuurlijk de onvergelijkbare school van John Kristallijn. Daar kwamen grote wedstrijdboksers vandaan.

Kampioen
Sinds afgelopen maandag bestaat dus het Team Nicolaas, onder leiding van Vincent Stikkolorum. Meer dan 21 boksers hebben zich aangemeld, al zal niet iedereen doorstromen naar een wedstrijd. Voor degenen die dat wel willen en kunnen, stelt Vincent doelen vast. Die zijn met opzet hoog gesteld: “Als je niet voor alles gaat, dan heb je niets”. Als uitleg: “Iedere jongen die dat in principe kan, moet kampioen van Nederland willen worden en naar de Olympische spelen willen gaan.” Ambitie. Daarbij hoort begeleiding. “Krachttraining, techniek, tactiek, theorie, wedstrijdsparren, sparring met opdracht, voeding”, somt hij op. Daarna komt een filosofisch verhaal over het verschil tussen trainen (“Je past dan gewoon je kennis toe”) en coachen (“Iemand die niet goed is, moet je beter kunnen maken. Daarvoor moet je ook een goede trainer zijn”), het belang van diploma’s en praktijkervaring en dan vertelt hij een spannende anekdote over Wim van Klaveren. Soms geeft hij iets prijs over zijn Team Nicolaas: “Er zit een jongen uit het Oostblok bij die meer dan 100 wedstrijden heeft gebokst”. Honderd dagen had Vincent Stikkolorum nodig om te komen waar hij nu is: aan de vooravond van grote veranderingen.

Zoon
Vincent bokst nu 20 jaar bij Nicolaas. Hij begon als jongen van 14 jaar; zelfs kreeg hij les van de oude bokser zelf. En daarvoor? “Mijn vader was gek van boksen. Hij leerde me stoten zetten. Ik was toen 6, 7 jaar. Zo kreeg ik het met de paplepel ingegoten.” Hier herhaalt zich de geschiedenis, want Vincents zoon Tijmen heeft zijn eigen bokshandschoenen, al is hij pas anderhalf jaar. “Als hij ze ziet, wil hij ze aan”, zegt Vincent Stikkolorum trots. Om er dan haastig aan toe te voegen: “Maar we laten hem vrij. Als hij balletdanser wil worden, vinden we het ook goed”.