Moeten vrouwen rokjes aan?

Deze column verscheen eerder in 2012 op HaagseTopsport.nl

Je bent een vrouw, je doet aan karate en je hoort van de bond dat je tijdens wedstrijden voortaan een rok moet dragen. De judovrouwen krijgen hetzelfde nieuws. Het moet, zegt de bond, want dat staat zo veel vrouwelijker. Bizar? Welnee. Die discussie moeten boksende vrouwen momenteel aanhoren.

Alles dat vechtsport beter en aantrekkelijker maakt, daar ben ik vóór. Duizend procent. Zonder meer. Laat dat duidelijk zijn. Vooruitgang is de redding van elke sport. Wie kan er tegen vooruitgang zijn? Niemand.

Nu gaan we een stapje verder. Is het een vooruitgang om vrouwen in een rok te laten vechten? Als een rok goede wedstrijdkleding is, hebben mannen er ook recht op. Daar horen we geen enkele boksbobo over. En dat terwijl we sinds die televisieserie Gladiator allemaal weten hoe een vechter in rok eruit ziet. Maar omdat het alleen over vrouwen gaat, is er iets anders aan de hand. We moeten vrezen dat het de boksbobo’s zijn, de mannetjes die graag naar vrouwen in rokjes kijken. Op zich is daar niks mis mee. Dat is de doelgroep van een hele industrie aan moddervechtende meisjes, en ook de Wallen doen dankzij dit soort mannetjes goede zaken. Maar kunnen die seksbeluste mannetjes van onze vechtsportvrouwen afblijven?

De grote boksbond AIBA presenteerde een kledinglijn van rokken voor boksvrouwen, dit met het oog op de Olympische Spelen volgend jaar. Dan staat boksen voor vrouwen op het programma. Je zou zeggen, dat is aantrekkelijk genoeg. De wereldtop van de amateurs treedt dan tegen elkaar aan, en hoe indrukwekkend dat is hebben we kort geleden bij het EK in Rotterdam gezien. Daar schitterde Marichelle de Jong die een gouden medaille won. In rok? Nee. In broek. Gewone bokskleren. In The Wall Street Journal zei ze erover: “Als ze vrouwen in rokken willen zien, dan gaan ze maar ergens anders heen”.

Treffend samengevat.

Geen enkele vrouw gaat de boksring in om mooi te zijn. Of sexy. Ze gaat om te winnen, en dan draagt zij kleding die dat gemakkelijk maakt. Tenzij de grote AIBA de regels verandert, natuurlijk. Kunnen ze best. Vandaag zijn de rokjes vrijwillig, maar wie weet is het een week voor de Olympische Spelen opeens verplicht. Van die kekke korte rokjes, daar denken de AIBA-bobootjes nu al verlekkerd aan, en dan ook verplichte onderbroekjes, en eh… misschien een strak shirtje erbij. Je begrijpt meteen wat ze daar eigenlijk vinden over vrouwen die boksen. Met sport heeft het niks meer te maken. Want die bobootjes, o, die bobootjes!

Gerard Gordeau (interview)

(Gepubliceerd in Den Haag Centraal op 16 juli 2009, in een zomerserie waarin sporters vertellen over hun leven)

Shihan Gordeau in de stad

Gerard Gordeau (foto: Duncan Smit)

Gerard Gordeau (foto: Duncan Smit)

Er is niemand in Den Haag die zulke tegenstellingen in zich verenigt als Gerard Gordeau. In de vechtsportwereld spreken ze zijn naam eerbiedig uit. ‘Shihan’ zeggen ze, dat is het Japanse woord voor ‘meester’. Hij bezit wereldtitels in savate en in vale tudo, hij was de eerste kampioen K1 evenals de eerste ultimate fighter, en hij is veelvoudig winnaar van Kyokushin karate titels. In Japan is hij zo beroemd, dat hij er niet over straat kan lopen. Dat is de ene kant. De andere kant is hier. Tussen de planken vol wedstrijdbekers staat geen enkel eerbetoon van zijn stad of zijn land. Toen ik in zijn dojo Kamakura was, waar hij lesgeeft, zocht ik er tevergeefs naar. Sporters op dit niveau worden toch altijd hartelijk ontvangen door de Majesteit? Gordeau weet al lang hoe dat zit: “We hebben de beste vechtsporters ter wereld maar niemand wil dat weten. Het is Nederland op zijn smalst.”

Gerard Gordeau is 50 jaar, in de bloei van zijn leven, maar voor een vechtsporter is hij oud. Maar hij is met pensioen. Dat zou het moment moeten zijn geweest waarop de roem verzilverd werd. Niet bij Gordeau: “Geld interesseert me niet. Kan ik dat meenemen in mijn graf? Nee”. Zo is hij. Direct, bij het harde af. Maar niet gevoelloos.

Hij weet dat geld erkenning en waardering betekent. Dat zou hij graag zien voor de generatie kampioenen die uit Kamakura komt. Ook omdat de vechtsport, en zeker het extreem harde kyokushin karate, een tijdelijke zaak is. De dag dat je moet ophouden komt altijd te vroeg. Gerard merkt dat bij zijn jongens.

“Als het moet, zeg ik recht in hun gezicht dat ze moeten stoppen. Daar maak je geen vrienden mee. Want een vechter denkt alleen aan doorgaan en aan beter worden. Hij denkt dat hij honderd jaar kan doorgaan. Soms laat ik hem eerst in het buitenland vechten. Het niveau ligt daar lager. Zo ontdekt hij dat het voor hem verandert. Dan zeg ik het. Het is simpel, je bent gewoon te oud. Dat was ik ook. Dus dan houdt het op. Als je alleen voor de vechtsport leeft, is er daarna niks anders voor je in Nederland. Daarom zeg ik tegen mijn jongens, blijf op school of blijf erbij werken, dan heb je iets om op terug te vallen.”

“Zelf heb ik om af te bouwen in Amerika een jaar pro-wrestling gedaan. Daarna ben ik terug gekomen. Hier heb ik weer een gewone baan genomen. Ik werk nu als conciërge op een lagere school. Nee, rijk ben ik er niet van geworden. Als het om vechtsport gaat moet je daarvoor in een ander land zijn. Het gekke is dat wij wel de beste vechters ter wereld hebben. In de finale van K1 in Tokyo staan bijna allemaal Nederlanders.”

Belofte
Het leven van Gerard Gordeau tot dusver lijkt op een roman. Die is tegelijkertijd een lesboek over onverzettelijke toewijding, inzet en discipline, alles in het teken van de sport. Dat er bij vechtsport iets anders komt kijken dan bij korfbal, spreekt voor zich. Gordeau: “Je moet niet bang zijn om iemand pijn te doen”. De vastberadenheid waarmee hij dit zegt, zat al in het kind dat hij was. Hij wil wel over het verleden vertellen, maar eerst komt de waarschuwing: “Denk erom, geen verhaaltje over een slechte jeugd. Dat is te negatief. Zo was het niet”. Hoe was het dan wel?

“Ik was elf jaar toen mijn vader naar het ziekenhuis moest. Elke dag ging ik naar hem toe. Hij was 39 toen hij doodging aan kanker en hij woog 29 kilo. Daarna ging ik naar het mortuarium waar ze hem hadden opgebaard. Ik kamde zijn haren en ik knipte zijn nagels. Dat groeit gewoon door. Mijn vader was stratenmaker en had eelt op zijn handen en zijn knieën. En ik dacht, zo wil ik niet doodgaan. Dat niet. Ik wil een ander leven. Na zijn dood waren we arm. Mijn vader kreeg per straat betaald en toen hij doodging had hij drie cent te veel verdiend voor een uitkering. Hij had nèt een straatje teveel gemaakt. Hoe mijn moeder het redde, weet ik niet.”

Met de belofte om het anders, bèter, te doen, had de jonge Gordeau zichzelf een verplichting opgelegd. De kans om die te vervullen kwam binnen enkele jaren. “Een vriend van mij deed aan karate en ik ging ook een keertje trainen. Binnen een kwartier moesten ze me bijbrengen. Ik dacht nog, ik laat me niet slaan. Maar vijftien minuten later lag ik weer. Dus ik ging trainen, want ik wil altijd winnen. Van het een kwam het ander. Sparren, wedstrijden doen. Je moet een sport vinden waar je je lekker in voelt en dan kun je je gaan ontwikkelen. Dat was voor mij karate. Zo werd ik beter. Ik ben lang lid geweest van het Kyokushin Karate Team, dat was onverslaanbaar”.

Dit was zijn weg. Jaar na jaar schreef Gerard Gordeau titels van verschillende vechtsporten op zijn naam. In binnen- en buitenland won hij de kampioenschappen. Met zijn broers Nico en Al richtte hij in de jaren ’80 Kamakura op, die hij nu alleen leidt. Daar is hij elke dag te vinden, met dezelfde wil om te heersen die hij als kind al had: “Ik wil de beste zijn, in alles. Afhankelijkheid van een ander? Nee. Subsidie hoef ik niet. Hier in de dojo bepaal ik wat er gebeurt en wie ik toelaat. Wie mij niet aanstaat, stuur ik weg. Die kan buiten gaan spelen.”

Respect
Kamakura is een tamelijk besloten wereld met een strikte hiërarchie en etiquette. Elke dojo is zo, maar hier is het toch strenger. Dat komt door de ambitie van Gordeau, die wil dat zijn jongens (en een enkel meisje) wereldtitels halen. Hij zet zich in op het geven van fysieke training en het slijpen aan karakters. Over zijn regels en normen valt niet te onderhandelen. In Kamakura is zijn woord wet. Buig daarvoor of vertrek. Hij geeft door hoe de sport hem als mens gevormd heeft.

Er zijn grenzen: “Het gaat er niet om zomaar wat leren vechten. Ik leg uit dat er regels zijn. Ook buiten de dojo. Soms hebben ze verkeerde vrienden, dan praat ik wel met ze. Vechten ze op straat, dan wil ik dat weten. Het is niet zo dat je omdat je vechtsporter bent, je elk gevecht moet vermijden. Je mag het nooit uit de weg gaan.”

Mentaliteit is belangrijk: “Je moet nooit bang zijn. Ik ben nooit bang, waarvoor zou ik bang zijn?”

Respect ook: “Ik lieg niet, nooit. Dat heeft geen zin. Je moet eerlijk zijn. De jongens die wedstrijden doen, laat ik zelf hun contracten afsluiten. Ik doe dat zodat niemand kan zeggen dat ik van ze profiteer. Als ze misschien straks in het buitenland groot geld gaan verdienen, zullen ze aan mij denken. Daar vertrouw ik op. Vertrouwen heb je of niet”.

Klaar
Het gesprek duurde lang. Tot laat in de avond vertelde Gerard Gordeau mij over zijn carrière en zijn leven, waarom hij nooit ergens spijt van heeft en dat hij geen moment een come back overweegt. Het is een man die van duidelijkheid houdt. Kom je belofte na. Doe wat je doen moet. Afscheid nemen, klaar.