Bokser Bep Donnars

bebon

Bep Donnars, middengewicht

In de oude kranten uit de jaren ’30 en ’40 kom ik zijn naam tegen: Bep Donnars. Middengewicht. Hij bokste door het hele land, tot ver in de oorlogsjaren toe. In 1943 staat hij in Groningen, tegen de legende Johan de Jager. Maar hij gaat ook naar het buitenland, naar Parijs en waarschijnlijk zelfs naar Nederlands-Indië. In Den Haag trainde hij bij Karel de Jager aan de Oldenbarneveldtstraat.

In 1933 was er zoals vaak boksen in de Haagse Dierentuin, daar ging het op 16 februari om de Nedelandse titel:

“Daarop kregen we de hoofdpartij te zien tusschen Bep Donnars, den Haag, 69 kg. en Leen Sanders. Rotterdam. 67 kg. Dezen hebben de 10 ronden uitgebokst. waarbij I.een Sanders bizonder uitmuntte door goede dekking en snel inkomen. Donnars wist van zijn langere reach niet voldoende gebruik te maken om Sanders voldoende op afstand te houden. In het lijf aan lijf-werk toonde Sanders zich de meerdere. Deze wedstrijd werd door Sanders op punten gewonnen. “
Verder is het vaag, wat Bep Donnars betreft, en dat terwijl hij “de bekende Haagse Bokser” heet te zijn. Ik vond een enkele foto, en die staat hierbij. Komt uit een mooi oud sportblad. Een auteur stond er helaas niet bij.
Sport in Beeld.

De Revue der Sporten. 19 oktober 1936. 30ste jaargang no.12, p.12

Er is een tijd geweest, dat de bokssport in een niet al te besten reuk stond. De buitenlanders, die tegen onze Hollandsche jongens in den ring kwamen, zochten meermalen verbluffend vlug de planken op of gaven zich roemloos over, terwijl het met „de rechterlijke macht” ook maar poover gesteld was.

Dat behoort nu tot het verleden. De bokssport is thans daarbij zoo goed gereglementeerd, dat excessen van vroeger tot het verleden behooren. De volijverige promotor Theo Huizenaar, geschraagd door een jarenlange routine, weet nu ook precies welke spelen het volk wil.

Zo had hij vorige week in de trots haar strakke, statige en strenge lijnen voor het doel uitnemend geschikte Doelezaal den jongen, sterken, Hagenaar Bep Donnars gezet tegen den buitengemeenkundigen Belg Louis Saerens, dien wij hier niet genoeg kunnen zien. Van stonde af aan werd er een hoog tempo ingezet. Al spoedig nam Saerens het initiatief over van Donnars, die het in de hoofdzaak van aanvallen moet hebben, doch nu geen kans kreeg om gevaarlijk te worden en de puntenzege dan ook aan de Belg moest laten.
Doordat de Amsterdammers verlaat waren via autobuspech (waarom den trein niet genomen? Dit sluit vrijwel ieder risico uit, gaat voor het onderhavige traject even vlug en is weinig duurder!) werd er begonnen met één der partijen v. Loon- Kwentemeyer, resp. gesecondeerd door grootheden van vroeger als Nol Steenhorst en Herman van ‘t Hoff. De Enschedeër had er in de 5de ronde genoeg van en de techhnisch betere man: v. Loon won.

De Rotterdamsche k.o. koning, die uiterlijk veel overeenkomst vertoonend met de in den zaal aanwezigen en door Pa Bok “gechaperonneerden” Johnny de Korver (v. Heel, Barendregt, Seton e.a. zorgden voor een verdere Sparta-Feijenoord ontmoeting) kon ditmaal zijn tegenstander, den ongelooflijk taaien en bewonderenswaardig moedigen v. Lil niet naar droomenland sturen en moest zich na een spannend vinnig gevecht met een puntenoverwinning tevreden stellen. Aan het einde van de 7de ronde gaf de Amsterdammer een merkwaardig staaltje van zijn elasticiteit, toen hij achterover door de touwen van het podium afsloeg, doch ruim vóór de fatale tien tellen weer op de been in den ring stond.

Zijn stadgenoot Kroet daarentegen miste het vereischte temperament. In de pauze’s had hij zelfs geen waaier noodig! De strijd nam een zeldzaam einde. Rieger plaatste een voltreffer, zoodat Kroet niet in staat was om verder te boksen. Even te voren had de scheidsrechter – niemand minder dan praeses Westbroek – reeds “break” geroepen, zoodat Rieger gediskwalificeerd moest worden.

Op de vorige wedstrijden had o.a. Huib Huizenaar tegen Tom Bull gebokst; de revanche vindt Woensdagavond in Leuven plaats.

Sponsoring Erdinc Cetin

Verschenen in Den Haag Centraal, 28 augustus 2011

“Het talent moet een kans hebben”

Bokstrainer Reinier van Delden draait al decennia mee in het Haagse boksen. Hij kent zowat alle namen uit deze wereld. Verleden en heden tellen even zwaar voor hem, en wat het heden betreft: “Ik ben bijna elke dag van de week bij boksvereniging Haagse Directe. Daar train ik een aantal uren met wedstrijdboksers, vooral met Erdinc”. Dat is: Erdinc Cetin, die vorige week groot in de zomerserie ‘Vechters’ geportretteerd werd. Wat Erdinc niet zei, wil zijn trainer graag naar voren brengen. Sponsoring. Het zou moeten. Het zou mooi zijn. Maar waar begin je met zoiets?

 

Sponsoring in het Olympisch boksen begint hier en daar een beetje op te komen. Bij de militairen heeft Peter Müllenberg een wereldtitel binnengesleept. Hij werkt bij defensie. “Die kan dus twee keer per dag trainen”, zegt Reinier van Delden, “dat moet ook, als je bij de top wil horen”.  Dan is er in Rotterdam Marichelle de Jong, die dankzij enkele sponsoren zich helemaal aan de sport kan wijden. “Ideaal,” vindt Reinier. “Je lapt wat bij elkaar, en dan komt iemand verder. Erdinc moet zijn studie afmaken en daarbij heeft hij een baan ernaast om kostgeld en kleren en al die dingen meer te kunnen betalen. Daar gaat tijd in zitten. En dan kan hij niet trainen. Doodzonde vind ik dat”.

Dat Erdinc een talent is, staat buiten kijf. Technisch is hij griezelig goed, hij past zich aan elke nieuwe tegenstander aan. Als water gaat dat, steeds anders en toch zichzelf. Hij is negentien jaar en in het bezit van drie nationale titels. Om zich verder te ontwikkelen, heeft hij tijd nodig. En tijd kost geld. Andere tegenstanders om mee te sparren, daar moet je dan meestal naar toe. Het gekke daarbij is, dat een bokser die aan een wedstrijd wil meedoen, daarvoor deelnamegeld aan de Nederlandse Boksbond moet betalen. Bij boksvereniging Haagse Directe werken verschillende trainers met de boksers, Reinier is er een van. Hij zegt: “Het talent moet een kans hebben”.

 

Brood

In het boksen zat vroeger meer geld. De sport oogde spectaculairder omdat er andere regels waren. Het boksen was harder en er vielen meer knock outs. Daar kwam het publiek massaal op af en er werd graag geld neergeld voor een toegangskaartje. Reinier vertelt over de tijd dat hij zelf bokste, bij Toon Wetemans aan het Noordeinde. Daar begon hij ook trainingen te geven. Als Toon er niet was, viel hij af en toe in. Dat is zowat veertig, vijftig jaar geleden. Reinier vertelt over de bokstalenten in het Haagse, de ene naam volgt de andere op. “Je had er zoveel, ik kan ze niet eens allemaal noemen. Nico Schoenmakers, Willem Ludwig, Bally te Pas, Giel de Roode die op Scheveningen woonde, Karel de Jager, maar dat was nog voor mijn tijd”.

In de oude tijd waren er veel talenten. Het lijkt tegenwoordig anders. Daarom is het zo belangrijk boksers met een talent als Erdinc bezit te koesteren. Een beetje op te kweken, gewoon, omdat boksen een typisch Haagse sport is. Maar de tijden zitten niet mee. Tegenwoordig moet elke bokser van de Boksbond een hoofdkap dragen waardoor het publiek nauwelijks een favoriet kan herkennen. Bij de laatste Nederlandse Kampioenschappen kwamen slechts tientallen bezoekers. De meesten waren familie van de boksers.

Bij de profs gaat het er anders aan toe, vooral als je er in Duitsland tussen kunt komen. Een paar weken terug werd live op de Nederlandse televisie het gevecht tussen David Haye en Vladimir Klitscho uitgezonden. “Daar kan hij zijn brood verdienen”, zegt Reinier nuchter. “Maar dan moet er wel wat gebeuren. Dit zijn kritieke jaren voor een bokser. Hij moet net dat stapje omhoog kunnen zetten. Daarvoor hebben we sponsoring nodig. Dat moet toch ook in Den Haag kunnen?”

 

 

 

 

 

Bokskampioenschappen 1902-1922

Nelis Bisschop

Bokskampioenschappen: Amateurkampioenen van Nederland 1902-1922

Er is een boek, dat lijstjes heeft. Bokslijstjes. Dat is NBB Statistiek. Negentig jaar boksen in Nederland. Aangeboden door Hans Nydam, juni 1985 (uitgave in eigen beheer). Het is een mooie verzameling van namen en jaartallen, die ons wat greep biedt op het boksverleden. Ik zal in een paar afleveringen de landelijke titels overnemen. Waar in een jaar enkele of meer gewichtsklassen ontbreken, was geen opgave van namen aanwezig.

De eerste jaren zijn al meteen interessant. Toepoel en Wurpel zijn alletwee bokser en bestuurder. Toepoel zal een boksschool openen in Den Haag met een eigen lesaanpak, die ‘methode Toepoel’ heette. We zien ook een dominantie van namen uit vooral Amsterdam. Den Haag is ook prima aanwezig.

Achternamen, vooral. Voornamen ontbreken. Toepoel heette Pieter, Wurpel werd Pim genoemd.K. de Jager was Karel. Van Vliet (vlieggewicht 1922) Arie. Bisschop herinneren we ons als ‘ome Nelis’- een niet te onderschatten man. Bokser, trainer en inspirator. Grote namen als Eddy Kiks en Rudy Koopmans hebben daar nog gebokst. De school van Nelis Bisschop heeft generaties boksers gevormd, en toch staat hij slechts zelden in deze periode in de lijst.

Nederland hanteerde kennelijk een geheel eigen systeem van gewichtsklasse. Waarom, is mij een raadsel. Een van de vele uit de boksgeschiedenis. Die bestaat uit brokjes en stukjes. Dus dat moeten we zien aan te vullen.

Dit is de opgave van gewichtsklassen:

vlieggewicht (Nederland: ‘laagste gewicht’):
bantamgewicht (Nederland: extra lichtgewicht, 53 kg):
vedergewicht (Nederland: lichtgewicht, 57,5 kg):
lichtgewicht (Nederland: zwaar- lichtgewicht):
weltergewicht (Nederland: licht-middengewicht, 64 kg):
middengewicht (Nederland: middengewicht, 71-5 kg):
halfzwaargewicht (Nederland: zwaar-middengewicht, 80 kg):
zwaargewicht (Nederland: zwaargewicht):

1902
vedergewicht (Nederland: lichtgewicht, 57,5 kg): O.Greven (ASD)
weltergewicht (Nederland: licht-middengewicht, 64 kg): Toepoel (D.Haag)
halfzwaargewicht (Nederland: zwaar-middengewicht, 80 kg): J.Greven (Asd)
zwaargewicht (Nederland: zwaargewicht): P. Wurpel (Asd)

1903
vedergewicht (Nederland: lichtgewicht, 57,5 kg): Oxenaar (D.Haag)
middengewicht (Nederland: middengewicht, 71,5 kg): Toepoel (D.Haag)
zwaargewicht (Nederland: zwaargewicht): P. Wurpel (Asd)

1904-1911: geen kampioenschappen

1913
vlieggewicht (Nederland: ‘laagste gewicht’): K. de Jager
lichtgewicht (Nederland: zwaar- lichtgewicht): Timmer
weltergewicht (Nederland: licht-middengewicht, 64 kg): Bool
middengewicht (Nederland: middengewicht, 71-5 kg): v.d. Ven (Asd)

1914
vlieggewicht (Nederland: ‘laagste gewicht’): K. de Jager
vedergewicht (Nederland: lichtgewicht, 57,5 kg): La Croix (Asd.)
middengewicht (Nederland: middengewicht, 71-5 kg): Raats (Asd.)

1915
vlieggewicht (Nederland: ‘laagste gewicht’): K. de Jager

1916
bantamgewicht (Nederland: extra lichtgewicht, 53 kg): De Vries
vedergewicht (Nederland: lichtgewicht, 57,5 kg): v.d. Wissel (Asd)
weltergewicht (Nederland: licht-middengewicht, 64 kg): La Croix (Asd)
middengewicht (Nederland: middengewicht, 71-5 kg): Raats (Asd)
halfzwaargewicht (Nederland: zwaar-middengewicht, 80 kg): Bogaers (Asd.)

1917
bantamgewicht (Nederland: extra lichtgewicht, 53 kg): Schumacher (Asd)
vedergewicht (Nederland: lichtgewicht, 57,5 kg): Valentijn (Asd)
lichtgewicht (Nederland: zwaar- lichtgewicht): Bisschop (Asd.)
weltergewicht (Nederland: licht-middengewicht, 64 kg): La Croix (Asd)
middengewicht (Nederland: middengewicht, 71-5 kg): P. de Jong (Asd)
halfzwaargewicht (Nederland: zwaar-middengewicht, 80 kg): Staets (Asd)
zwaargewicht (Nederland: zwaargewicht): Neut (Marine)

1918
bantamgewicht (Nederland: extra lichtgewicht, 53 kg): Boomsma (Asd)
vedergewicht (Nederland: lichtgewicht, 57,5 kg): Wienesen (Asd)
weltergewicht (Nederland: licht-middengewicht, 64 kg): Bisschop (Asd)
middengewicht (Nederland: middengewicht, 71-5 kg): La Croix (Asd)
halfzwaargewicht (Nederland: zwaar-middengewicht, 80 kg): Staats (Asd)
zwaargewicht (Nederland: zwaargewicht): Heijneman (Asd)

1919
bantamgewicht (Nederland: extra lichtgewicht, 53 kg): N. Deul (Asd)
vedergewicht (Nederland: lichtgewicht, 57,5 kg): Beun (Asd)
lichtgewicht (Nederland: zwaar- lichtgewicht): H. Wienesen (Asd)
weltergewicht (Nederland: licht-middengewicht, 64 kg): De Jong (Asd)
middengewicht (Nederland: middengewicht, 71-5 kg): Jonkman (Asd)
halfzwaargewicht (Nederland: zwaar-middengewicht, 80 kg): Sars (Asd)
zwaargewicht (Nederland: zwaargewicht): Ahaus (Asd)

1920
vlieggewicht (Nederland: ‘laagste gewicht’): Cornelisse (Asd)
bantamgewicht (Nederland: extra lichtgewicht, 53 kg): Deul (Asd)
vedergewicht (Nederland: lichtgewicht, 57,5 kg): Hesterman (Asd)
lichtgewicht (Nederland: zwaar- lichtgewicht): Borcherts/Jansen
weltergewicht (Nederland: licht-middengewicht, 64 kg): Ottör/Winterink
middengewicht (Nederland: middengewicht, 71-5 kg): Hesterman/Munting
halfzwaargewicht (Nederland: zwaar-middengewicht, 80 kg): Sars (Asd)
zwaargewicht (Nederland: zwaargewicht): H. Sjouwerman (Asd)

1921 geen opgave

1922
vlieggewicht (Nederland: ‘laagste gewicht’): v. Vliet jr (Rdm)
bantamgewicht (Nederland: extra lichtgewicht, 53 kg): Scholten (Asd)
vedergewicht (Nederland: lichtgewicht, 57,5 kg): Deul (Asd)
lichtgewicht (Nederland: zwaar- lichtgewicht): Zegwaarts (Asd)
weltergewicht (Nederland: licht-middengewicht, 64 kg): Miljon (Asd)

Handboek De Jager (1950)

Zo kocht ik het boek. Het omslag zat er niet meer bij.

Boksen. Spel van aanval en verdediging,  door K. de Jager, Oud Professional Bondsleraar N.B.B. en W. de Jager, Leraar M.O. Gymnastiek Bondsleraar N.B.B.
Amsterdam: Strengholt, 1950

Kun je leren boksen uit een boek? Er is een tijd geweest dat ik hartstochtelijk daarop hoopte. Toen trainde ik nog en voelde dat het niet ging. Mijn allerlaatste strohalm was een boek uit Amerika. The Gleason’s Gym Total Body Boxing Workout for Women. Ik legde het op de bank en werkte mijzelf pagina voor pagina erdoorheen. Een mooi boek. Maar ik leerde er niet uit boksen.

En toch is het goed dat zulke boeken er zijn. Ze leggen de opvattingen van een trainer vast, of zelfs van een tijd. Boksen. Spel van aanval en verdediging, door K. en W. de Jager verscheen in 1950, middenin de wederopbouw van Nederland. Hoe stond het boksen er toen voor? Niet zo best, lijkt het, want herhaaldelijk verdedigen de auteurs het mooie, het edele, het sportieve en het eerlijke van de sport.

Dat er veel en goed gebokst werd in deze tijd, is een duidelijker feit. Losjes verwijzen de schrijvers bijvoorbeeld naar de ‘Interacademiale wedstrijden’ (p.44) waar studenten boksen. Dan vervolgen ze:

“Er zijn nog vele namen te noemen van bekende Nederlandse boksers, doch wij zullen volstaan met enkele van de meest bekende, als: de Boer, Baan, Sanders, Disch, van Vliet, L. Nicolaas, Donnars, Saks, Rosman, Brand, Ploeg, Steenhorst, Wierts, Ringlever, Jan Nicolaas, Jo de Groot, enz. Wij ontveinzen ons niet dat wij er vele, minstens even belangrijke hebben overgeslagen.
Besluiten wij dit korte overzicht met het noemen van onze huidige professional kampioenen:
Nolten in het vlieggewicht, Schneyder in het bantamgewicht. Jan Nicolaas, nog steeds kampioen in het lichtgewicht en tot voor kort weltergewicht. De laatste titel verloor hij aan de Roode, die zijn titel inmiddels weer verloren is aan Job Roos.
In het middengewicht is Luc van Dam de kampioen, die momenteel hard aan het werk is voor een gevecht om de Europese titel en hiervoor ook een goede kans maakt.
Doornbosch in het halfzwaargewicht en Jan Klein kampioen zwaargewicht.
Ten slotte nog Jan de Bruin, die wellicht binnen niet al te lange tijd een uitdaging zal richten aan van Dam.” (p.44-45)

Het is nogal plechtig, maar wel informatief. Jammer dat de meeste voornamen ontbreken. Toen kende iedereen die namen. Maar nu niet meer.

Achterin het boek staan zogenaamde ‘verboden handelingen’. Daar trof ik niet de mooie duidelijke foto’s aan die het boek elders volop heeft, maar vier bladzijden met tekeningen, steeds twee boksers die een verboden handeling demonsteren. Voor de zekerheid staat die eronder benoemd: Te lage stoot. Slaan met open handschoen. Stoot met de onderarm. Duwen met de voorarm. Stoot met de elleboog. Stoot op de rug. Zo gaat het verder.

Mocht verder alles in 1950? Niet echt. Het is een behoorlijk veeleisend boek, dat na de inleidende stukken nogal technisch is. De foto’s zijn vooral aanwezig om goed en fout beter uit te leggen. Staan, stoten, verdediging, aanvallen, voor alles is er een foto.

Dit boek is een schoolvoorbeeld van de ‘sweet science’ van het boksen. Dat richt zich niet zozeer op het analyseren van wedstrijden, maar op de trainingen en in het bijzonder de technische kanten ervan. Het taalgebruik is verheven en soms stroperig. Dan is even wennen. Daarna leest het gewoon. Dat de twee auteurs hun autoriteit vol zelfbewustzijn uitdragen, is niet zo gek, K(arel) de Jager  had een boksschool in Den Haag, zijn bijnaam was ‘de professor’. W. de Jager is waarschijnlijk familie. Beiden waren zoals ze op het titelblad laden vermelden daarbij nog ‘Bondsleraar’.

Dat de grote hoeveelheid details wat veel kan zijn, begrijpen de De Jagers. Maar pas op pagina 167 leggen ze uit hoe hun boek gebruikt moet worden:

“Let wel, lezers, deze stof wordt alleen ‘levend’ wanneer men ze uitvoert, het mag geen theorie blijven. Men moet deze vormen even bestuderen en begrijpt men de portée van de zaak, dat is wat wij ervan opschrijven een gemakkelijke richtlijn. Is men zover, dat dit alles niet meer nodig is en men zelf goed met de stof overweg kan, dan is ons doel bereikt. Doch, wij wijzen er nogmaals op, een korte studie van de oefenstof zal dan noodzakelijk zijn.”(p.167)

Kennis en kunde was dus noodzakelijk. Dit is geen boek voor leken, blijkt ook uit het hoofdstuk over ‘weren’. Dat is niet hetzelfde als ontwijken, want dat is “het doen missen van een stoot” (p.143) Dat kan door achteruitgaan, slippen (achterwaarts of zijwaarts), door bukken, door de zijpas of side-stepping, door duiken. Weren is weer iets anders:

Weren
Door de wering verandert men de richting van de stoot, zodat hij mist. Een ontwijkende beweging wordt hierbij niet gemaakt. Het wordt alleen toegepast bij de rechte stoot.

Wering tegen linker en rechtse directe naar de kaak:
A. Met de linkerhand duwt men de arm van de aanvaller opzij, zodat diens stoot rechts passeert. Dit mag niet ontaarden in een weg-“slaan”. Het is dan ook niet zozeer een beweging van de arm, maar meer van de schouder. Ook deze beweging hoeft niet groot te zijn, hiermee geeft men zich maar onnodig bloot.
B. Hetzelfde als A met de rechterhand, waarbij de stoot dus links passeert. Men moet er verder aan denken niet de arm van te voren “uit te halen”, daar dit tegenstander zal waarschuwen.” (p.148)

En zo gaat het nog een tijdje door. De auteurs houden van lijstjes, indelingen en daarin alles heel precies te zeggen. Het heeft wel wat. Maar: in kleine doses.

Waarschijnlijk K. de Jager. De foto staat zonder bijschrift naast de titelpagina.

Boksen. Spel van aanval en verdediging
door K. de Jager, Oud Professional Bondsleraar N.B.B. en W. de Jager, Leraar M.O. Gymnastiek Bondsleraar N.B.B.
Amsterdam: Strengholt, 1950
Inhoudsopgave
Voorwoord; Inleiding; I Geschiedenis van het boksen; II Enige Algemene Beschouwingen: De kracht van de boksstoot. Het sparren. Boksen ook een psychische strijd! De knock-out. Is het boksen gevaarlijk? Het boksen in de opvoeding. Stijl en techniek. Training. He tseconderen. Het wedstrijdboksen en het publiek. Is boksen spel? Amateurisme en de beroepssport. Kwaliteiten van de bokser. Kwaliteiten van de instructeur. De taak van de jury; III Uitgangshouding, voetenwerk en beschrijving der verschillende boksstoten; IV Verdediging; V Indeling der stoten en hun toepassing; VI Het invechten; VII Schijnbewegingen; VIII Tactiek; IX Het lesgeven.
Korte nabeschouwing
Literatuur
Enkele verboden handelingen