Bokser Willem Westbroek

Willem Westbroek

Willem Westbroek in zijn glorietijd: “Wie doet me wat?”

Jan Liber: Sterren aan het boksfirmament.  Herinneringen aan onze grote boksers. In: De Ring, 1e jaargang no 3. Onder leiding van Kick Geudeker en Franc G. Bouwens.

WILLEM WESTBROEK (1892-1948)

Wim Westbroek weet het natuurlijk zelf niet meer, want het is al meer dan vijf en twintig jaar geleden, maar de eerste lessen in de pugilistiek ‘heb ik van deze eertijds zo populaire Rotterdammer gehad. Hij zal het ook daarom niet meer weten, omdat ik helemaal geen uitblinkende leerling ben geweest en het zelfs nimmer tot een gevecht in de ring heb gebracht. Maar ik herinner het me nog als de dag van gisteren, dat ik als een mager scharminkel van een joch van een jaar of zeventien, bevend en witjes, in dat kleine zaaltje achter het cafétje op de Rotterdamse Veemarkt, voor de gevreesde kampioen stond.

Nu, na al die jaren mag ik het gerust zeggen: Wim Westbroek heeft mij tot de bokssport gebracht. En als men mij nu zou vragen, waarom ik zo’n diepe bewondering voor deze bokser heb gehad, dan weet ik het echt niet. Een groot technicus is Willem nooit geweest. Na hem zijn er velen in Nederland geweest, die veel beter bokser waren dan hij, maar die niet half zo populair waren. Misschien was het zijn grote sportiviteit, die hem tot de afgod van het Rotterdamse bokspubliek maakte. Hij behoefde maar het puntja van zijn tamelijk geprononceerde neus te laten zien, of de mensen waren dol van opwinding. Hij kon de Circus-Schouwburg laten dreunen op zijn grondvesten. De Circus-Schouwburg.,.. Wat een Rotterdamse boksherinneringen liggen daar. Nooit is er in Nederland een zaal geweest, die beter geschikt was voor bokswedstrijden als deze. Een echte arena. Een half ronde zaal met loges. met amphitheaters, met gaanderijen en waar je zat, overal kon je goed zien. Marius en Fietje Spree speelden er hun volkstoneel: Klaasje Zevenster, De Fabrieksbaas, De Witte Non en Rooie Sien, maar eens in de maand werd er gebokst. Het toneel moest er voor wijken. Het was daar, dat ik Wim Westbroek voor het eerst zag boksen, een van de klassieke gevechten uit de oertijd van de vaderlandse boksgeschiedenis: Willem Westbroek tegen Rinus Groeneweg.

img210

Willem Westbroek, derde van links, zoals hij er uitzag in zijn roemruchte jaren. De anderen zijn, van links naar rechts, Piet Dijksman, Theo Kourimsky en Van der Ploeg.

Het was in de zomer van 1919, als ik het me goed herinner, de glansperiode van Westbroek, die toen een jaar of vijf en twintig geweest zal zijn. Het ging er in die wedstrijd om of Westbroek er in zou slagen met knock out te winnen. Groeneweg was de fijne puntenwerker, de man met het sierlijke benenspel, de beheerste tacticus en de haast volleerde technicus, zoals men in 1919 volleerd kon zijn althans, want in die dagen wist rnen bij ons nog zo weinig van techniek af. Onze boksers hadden wat afgekeken van de Engelse ge-interneerden uit de eerste wereldoorlog. Ze wisten wat een linkse directe was, maar van de veel moeilijker rechtse directe kwam maar weinig terecht. Je zag het meest wilde zwaaislagen. Westbroek was eigenlijk, wat men noemt, een stilstaande man, die echter een dodelijk wapen bezat: de linkse hoek. Wie die hoek, flitsend als een bliksemstraal, op het kinnetje kreeg, werd onherroepelijk „weggezet”. In de latere jaren zijn er maar weinig boksers in ons land geweest, die zoveel „killing power” in hun linkse hadden als Willem. Het merkwaardige was echter, dat Willem een tamelijk slecht incasseur was. Hij had een paar glazen kaken. Zo was een gevecht van Westbroek dus altijd bijzonder emotioneel en de geweldige schare van Westbroek-vereerders leefde altijd tussen hoop en vrees of zijn favoriet k.o. zou gaan of diens tegenstander. Dat gevecht tussen Westbroek en Groeneweg is mij altijd bijgebleven. Van de bijpartijen herinner ik me er geen een meer. Ik kan me werkelijk geen enkele naam meer te binnen brengen van boksers, die in hetzelfde programma stonden, maar Westbroek-Groeneweg zie ik nog zó voor mij. Het werd een boeiend spel van rhythme en schoonheid. Het pakte me, het sleepte me mee. Ademloos keek ik naar die twee mannen. Ik zag voor het eerst boksen en was er voor gewonnen.

Mijn vrienden hadden me gewaarschuwd: boksen is alleen maar een sport, waar de onderwereld met haar sinistere aanhang naar gaat kijken. Ik wist nu, dat het niet waar was. Ja, ik zag ruwheid en geweld in de ring. Twee mannen, die elkaar op het gezicht slaan, kunnen niet anders dan een ruwe en een gewelddadige indruk maken, maar die ruwheid en die gewelddadigheid zijn in lijnrechte tegenstelling met het sportieve spel van mannelijke kracht, van steeds variërende bewegingen, van soepel ‘vloeiende lijnen, van zelfbeheersing en het afwegen van kansen. Die tegenstellingen leerde ik als schoonheid zien. Gelukkig eindigde de strijd niet met een knock out. Westbroek won op punten en na afloop heb ik hartstochtelijk mee-geapplaudiseerd.

Later heb ik Westbroek nog dikwijls in de ring gezien. Ik zag zijn serie knock outs tegen Hendrik Keyzer, tegen Jonkman, Groeneweg (in de revanche), tegen Krieger, Lenaers, Wilson Forfab. Ik zag zijn nare nederlagen tegen Battling Siki, zijn beide draws tegen de gevreesde Belg René Devos, zijn grote kampioensgevechten tegen Jansma, zijn strijd op leven en dood tegen Nol Steenhorst, waarin hij ten onrechte verliezer werd verklaard en ik zag ook zijn verschrikkelijke knock out tegen Hans Breiten-strater. Dat was in 1921. Na de eerste gongslag kwam Westbroek met uitgestoken handen op zijn tegenstander af voor een sportief shake hands. Breitenstrater negeerde dit gebaar. Zijn eerste de beste stoot was een voltreffer en Westbroek was volledig k.o., nog voor de strijd begonnen was. Breitenstrater bood onmiddellijk aan van voren af aan te beginnen, maar Wim voelde er niets voor tweemaal in één gevecht knock out te gaan en bedankte voor de eer. Maar bij alle sensatie en emotie, bij alle opwinding en bij alle teleurstelling ook, die ik in de loop der jaren als bewonderaar van Westbroek ondervonden heb, is me die eerste partij tegen Rinus Groeneweg toch het meest bijgebleven.

Het vorige jaar bij het weerzien der oude glorie, kwam Wim Westbroek als goede vijftiger nog eens tegen Jansma in de ring. Het publiek was even enthousiast als vijf en twintig jaar geleden en u gelooft het misschien niet, maar ik kreeg weer dat zelfde wonderlijke, nerv veuze gevoel,, dat ik alleen maar gehad heb, als Wim Westbroek bokste.

img212

Westbroek, zelfverzekerd kijkend als steeds, vóór zijn voor hem fatale gevecht met Kurt Prenzel waarin Willem in de 1ste ronde K.O. ging.

Westbroek, die goeie, fijne sportieve kerel, die altijd een beetje verlegen keek, net of hij “sorry” wilde zeggen, als zijn tegenstander uitgeteld lag, is voor mij een van de mooiste herinneringen aan de bokssport.

Bokser Bep Donnars

bebon

Bep Donnars, middengewicht

In de oude kranten uit de jaren ’30 en ’40 kom ik zijn naam tegen: Bep Donnars. Middengewicht. Hij bokste door het hele land, tot ver in de oorlogsjaren toe. In 1943 staat hij in Groningen, tegen de legende Johan de Jager. Maar hij gaat ook naar het buitenland, naar Parijs en waarschijnlijk zelfs naar Nederlands-Indië. In Den Haag trainde hij bij Karel de Jager aan de Oldenbarneveldtstraat.

In 1933 was er zoals vaak boksen in de Haagse Dierentuin, daar ging het op 16 februari om de Nedelandse titel:

“Daarop kregen we de hoofdpartij te zien tusschen Bep Donnars, den Haag, 69 kg. en Leen Sanders. Rotterdam. 67 kg. Dezen hebben de 10 ronden uitgebokst. waarbij I.een Sanders bizonder uitmuntte door goede dekking en snel inkomen. Donnars wist van zijn langere reach niet voldoende gebruik te maken om Sanders voldoende op afstand te houden. In het lijf aan lijf-werk toonde Sanders zich de meerdere. Deze wedstrijd werd door Sanders op punten gewonnen. “
Verder is het vaag, wat Bep Donnars betreft, en dat terwijl hij “de bekende Haagse Bokser” heet te zijn. Ik vond een enkele foto, en die staat hierbij. Komt uit een mooi oud sportblad. Een auteur stond er helaas niet bij.
Sport in Beeld.

De Revue der Sporten. 19 oktober 1936. 30ste jaargang no.12, p.12

Er is een tijd geweest, dat de bokssport in een niet al te besten reuk stond. De buitenlanders, die tegen onze Hollandsche jongens in den ring kwamen, zochten meermalen verbluffend vlug de planken op of gaven zich roemloos over, terwijl het met „de rechterlijke macht” ook maar poover gesteld was.

Dat behoort nu tot het verleden. De bokssport is thans daarbij zoo goed gereglementeerd, dat excessen van vroeger tot het verleden behooren. De volijverige promotor Theo Huizenaar, geschraagd door een jarenlange routine, weet nu ook precies welke spelen het volk wil.

Zo had hij vorige week in de trots haar strakke, statige en strenge lijnen voor het doel uitnemend geschikte Doelezaal den jongen, sterken, Hagenaar Bep Donnars gezet tegen den buitengemeenkundigen Belg Louis Saerens, dien wij hier niet genoeg kunnen zien. Van stonde af aan werd er een hoog tempo ingezet. Al spoedig nam Saerens het initiatief over van Donnars, die het in de hoofdzaak van aanvallen moet hebben, doch nu geen kans kreeg om gevaarlijk te worden en de puntenzege dan ook aan de Belg moest laten.
Doordat de Amsterdammers verlaat waren via autobuspech (waarom den trein niet genomen? Dit sluit vrijwel ieder risico uit, gaat voor het onderhavige traject even vlug en is weinig duurder!) werd er begonnen met één der partijen v. Loon- Kwentemeyer, resp. gesecondeerd door grootheden van vroeger als Nol Steenhorst en Herman van ‘t Hoff. De Enschedeër had er in de 5de ronde genoeg van en de techhnisch betere man: v. Loon won.

De Rotterdamsche k.o. koning, die uiterlijk veel overeenkomst vertoonend met de in den zaal aanwezigen en door Pa Bok “gechaperonneerden” Johnny de Korver (v. Heel, Barendregt, Seton e.a. zorgden voor een verdere Sparta-Feijenoord ontmoeting) kon ditmaal zijn tegenstander, den ongelooflijk taaien en bewonderenswaardig moedigen v. Lil niet naar droomenland sturen en moest zich na een spannend vinnig gevecht met een puntenoverwinning tevreden stellen. Aan het einde van de 7de ronde gaf de Amsterdammer een merkwaardig staaltje van zijn elasticiteit, toen hij achterover door de touwen van het podium afsloeg, doch ruim vóór de fatale tien tellen weer op de been in den ring stond.

Zijn stadgenoot Kroet daarentegen miste het vereischte temperament. In de pauze’s had hij zelfs geen waaier noodig! De strijd nam een zeldzaam einde. Rieger plaatste een voltreffer, zoodat Kroet niet in staat was om verder te boksen. Even te voren had de scheidsrechter – niemand minder dan praeses Westbroek – reeds “break” geroepen, zoodat Rieger gediskwalificeerd moest worden.

Op de vorige wedstrijden had o.a. Huib Huizenaar tegen Tom Bull gebokst; de revanche vindt Woensdagavond in Leuven plaats.