Karateka Cath Zomer: Vechtsport gaat over conditie en kracht

karate Verschenen in Den Haag Centraal, januari 2014 

Karateka Cath Zomer (35)

Vechtsport gaat over conditie en kracht’

Het aftellen gaat elk jaar snel. In maart 2014 vinden in Den Haag de Europese kampioenschappen kyokushin karate plaats. De hardste vorm van karate is dat. Nauwelijks bescherming en een ijzeren mentaliteit van dóórgaan, dwars door pijn en angst. Wie doet zoiets? Karateka Cath Zomer bijvoorbeeld, van Honbu Kamakura. Ze heeft in twee vechtsportdisciplines de zwarte band, en drie open EK-karatetitels in haar bezit.

Ik wil weten wat ik nog in huis heb”, zegt Cath. “En ik denk dat ik een goede kans op de titel maak. De vierde titel wordt het dan, maar of het genoeg is? Je kunt niet genoeg titels hebben. Het afgelopen jaar ben ik er even uit geweest. Daarom vraag ik me af of ik het vermogen nog heb om op dit niveau te vechten. Dat zal de tijd moeten uitwijzen”. Ze vertelt het op een rustige manier, net of ze een klein plannetje heeft dat er eigenlijk niet zo veel toe doet. Maar achter deze woorden gaat iets groters schuil. Welke jonge vrouw in ons land houdt van deze harde karatesport, en leeft ervoor, dag-in dag-uit? Ze vertelt er meer over tijdens een gesprek in een chique hotel lounge. Cath houdt van stijl. En van hard slaan, en van het leven dat ze kreeg dankzij de vechtsport.

Maar eerst een huishoudelijke mededeling.

Het zijn merkwaardige tijden voor de serieuze vechtsporters. Op televisie heeft het showbusinessnieuws aandacht voor kickboksers die verkeerde dingen doen. Dat is een akelige beeldvorming, waar je lastig van los komt. Voor het EK heeft de organiserende sportschool Kamakura enkele trouwe sponsors die wel beter weten, maar enkele meer zou welkom zijn. Cath zelf is blij met haar sponsors JuicePlus en restaurant Qip, maar ze weet dat de sportschool nog wel wat sponsoren kan gebruiken. Dus als er belangstelling is graag, peilt ze.

Bikkelen

Het dagelijks leven van een karateka in training is intensief en verbluffend eenvoudig tegelijkertijd. Het verloopt in grote lijnen zoals het de vorige drie keer verliep, toen ze de EK-titel haalde. “Net als ieder ander mens sta ik ’s ochtends op. Dan maak ik een ontbijtje en daarna ga ik de deur uit. Hardlopen. Dan fitnessen en vervolgens ga ik naar de sportschool voor gevechtstraining. Vooral rondjes trappen en techniekoefeningen doen, soms ook sparren. Tegen de avond is het boodschappentijd, eten en rusten. ’s Avonds ben ik gewoon thuis. Mijn partner steunt me gelukkig enorm”. En de dag erna herhaalt dit zich weer, en de dag daarna ook, en daarna weer. “Mijn leven staat in het teken van de vechtsport”. Voor haar bestaat er niet iets als ‘vandaag geen zin’: ze wil winnen, dus ze traint. Zo simpel is het. Deze weken is het bikkelen om straks het EK te winnen, en daarna ― nee, dan breekt niet het grote genieten aan, dan traint ze alleen even minder hard.
“Hoe lang ik al op die manier leef? Ik denk zo’n 28 jaar”. Cath Zomer is nu 35.

Overlevingsdingetje

Mijn ouders deden me op judo toen ik zeven was. Dat ging best goed, ik won alles. Maar ik vond het niet leuk genoeg en de lerares was niet zo aardig. En: ze zeiden dat het moest. Met moeten heb ik niet zoveel op. Moeten is dwang. Tenzij ik het mezelf opleg, natuurlijk”. Cath vertrok van de judo en vond een andere sport.

Bij Mossel heb ik onder andere semi-contact karate gedaan. Hij was een goede leraar en ik had er een leuke tijd, maar… voor een vrouw sloeg ik vrij hard. Mijn tegenstandsters begonnen vaak te kermen en zeuren. Ik moest dan meedoen met een hogere gewichtsklasse en als er wedstrijdjes waren, werd ik bij de jongens ingedeeld. Dat beviel me steeds minder. Bij Seoul in de Kranestraat heb ik nog een tijdje hapkido gedaan, een Koreaanse vechtsport. Het was een beetje … Je leert mooie technieken, het is een hele mooie sport maar ja, het ging voor mij niet hard genoeg. Wanneer je op een bepaald niveau zit en echt los wil gaan dan moet je toch bij Kamakura zijn. Er is geen andere sportschool waar ze zó hard full contact karate zó goed trainen. Dat is er gewoon niet”.

Ze was negentien jaar toen ze besloot over te stappen. Toch een leeftijd waarop een doorsnee meisje aan andere zaken denkt dan aan de verschillen van semi-contact en full contact.

Asperger

Je hebt bij een semi-contact sport geen low kicks. Het lijkt meer op tikkertje, een spel om je goed op conditie te houden. Voor kinderen is het leuk. Minder beangstigend en het vraagt ook minder van je lichaam. Full contact zoals het kyokushin is intenser. Een harde sport. Het maakt je sterk. Maar je moet wel even door een pijnbarrière heen. Dat is een fysiek overlevingsdingetje, denk ik”. Ze bedoelt: als je hele lichaam pijn doet van de training of van het gevecht, en alles in jou roept vol spanning om hulp, dan nog ga je de ring in of de mat op. Je geest is sterker. Die hóórt sterker te zijn. Dat moet.

Nu heeft Cath een voordeel. Ze heeft Asperger en daarmee een bovengemiddeld concentratievermogen. Lachend: “Ik denk dat het een nadeel is dat de rest van de wereld het niet heeft”. Mensen met Asperger floreren bij structuur. “Voor mezelf is het nooit zo opgevallen dat ik Asperger had. Ik ben groot geworden in de wereld van het judo en het karate. Daar is structuur belangrijk. Het schept duidelijkheid. Ik denk dat het iedereen heel veel rust geeft op het moment dat je weet wat je deze dag gaat doen, is het niet? Het is fijn als je een wekelijks schema hebt, dat je dingen inplant en dat ze zo gebeuren. Dat draag ik graag aan anderen over, ik geef ook seminars”.

Budo

Er is vechtsport met en zonder budo. Tussen die twee zit een groot verschil. Zonder komt het eigenlijk neer op vechten binnen een sportieve dimensie. Een vechtsport met budo is een manier van leven. Door het judo kwam Cath al vroeg in aanraking met budo. Ze legt uit hoe ze budo ziet: “Een budosport heeft een culturele achtergrond waardoor er ook van je verwacht wordt dat je in je dagelijkse leven je ontwikkelt. Je gaat bewuster met jezelf om en je wordt geacht je karakter te verbeteren. Niet in je eentje, maar met de anderen op de sportschool”. Als kind leerde ze het al: “De trainer spreek je aan met u en niet bij zijn voornaam. Je groet beleefd. Er bestaat een hiërarchie: de één heeft een hogere band dan de ander. Respect is een werkwoord; voor de training arriveer je op tijd en in schone kleren. Dat soort dingen is het. Het lijkt nog het meeste op de ouderwetse Hollandse beleefdheid, alleen combineert het hier met vechtsport.” 

“Wanneer je trainer zegt: ‘Ga door’, dan ga je door, zonder te antwoorden met ‘ja-maar’”.

Bij sportschool Kamakura, waar ze traint, zijn deze omgangsvormen de norm. In het oude gebouw aan de Gheijnstraat geldt het huisreglement, maar veel sterker aanwezig is het morele gezag van kancho Gerard Gordeau. Hij bepaalt wat er gebeurt, hoe en wanneer, zonder daarbij alles uit te leggen. Die duidelijkheid geeft Kamakura een eigen sfeer, waarin de meesten opbloeien. “Dat zie je vooral bij jongens die uit democratische gezinnen komen,” zegt Cath. “Die kregen al op hun vijfde jaar inspraak in het huishouden, dus met grenzen omgaan kunnen ze dan niet meer. Bij de kancho is het kiezen of delen. Je doet wat hij zegt, of je vertrekt. Veel van die jongens noemen hem hun tweede vader. Het is een ouderwetse vorm van vaderlijke autoriteit die ze dan toch gemist hebben. Pas later, als je zelf verder bent in je ontwikkeling en je iets weet wat hij allemaal heeft bereikt in zijn leven, begrijp je waarom hij doet wat hij doet. Mij heeft hij in de loop der jaren heel ver op weg geholpen. Zonder hem was ik niet geweest waar ik nu ben”.

Cath vertelt verder: “Karate is een individuele sport maar de trainingen beoefen je samen. Dus je groeit samen en je helpt elkaar waar nodig. Zo kun je allemaal dezelfde weg gaan om het uiterste uit jezelf te halen. Want dat is waar het om gaat bij het kyokushin. Daarom volg je dus allemaal dezelfde regels. Je helpt elkaar verder in de sport en dat werpt zijn vruchten af in het dagelijks leven omdat je bewust en gedoseerd sociaal bent. Vooral bewust is belangrijk: het zet je met beide benen op de grond doordat je besef krijgt van je eigen capaciteiten, van de dingen die jijzelf hebt, waarvan je weet dat je ze of kunt geven of niet kunt geven. Daardoor weet je ook wat je voor een ander kunt betekenen en wat een ander van jou kan verwachten. De sport maakt je duidelijk wie en wat je bent. Dat is een manier van leven die niet iedereen op prijs stelt, hoor. Ik geloof ook best wel dat als je liever ziet wat de dag brengt, dat je daar heel veel moeite mee kunt hebben. Dat is eigenlijk wat budo met je doet. Het geeft je net zoveel diepgang als je aankunt”.

Hoe mooi je karakter ook is geworden, toch komt vroeger of later een tegenstander die wil winnen. Voor Cath is dat dus bij de kampioenschappen in maart. Het zal iemand zijn die ook getraind heeft op techniek en kracht. Die dus hard kan slaan. Ziet ze op tegen eventuele pijn? “Nee,” zegt ze. “Het gaat niet over pijn”.

oeckk2014_poster_medium

Zelfbeheersing

Vechtsport gaat over het totaal van conditie en kracht die je opgebouwd hebt door hard te trainen, en het inzicht dat je in jezelf hebt. Daar gaat het over. Het gaat over discipline en over je zelfbeheersing, en over de kracht die jij hebt weten te ontwikkelen in je eigen lichaam. Het heeft niets met pijn te maken. Je weet dat je die schop krijgt. Ik krijg ze ook. Ik heb ook vaak genoeg klappen gehad, hoor”.

Haar gezicht ziet er gaaf uit. Ongeschonden door blessures. Vooralsnog, tenminste. Maar ze vreest niet voor dat soort blessures. De vraag ernaar irriteert haar zelfs. Eerst zegt ze: “Nee, ik ben niet bang voor mijn gezicht”. Dan met een grapje: “Ik hoop gewoon dat ik straks zo goed ben dat het niet gebeurt”. Ze lacht. En uiteindelijk weegt ze serieuzer het risico van een blessure oplopen: “Dat risico neem jij ook iedere dag als je over straat gaat. Dat risico neemt iedereen. Dat is het leven. Je hoeft maar een auto-ongeluk te krijgen en niet getraind te zijn; dan zijn de blessures die je daaraan kunt overhouden zijn vele malen groter dan wanneer je wél getraind bent. Door te trainen maak je je lichaam dus sterker. En het gaat ten koste van niemand. Een wedstrijd evenmin. Als ik verlies, dan word ik sterker van mijn tegenstander, omdat die me op dat moment mijn zwakke plekken laat zien.”

“Net zoals wanneer ik win van mijn tegenstander, dat mijn tegenstander iets leert van mij”.

 Daar komt het gesprek steeds op terug, die wisselwerking tussen budo, vechtsport en het dagelijks leven. Praten met Cath Zomer over haar vechtsport is iets anders dan uitvoerig wedstrijden analyseren. Het gaat over de sport en tegelijkertijd over het leven zelf. Wat werkelijk belangrijk is en hoe je het beste uit jezelf haalt. Evenzogoed komt elke dag haar wedstrijd dichterbij en daarmee dat ze in haar witte karatepak, met de zwarte band, naar de ring gaat, voor het uur van de waarheid.mt iedereen. Dat is het leven. Je hoeft maar een auto-ongeluk te krijgen en niet getraind te zijn; dan zijn de blessures die je daaraan kunt overhouden zijn vele malen groter dan wanneer je wél getraind bent. Door te trainen maak je je lichaam dus sterker. En het gaat ten koste van niemand. Een wedstrijd evenmin. Als ik verlies, dan word ik sterker van mijn tegenstander, omdat die me op dat moment mijn zwakke plekken laat zien. Net zoals wanneer ik win van mijn tegenstander, dat mijn tegenstander iets leert van mij”.

Dat uur komt op zestien maart in de Haagse Sporthal Hellas, tijdens de Open Europese Kyokushinkai Karate Kampioenschappen. Voor velen is dat een gewone zondagmiddag, waar verder niets gebeurt. Voor degenen die daar in de ring treden, gaat het om winnen of verliezen. Een titel, een inzicht, een grens vinden en daar overheen gaan, zo mogelijk.

En dan weer. Nóg een keer.

Waar houdt zoiets op?

Bij de uiterste grens, en geen milimeter ervoor.

 

 

Karate kijken

Deze column verscheen eerder in2012 bij Haagse Topsport.nl

Noteert u even: zondag 18 maart 2012, vanaf 12 uur. Dan begint in Sporthal Hellas de 22ste OECKK. Hoe zegt u? Open European Championships Kyokushinkai Karate. Ja, daarom zeggen we dus OECKK. Iedereen mag meedoen, maar je bent gek als je zomaar de ring instapt. Ik ga erheen. Om te kijken.

Karate op dit niveau en op deze manier zie je weinig in het Haagse. Een keer per jaar dus, dankzij de organiserende sportschool Kamakura. Vorig jaar ging ik uit pure nieuwsgierigheid kijken wat het was. Hoe ze deden. En of er net als in de film planken hout doormidden geslagen zou worden, met schreeuwen in het Japans erbij. Dat laatste gebeurde, en hoe. Drie, vier planken, met de hand, de elleboog, op manieren waarvan ik dacht, dat gaat mis. Maar nee hoor. Vooral de karateka’s uit Iran leken zowat dagelijks stapels hout te breken. Nog voor het ontbijt, zeg maar. Dat nonchalante.

Het leuke is natuurlijk dat open karakter. Dat raakt een gevoelige snaar bij veel vechtsporters. Je eigen sport superieur vinden, dat ligt voor de hand. Zal je ooit iemand met zwarte band taekwondo horen zeggen: “Wat wij doen is leuk hoor, maar boksen, dat is het echte werk”. En boksers hoor je ook nooit zeggen dat jiu-jitsu pas echt wat doet met mensen.  Ieder voor zich denkt: wij zijn de beste, in conditie, met inzet, door onze mentaliteit, onze sport heeft ons gemaakt tot wat en wie  we zijn.

Met die gedachten ben je hartelijk welkom in de ring van de open kampioenschappen. Tenminste, zolang je je aan de karateregels van die dag houdt. Elk jaar zijn er weer nieuwe gezichten die vol zelfvertrouwen naar de instructies vooraf luisteren. Deze technieken verboden, deze technieken toegestaan. Vorig jaar was er een kickbokser uit Polen, gekleed in een lange sportbroek, die uitstraalde dat hij dit wel even ging winnen. Een uurtje later was hij dankbaar voor een simpel broodje kaas. Ja, zo’n dagje in het Haagse kan heel vormend zijn voor je karakter.

Dus daar verheug ik me op. Die openbare studies in nederigheid, en dan het hele internationale gebeuren. Er komen vechtsporters uit Roemenië, Denemarken, Frankrijk, Hongarije , Italië, en ga zo maar door, de lijst is lang. En daartussen hoor je dan onvervalst Haags klinken, vooral als er iets snel dient te gebeuren. Geinig. De broodjes kaas liggen zondag in hoge stapels klaar.

 

Op expeditie

Een kleine twee weken geleden zag ik een klassiek bloemkooloor. De eigenaar was een Poolse bokser-worstelaar die ook aan jiu jitsu deed.  Helaas mocht ik geen foto van maken, maar wel eraan zitten. Dat deed ik dus. Het oor voelde dik aan, keihard ook, met al die dikke rimpels erin. Pijn deed het niet, ook niet toen ik kneep. Bloemkooloren ken ik uit boksverhalen over de tijd voor de oorlog. Ik wist niet dat ze nog voorkwamen. “Door het worstelen,” zei hij, “zonder oorkappen.” Hij was lid van worstelvereniging Simson KDO, maar oorkappen gebruiken ze geloof ik nergens in worstelland.

En zo had ik weer een verband gevonden tussen boksen en worstelen. Historisch zijn de sporten verwant, en nog steeds lopen ze een beetje in elkaar over. Bij de sportschool van Bert Kops in Amsterdam natuurlijk helemaal; daar kun je boksen en worstelen. Bert Kops senior heeft handenvol worsteltitels op zijn naam staan.

Zo kom ik via het boksen in verwante werelden terecht. Ik ben op expeditie. Dus maakte ik voor het overzicht een nieuwe site Hoekvrouw2.nl Over vechtsport en krachtsport. Afgelopen zondag was ik bij het Nederlands kampioenschap bankdrukken. In Alkmaar.  Daar merkte ik ook hoe goed bij bokswedstrijden geregeld is. Wij hebben bijna altijd mooie wedstrijdoverzichten met naam van de bokser, gewichtsklasse en vereniging. Afgelopen zondag vroeg ik naar zo’n overzicht en men keek mij aan of men water zag branden. Was er niet. Hadden ze niet. Kwam nog wel eens online. En ik dacht, mensen, het is een Nederlands kampioenschap, doe daar iets mee.

Ik filmde onder andere Torben Olsen: 21 jaar en 103,5 kilo’s wegende.  Hij telt daar als ‘junior’. Torben zag ik 210 kilo omhoog tillen. Als kind wilde hij al krachtsporter worden, maar zijn ouders hadden liever dat hij naar judo ging. Uiteindelijk kwam hij toch waar hij zelf wilde zijn. Lees maar.

Vorige week zondag was ik bij OECKK, de Europese kampioenschappen Kyokushin Karate in Den Haag. Hard, hoor. Mooi ook. Kijk hier. Wie kwam ik daar tegen? Louis van Sinderen (Haagse Directe), met wie ik over Cubaans boksen sprak. Hij was er met René Prins, die bokslessen bij Dojo Kamakura volgde, zijn comeback wedstrijd won en nu hard traint in Purmerend bij Michel van Halderen. René was 18 kilo lichter dan de laatste keer toen ik hem zag. Onherkenbaar. Zijn laatste wedstrijd heeft hij mooi gewonnen en als er een NL-titelwedstrijd komt, kan hij zo de ring in. Je vraagt je af wat het geheim van Purmerend is, wie daar traint doet het goed, heel goed zelfs.

Op de site van bokser/trainer Albert Groen staan ook enkele nieuwe stukjes over hem. Klik hier. Hij had geen bloemkooloor. Het mag geen obsessie worden, zeg ik tegen mezelf, maar ik  zou wel graag willen weten of er nog boksers zijn die zoiets hebben.