biografie Rudy Koopmans

Het is een kleine pocket, dit boek, en eigenlijk verwachtte ik dat er ook een andere versie van zou zijn. Dikker. Met glanzende foto’s. En met een harde kaft, en dan ook meteen wat groter. Simpelweg omdat ik dacht dat een bokser als Rudy Koopmans een deftiger boek verdiende dan een eenvoudige pocket.

Maar dit is het enige. Een pocket waarin de foto’s ofwel te klein ofwel te vaag zijn afgedrukt. Op de voorkant een bezwete Rudy. Niet echt een flatteuze foto. Knap is dat, om van zo’n mooie man juist die ene foto te kiezen.

Tot zover de kritiek. Want ik ben blij dat er twee schrijvers zijn geweest die de tijd hebben willen spenderen om dit boek te schrijven. Het leest als een trein, en dat betekent dat er lang aan gewerkt is. Ook met Rudy zelf. Toen ik hem er een keer naar vroeg, vertelde hij iets over zijn medewerking. Om er in dezelfde adem aan toe te voegen, dat er geen tweede boek komt. Geen zin in. Hier staat het al in, dat wil dus zeggen, de waarheid volgens Rudy Koopmans.

Het is een biografie, een levensbeschrijving die opgetekend is alsof de auteurs overal zelf bijgeweest zijn. Zo schrijven ze:

Voor een indruk; een willekeurige pagina. Goed te zien is de matige kwaliteit van de foto’s.

“30 januari 1948 was een heuglijke dag in huize Koopmans aan de Oostkade in Leeuwarden. De achtste telg kwam ter wereld; een gezonde jongen!
Amper was er het eerste levensteken of het huis liep vol. Geert, Tinus, Rennie, Anneke, Nanne, Bernhard en Joke verdrongen zich bij het kraambed van moeder om hun nieuwe broertje te bewonderen.
Vader Koopmans maakte de naam van de nieuwkomer bekend: Rudolf! De traditionele beschuit met muisjes werd voor de dag gehaald en door Geert, de oudste van het gezin, verdeeld. Daarna stuurde vader Koopmans de kinderen de straat op, waar ze het blijde nieuws wijd en zijd bekend mochten maken. De jubelstemming duurde de hele dag, maar daarna ving het dagelijkse leven weer aan.”(p.17)

Op dezelfde voet gaat het boek verder. Rudy’s jeugdjaren in Leeuwarden, kameraadschappen met onder meer Wiekie Akkerman, Lolle van Houten en Flip Krikke. Dan de verhuizing naar Amsterdam, trainen bij Nelis Bisschop. Moeizame liefdesrelaties. Prof worden, titelgevechten, afscheid. Een logische levensloop met uiteraard mooie beschrijvingen van zijn wedstrijden. Een stukje uit het hoofdstuk over de wedstrijd om de wereldtitel, Los Angeles 1980:

“Weer wilde Rudy de taktiek van het bewegen volgen, maar toen gebeurde er iets dat niet in het trainingsschema stond. Moestafa haalde uit en met een korte knik van zijn hoofd schampte hij Rudy’s wenkbrauw. Hard genoeg om een flinke open wond te veroorzaken. Het bloed sijpelde over zijn gezicht. Er ging een siddering door Rudy heen.
“Dit niet. In Godsnaam niet zo!”mompelde hij. In de hoek keek Henk Rühling naar de fikse wond tussen het oogld en de webkbrauw.
“Kunnen we nog wel iets aan doen, Rudy,” riep hij vertwijfeld uit. Dokter Delucca veegde wat bloed weg en schudde zijn hoofd. Rudy had het gevoel of de bodem van de boksring onder zijn voeten wegzakte.”

Details, geloofwaardig ook nog. Je beleeft het mee, en eens te meer denk je: wat is het eigenlijk gek, dat er zo weinig van Rudy Koopmans op YouTube te vinden is. Je wilt het toch zien, zeker de wereldtitel, ook al is het meer dan dertig jaar geleden. Boksgeschiedenis van ons land is het. Bijna weggezakt. Maar door beschrijvingen als deze (en daarvan heb ik maar een klein stukje geciteerd) hebben we nog een herinnering.

Eigenlijk vind ik dat het boek een heruitgave verdient. Dan is het tenminste gemakkelijker te koop. Dit exemplaar kocht ik online, via Boekwinkeltjes. Zonet keek ik even: nog twee exemplaren, elk rond de zeven euro. Geen geld.

Inhoud:

1 Het einde van een roemruchte bokscarrière; 2 Herrieschopper met splinternieuwe bokshandschoenen; 3 Nederlands beste amateurbokser in Duitsland wel gewaardeerd!; 4 Prof in Duitsland; geen nederlaag, maar nooit geld op zak; 5 Eindelijk erkenning in eigen land; 6 De eerste keer om de Europese titel, de vreugde, de teleurstelling; 7 Nog een keer Traversaro!; 8 De wereldtitel: naar de hemel en door de hel; 9 De belasting haalt Rudy pas echt neer!; 10 Het moeilijke gevecht buiten de ring.
‘Jongens, bedankt!’
‘De complete lijst van Rudy Koopmans’ profgevechten vanaf 1972’

Leon Zoeteman/Charles Zwarts: Rudy Koopmans. In de ban van de ring.
Leiden: Uitgeverij Batteljee & Terpstra, 1984
165 pag, met foto’s.

Olympia Leeuwarden/Osnabrück

Osnabrück (Duitsland). Raspo Sportpark. Teuto Cup 2010, 6 en 7 november.

“Je komt toch wel mee?” had trainer Eddy ten Cate gezegd. Even dwingend als hartelijk, zoals alleen een Fries dat kan zeggen. Olympia Leeuwarden ging boksen in Osnabrück. Wedstrijden om de tiende Teuto Cup, en belangrijker dan dat: het was de eerste keer dat ze naar het buitenland gingen, sinds de dood van Tabe Kooistra in maart. Dus ik zei dat ik kwam, naar de finale op zaterdag.

In de trein naar Osnabrück dacht ik aan Tabe, aan Eddy, en aan de balans tussen herinneren, respecteren en toch ook een eigen weg zien te gaan. Het is een beetje als in een familiebedrijf waar de opvolger de traditie vasthoudt maar die op een eigen manier moet zien voort te zetten. Ga er eens aan staan.

De sporthal was groot en leeg. Koud licht, een ring in het midden, eromheen weinig publiek. Op een lange tafel stond een lange rij Teuto Cupjes. En bij de ring zaten de Olympianen. Hilgur Demmer en Ricardo Stuivenvolt, die deze avond moesten boksen. Taco van der Heijden, mee voor de support. Remco de Jong, helaas te ziek om te boksen. Hendrik Hensema was gisteren naar huis gegaan met een gebroken neus. En Eddy dus, die het ook druk had met de Deutsche Freunden, want de plannen zijn om vaker bij ze te boksen.

Tabe in het nieuwe logo van Olympia Leeuwarden

Een andere verandering was al zichtbaar. Olympia heeft een nieuw logo. ’t Staat op de site, op de nieuwe vaantjes, op de tassen en ’t is te zien op de kleding. Een eerbetoon aan Tabe. Ze koesteren hem, en dus komt zijn naam regelmatig voorbij. Wat hij zei. Hoe hij aan de ring stond. Toen ik de eerste keer ging boksen en ik de ring uitkwam. Veel herinneringen zijn er. Maar Tabe zelf is er niet meer, dus dat betekent dat de  boksschool een nieuw evenwicht moet vinden.

Na de inleidende speech komen alle boksers in de ring. De ringspeaker noemt elke bokser bij de naam, die dan naar de overkant loopt, de tegenstander een hand geeft en daar blijft staan. Zo staat uiteindelijk iedereen aan een andere kant.

Op de matching zie ik een indeling in Junioren, Jugend en Kadetten. Voor mij zijn de Kadette een nieuwe leeftijdsklasse maar precies wat, is me onduidelijk. De tweede partij van Jugend wordt gebokst door twee flinke jongens, 17, 18 jaar misschien. En mooi ook: ze zijn sterk, alert, kunnen wachten en leveren dan scherpe combinaties af. Junus Arsenow (BC Gütersloh) is van dezelfde boksschool als Joschka Bambor, tegen wie Hilgur later die avond staat.

Ik ga op onderzoek. Trainer Peter Strickrodt vertelt me dat Gütersloh een kleine club is met “maar” 200 leden en 15 aktieve wedstrijdboksers. “Ach so,” zeg ik neutraal, en denk dat dat best veel is. Joshka Bambor blijkt naast hem tegen de meur te leunen. Blond en ontspannen. Hij is 25 jaar, oud-basketballer en begon pas te boksen op z’n 22ste. “Aber warum denn?” vraag ik, en hij vraagt terug: “Warum nicht?” Daar heb ik geen antwoord op.
Nee, zenuwachtig is hij niet. “Ich bin ganz ruhig”, vat hij zijn karakter samen. Zo is hij gewoon. Ook met zijn toekomstplannen. Sociale academie afmaken, dan bij voorkeur boksles geven aan kinderen. Het klinkt lief. Dus ik besluit bij zijn hoek te gaan filmen, dan kan ik van dichtbij zien hoe moeilijk hij het krijgt. Eerst nog even inslaan. Ik mag mitkommen.

Dat had ik niet verwacht. Zit er dat brave blondje opeens een loeisterke tank. Ik kijk waar Hilgur is, maar die is niet meer aanspreekbaar. Hij heeft een koptelefoon op en is met de warming up bezig. Ik ga terug naar de Olympianen die er net als ik van uitgaan dat “we” winnen.

Zo gaat het verder. Tussen de rondes hoor ik Joschka flink vloeken. Hilgur vind ik technisch beter, maar een loeisterke tank is moeilijk te hanteren. Na de derde ronde vloekt Joscha nog een paar keer grensverleggend. Hij ziet eruit of hij moet overgeven. Dat vind ik fijn om te zien. Maar hij wint en dan is hij prompt weer ganz ruhig. Hilgurs rechteroog zal later op de avond opzwellen en allerlei kleuren aannemen.

Intussen ben ik verbaasd over de kale ongezelligheid van de avond. De tiende Teuto Cup, en nergens hangt ook maar één enkele feestballon. De toeschouwers bestaan vooral uit familie, vrienden en kennissen. Al wordt het later op de avond iets drukker, feestelijk zal het geen moment zijn. En ik dacht nog wel dat ik een groots lustrumtoernooi ging meemaken. Aan de andere kant heeft dit ook wel iets. Bokswedstrijden lijken veel gewoner zo.

Meteen na Hilgur komt Ricardo de ring in. Dan sta ik ook weer in de Deutsche Ecke, maar er is toch maar één stem die in de sporthal klinkt. Helaas, ook Ricardo verliest. Bijna, bijna.

Blauwe hoek Ricardo Stuivenvolt (Olympia Leeuwarden) tegen Eduard Seiferling (BC Warendorf). Eerste ronde minus eerste seconden, hele wedstrijd op YouTube.

Eddy ten Cate aan de ring

Na de wedstrijden komen de boksers weer in de ring voor hetzelfde oversteek-ritueel. Nu worden de medailles en bekers uitgereikt. De boksers krijgen een tasje met inhoud mee naar huis. Er zit een certificaat en dergelijke in. Dan is het klaar. Min of meer, want de nabespreking gaat door tot en met de laatste minuut in Leeuwarden.

In het busje dat over de Autobahn terugrijdt is het geen moment stil. Er valt veel te bespreken. Afstemmen op elkaar. Boksstijl. Het zekere voor het onzekere nemen. Had ik hem kunnen hebben. Als ik dit zeg dan bedoel ik dat. Wat Tabe vroeger deed. Toekomstplannen. Leren van elkaar. Wanneer weer naar de boksschool. Iedereen is betrokken, het is soms emotioneel, maar het is een boksschool waar toekomst in zit, dat is zeker. Dit is Olympia na Tabe, met Eddy, maar toch ook niet zonder Tabe.

Reino van der Hoek

“Daar staat hij”, wees Eddy ten Cate (Olympia Leeuwarden). “Een van de grootste boksers uit Friesland.” Ik keek en zag hem staan. Reino van der Hoek. Gewoon, tussen de anderen, kijkend naar de ring, net als de anderen. Maar wel met een bokscarrière die hem aanzienlijk minder gewoon maakt.

Hij was twee keer junior kampioen lichtwelter 1979, 1980 of 1981; B klasse kampioen lichtwelter 1982, A-klasse kampioen lichtwelter in 1984, 1985, 1986, 1987. En een keer A-klasse kampioen welter in 1988. Maar ook: drie keer verliezend finalist in 1982 tegen Saro (lichtwelter), in 1989 tegen Ronald Vos (welter) en in 1990/91 tegen Delibas in het zwaarwelter.

Acht keer kampioen van Nederland, present op het Europees kampioenschap van 1985 en 1987 (brons) en naar het wereldkampioenschap in 1986. Het jaar daarop gewonnen van een Cubaanse wereldkampioen, Garcia. In datzelfde jaar stond hij op de achtste plaats van de wereldranglijst. Veel internationale wedstrijden gedaan. Prof geweest. Al met al indrukwekkend. Zo hebben we er niet veel in Nederland.

Later keek ik weer naar Reino van der Hoek. Eigenlijk was het staren, om te kijken hoe hij deed. Bij de Nederlandse kampioenschappen in Rotterdam was hij ook aanwezig. “Ik voel me goed in dat wereldje”, zou hij later tegen me zeggen.

Reino is een man die tijdens een bokswedstrijd achterin de zaal hangt, die een beetje circuleert, en daarna precies kan vertellen wie er was, en wat de boksers in de ring goed en fout deden. Er hangt een rusteloosheid om hem heen, een scherpe alertheid die snel van focus wisselt. Een bokserskwaliteit.
Is hij in gesprek, dan kan hij even een blik op de ring werpen en zeggen: die wint, die niet. Dat komt meestal uit. Reino heeft zo’n tweehonderd wedstrijden gedaan, dan krijg je er wel kijk op. Met boksen begon hij op zijn vijftiende jaar, altijd bij Olympia Leeuwarden en altijd met zijn helaas overleden trainer Tabe Kooistra. In 1992 werd Reino prof, dat duurde tot 1995.

Waar blijft een bokser na het boksen?
Wat is er overgebleven van de tijd van toen?

In ieder geval een helehoop bekers en beeldjes en diploma’s en foto’s. Een groot deel ervan is pas naar Olympia gegaan, waar Eddy ten Cate er iets moois mee gaat doen voor de nieuwe generatie zonder historisch besef. Er zijn filmopnames, waarvan een deel op YouTube staat, dan zie je waarom ze hem een ‘knokker’ noemden. Zelf zegt hij: “een vechtjas met verstand”.

Bundesliga, 1987-1989.  Weet iemand anders nog wie de tegenstander is?

Er zijn twee dozen met foto’s en plakboeken. Er zijn herinneringen weg en er zijn herinneringen over. En er zijn verhalen: “Twee dagen te voren belden ze me op of ik meewilde naar een toernooi in Indonesië. Ik zeg ja, en ik won nog ook.” Er is de opgedane bokservaring. Maar trainer worden, daar ziet Reino momenteel niet zo veel in. Na al die jaren van boksdiscipline past hij niet meer zo goed in een structuur van toezeggingen en verplichtingen: “Dan gaan ze op je rekenen”, dus dan moet het, en dat moeten wil hij voorkomen.

Reino is een rivier zonder oevers: de mentale kracht waarmee hij zich voor het boksen kon inzetten is er nog. Dat veroorzaakt de rusteloosheid. Want die kracht wil vrij kunnen stromen. In het dagelijks leven is dat lastig. Daarbij komt, dat iets half doen hem slecht lukt. Gaat hij fietsen? Meteen zware bergtochten in Frankrijk: La Marmotte, in 2003 en 2005. Waarna hij er genoeg van heeft want het werd weer bijna een verplichting. Momenteel traint hij in Purmerend bij Michel van Halderen, een uurtje rijden vanuit zijn woonplaats Hoofddorp. Ook hier is het: totale inzet. Voordat de rest met de training begint is hij al een uur bezig. Het zit in hem.

Thuis heeft hij nog veel foto’s. Van zijn gezin natuurlijk, en ook van het boksen. Vaak staat Tabe daarop. Tabe juichend bij de ring, armen omhoog. Tabe die achter hem zit, Tabe die naast hem staat. Een twee-eenheid. Bij het bekijken van de foto’s vertelt Reino over vroeger.

2010 vlnr: Michel van Halderen, Reino van der Hoek, Eddy ten Cate. Op de rug gezien: Jaap Postma (Olympia Leeuwarden)

Over eten. Dat hij altijd moeite had om gewicht te maken voor zijn welterklasse. Andere mensen verliezen ’s nachts een kilo aan gewicht, nou, hij niet, hij kon wel twee kilo aankomen. Die ellende van  voortdurend moeten aftrainen. Ik zie foto’s van een touwtjespringende Reino in een dik pak kleren. Over zijn hoge tempo in de ring. Intervaltraining, licht Reino toe, zo trainde ik, dan kon ik in de derde ronde het tempo nog omhoog gooien. Een wedstrijdritme? Kijk, hier is de lijst tot 1986. En ik zie in de gauwigheid maanden met daarin heel wat wedstrijden. Jammer dat hij zijn wedstrijdboekjes niet kan vinden, die vormen een halve biografie. Sportman van het jaar in Friesland geweest. Over jonge boksers trainen. “Als ze zeiden ‘ik ben moe’ dan sloeg ik ze met een stofzuigerslang. Dan waren ze opeens niet moe meer.” Hij lacht er wel bij, maar hij zou het zo weer doen, vermoed ik. Honderd procent focus en honderdvijftig procent inzet wil hij zien. “Anders word ik kwaad.” De harde aanpak. Over zijn broer, Ivo van der Hoek, die zo’n twintig wedstijden bokste.

Reino kijkt terug met veel tevredenheid: “ik heb er alles uitgehaald”. En hij maakt de laatste weken letterlijk ruimte voor iets nieuws. Vrijwel alle bekers zijn al naar het noorden.

Een deel van Reino's collectie

Ik krijg oude nummers van De Ring en De Gong, interessante brieven van de Bond en andere boksarchivalia. Een tas vol.

Maar over dat nieuwe blijft hij vaag, hoe ik ook aandring. Dus, jonge wedstrijdboksers in Purmerend en Leeuwarden, of in de omgeving daarvan, attentie. Las voor de zekerheid extra hardlooptrainingen in, liefst met intervallen. Je weet maar nooit.