Bokser Roos Disch

Roos DischSterren aan het boksfirmament. Herinneringen aan onze grote boksers. “Roos Disch”, door Jan Liber. In: De Ring, 1e jaargang, nr. 18. 23 juni 1948

Er zijn heel wat jonge boksers geweest, die niet ,,mochten” van thuis en die zijn er nog altijd. Er was eens een tjjd, dat vele ernstige vaders hun zonen verboden te voetballen, die dat getrap tegen een balletje maar tijdverknoeien, onverstandig en ongezond vonden. Zulke vaders zijn er nu niet meer. Weil echter zijn er helaas nog maar al te veel vaders, die bun zonen verbieden te boksen. Zij vinden dat slaan op mekaars gezichten ruw en onfatsoenlijk en gevaarlijk. Ik heb evenwel een vader gekend, die tegen zijn zoon zei: ,,Jongen, jij moet gaan boksen, Ik ken geen mooiere sport.” En laat nou die zoon er eigeniijk niet voor voelen! Die zoon heette Robert Disch, onder zijn kornuiten altijd Roos genoemd.

 

Het klinkt natuurlijk ongelofelijk voor een man, die in zijn tijd tot de beste puntenboksers van Europa behoorde, die de sterkste Engelsen weerstond en de hardste Belgen klopte. Toch is bet zo. Roos Disch bezat met de ware liefde voor de bokssport. Hij beschouwde die sport alleen maar als zijn broodwinning, als zijn vak. O zeker. hij vatte zijn werk ernstig genoeg op, maar hij vond er geen bevrediging in. Er zijn meubelmakers, die elke stoel en elke tafel met even veel zorg en evenveel ambitie in elkaar zetten, die het meubelstuk, dat zij maken bijna strelen en het als iets van hen zelf beschouwen. Dat zijn mensen met liefde voor hun vak. Maar er zijn er ook, die de dingen zo maar hoep, floep in elkaar gooien. Hoe eerder ze er van af zijn hoe liever en of de ene poot nu een millimeter korter is dan de ander, zodat zo’n stoel een doorlopende ergernis voor zijn bezitter wordt, om-dat hij altijd staat te wiebelen, dat kan hen niet schelen. Zulke mensen worden echter nooit uitblinkers. Zij bereiken nooit het allerhoogste. Zij missen het sterk makende idealisme, dat hen op een hoger plan, op een hoger niveau moet brengen. Zo is het ook met Roos Disch gegaan.

Hij miste precies de heilige vonk, die het hoge idealisme had kunnen doen ontbranden. Als die vonk er wel was geweest — Theo Huizenaar heeft het me in die dagen tientallen malen verzekerd — zou Disch een groot kampioen geworden zijn. Maar zo gaat het nu eenmaal in de sport. Om een groot kampioen te zijn, moeten alle kwaliteiten van techniek en temperament en vechtlust en ambitie en toewijding en moed in een man verenigd zijn. Als er maar een enkel element ontbreekt is het mis.
Disch had prachtige karaktereigenschappen. In de bokssport zijn er maar weinigen geweest zoals hij. Prettig en hartelijk kameraad, die alles voor iedereen over had. Echt een kerel uit een stuk, die je nooit in de steek zou laten. Altijd tot helpen bereid. Zijn mooiste hulp heeft hij wel gegeven tijdens het grote bombardement van Rotterdam op 14 Mei 1940. Hrj woonde toen in een van de zijstraten van de Schiedamse-singel. Aan de overkant van de singel stond de boel al in vlammen, aan de kant waar hij woonde was er nog niets gebeurd. Rustig zwom hij de Schiedamsesingel over, ging daar helpen bij het redden van wat schamele have en zwom een paar keer heen en weer om het goed in veiligheid te brengen. In de ring had hij iets flegmatieks, iets rustig onaandoenlijks. Hij liep niet zo gauw warm. Hij was altijd de koelbloedige. Dat maakte bij het publiek wel eens een verkeerde indruk.

De mensen oordelen gewoonlijk snel en dus oppervlakkig. Men kende die innerlijke onverschilligheid van Disch niet. Het nonchalante gebaar, dat hij kon maken of het verveelde gezicht, dat hij kon trekken, deden soms wel eens onsympathiek aan. Het gaf hem iets hautains, iets hooghartigs. De mensen zeiden dan wel eens: Die Disch is een beste bokser, maar hij is toch eigenlijk wel een opscheppertje in de ring, hij wil zo echt laten zien, dat hij het kan. En dat was nu precies niet waar. Het kon Disch allemaal zo weinig schelen wat er gebeurde. Het interesseerde hem nauwelijks of hij won of verloor en als hel publiek hem hoonde, krulde er alleen maar een minachtend en tegelijk een superieur lachje om z’n lippen. Hij was als de grote kunstenaars, die kunnen uitroepen: “Publiek ik veracht U!”

Als een jog van een jaar of zeventien kwam Disch in 1929 bij Huizenaar in de school. Het was alles mager en kwaad wat er aan die slungel was. hij rnaakte echt de indruk van een slome slungel. Theo had echter gauw bekeken, dat er wat in dat knaapjezat. Het zou alleen maar de kunst zijn, er uit te halen. Hij begon als amateur in de vedergewichtklasse met een indrukwekkende k.o.-overwinning.  Hij bokste 31 wedstrijden, waarvan hij er slechts drie verloor. Toen hij in 1932 het vedergewichtkampioenschap van Nederland veroverd had, vond Pa Disch het nodig tegen zoonlief te zeggen: En nou moet je maar prof worden. O, die oude heer Disch was een echte boksfan.

Roos DischIk herinner me nog, dat  na een wedstrijd in Den Haag, — tegen wie het was weet ik echt niet meer-  Disch werd uitgefloten. De jury had hem winnaar verklaard en daarmee mee was deel van het lieve publiek het niet eens. Woedend en met verwrongen grauw gezicht sprong Disch Sr. in de ring en begon tegen iedereen uit te varen. Met moeite konden zijn vrienden hem kalmeren. Zo was de man nu eenmaal, Hij ging op in de bokssport en je moest het niet wagen een woord ten nadele van Roos te zeggen, want dan werd hij gevaarlijk.
De successen als prof volgden elkaar snel op. België beschikte in die tijd over een stel beste vedergewichten. Daar waren Alf Berg, Mulkay, Benoir, Roothoofd. Ze werden allen verslagen. Het gebouw van Kunsten en Wetenschappen in Rotterdam op de Schiedamsesingel was voornamelijk het toneel van de strijd. Die lange pijpenla was eigenlijk een heel ongezellige zaal en allerminst geschikt als boksarena, maar er was niet anders in Rotterdam.  De Circusschouwburg was afgebrand, die goeie tijd was voorgoed voorbij. Ook de dagen van K. en W. heeft echter wel mooie bokssport opgeleverd.

Het jaar 1933 bracht wederom een reeks schitterende successen voor Disch, die inmiddels naar de lichtgewichtklasse iwas overgegaan. Harry Stein, de officiële kampioen van Duitsland, werd royaal op punten geklopt, de Nederlander Bakker ging in de 5e ronde k.o. en (later in de revanche in de derde. Toch was Disch geen typische knock outer. Hij had die echte Engelse stijl van het puntenwerk met een prima linkse directe. Zijn lange armen waren hem daarbij van groot voordeel.  Zijn enige nederlaag in 1933 was tegen de Belgische kampioen Saerens. Disch was in die partij zeker niet de mindere geweest. Ik herinner me nog zeer goed, dat het een van zijn beste gevechten was. Saerens was echter een zeer handige jongen met zeer veel routine en misschien ook wel een beetje minder sportief dan Disch. Toen hij in de negende ronde geheel onopzettelijk te laag geraakt werd, zei hij niet meer te kunnen doorboksen. De protectors waren in die dagen nog niet van de kwaliteit als thans en de scheidsrechter kon niet anders doen dan Disch diskwalificeren. Een maand later werd Disch lichtgewichtkampioen van Nederland door een overwinning op Jan Scheffers, een leerling van Schilperoord, die thans nog sportinstructeur bij de Rotterdamse Lloyd is.

Toen naar Engeland. Londen, Grimsby, Bristol, Liverpool en overal waar hij kwam veroverde Disch stormenderhand de harten van Engelsen en Schotten.
Daar was dat prachtige gevecht met Jim Stewart. Deze heer Stewart was een knock outer van de bovenste plank. De befaamde Jackie Kilberg ging er in drie ronden aan, Sybille in twee, Scheffers bieef maar een ronde op de been. Toen moest Disch het proberen.
Het was in Liverpool in 1934. IJzig kalm, zoals altijd ging Disch de ring in.

Van links naar rechts: Arnold Lagrand, scheidsrechter Knol en Robert Disch

Theo Huizenaar achter hem was veel zenuwachtiger dan hij. De eerste gongslag en het was of daarmee heel Li­verpool op het hoofd van Disch neerkwam. Een verschrikkelijke rechtse had zijn kaak getroffen voordat hij tijd had gehad om zijn handschoenen op te heffen. Disch smakte tegen de planken, maar hij bleef volkomen helder, rustte op zijn knie tot negen en zei onderwijl tegen Theo: “Alles in orde, die kans krijgt hij niet meer.” Zo gebeurde het ook. Stewart kreeg geen kans meer hem vol te raken. Het werd een opwindend gevecht, waarin Disch gelijk opbokste. Dat hij op punten verloor na vijftien zware ronden, was uitsluitend aan die down in de eerste ronde te wijten geweest.

Een schitterend gevecht leverde hij ook tegen Boyo Rees in Bristol in 1935. De Engelse pers was opgetogen. Weer verloor Disch op bet nippertje en tegen de beroemde Gustav Eder, op z’n best in die dagen, bleef hij ook de hele af stand staan. Het waren echter allemaal nederlagen en daarom kwam Disch nooit in aanmerking voor een wedstrijd om een Europese titel.

Nog een staaltje van de boksintelligentie: Op een Dinsdag moest Disch in Antwerpen de revanche tegen Saerens boksen. Een paar dagen tevoren had Huizenaar een telefoontje gekregen van de bekende Parijse promoter Jef Dickson, dat de tegenstander van Bricout niet kon uitkomen en of Disch wilde invallen. Best, zei Theo, we komen. Dinsdags bokste Disch dus tegen Saerens en verloor twijfelachtig op punten. Di­rect na afloop met de nachttrein naar Parijs. Overdag in het hotel een paar, uur geslapen. ‘s Avonds tegen Bricout in de ring. Schitterend gevecht, enthousiast publiek, enthousiaste pers en enthousiaste Dickson, die zo tevreden was, dat hij een dubbele gage uitbetaalde, maar het was weer een nederlaag geweest.

Donderdag terug naar Rotterdam en Zaterdags oversteken naar Engeland, waar hij Zondags net maar eerlijk van Harry Mizzler verloor. Daar waren dus drie prima gevechten in zes dagen geweest en Disch had er geen schrammetje van overgehouden. In 1936 behaalde Disch ook de welter-titel door Bep Donnars op punten te kloppen en de beide titels heeft hij jaren gehad. Aan het eind van zijn loop-baan na de oorlog verloor hij die titels aan Nol Lagrand en Jan Nicolaas.

Misschien zou hij nog steeds actief bokser zijn, als niet een ongeval ontijdig aan zijn carriere een eind gemaakt had. Bij een stoeipartijtje kreeg hij een vork in het oog, waardoor het netvlies op drie plaatsen beschadigd werd. Maandenlang moest hij in het ooglijdersgesticht in Utrecht verpleegd worden en hoewel hij volkonien genezen ontslagen werd, was het toch te riskant om nog te blijven boksen.
Zijn vader, die nooit een wedstrijd over-sloeg, is hem ook nu trouw gebleven, want samen met Roos leidt hij een café in Rotterdam. Op 26 Juni wordt Disch 36 jaar.
Zijn vele vrienden zullen die dag niet vergeten hem op te zoeken.

Bokser Bep Donnars

bebon

Bep Donnars, middengewicht

In de oude kranten uit de jaren ’30 en ’40 kom ik zijn naam tegen: Bep Donnars. Middengewicht. Hij bokste door het hele land, tot ver in de oorlogsjaren toe. In 1943 staat hij in Groningen, tegen de legende Johan de Jager. Maar hij gaat ook naar het buitenland, naar Parijs en waarschijnlijk zelfs naar Nederlands-Indië. In Den Haag trainde hij bij Karel de Jager aan de Oldenbarneveldtstraat.

In 1933 was er zoals vaak boksen in de Haagse Dierentuin, daar ging het op 16 februari om de Nedelandse titel:

“Daarop kregen we de hoofdpartij te zien tusschen Bep Donnars, den Haag, 69 kg. en Leen Sanders. Rotterdam. 67 kg. Dezen hebben de 10 ronden uitgebokst. waarbij I.een Sanders bizonder uitmuntte door goede dekking en snel inkomen. Donnars wist van zijn langere reach niet voldoende gebruik te maken om Sanders voldoende op afstand te houden. In het lijf aan lijf-werk toonde Sanders zich de meerdere. Deze wedstrijd werd door Sanders op punten gewonnen. “
Verder is het vaag, wat Bep Donnars betreft, en dat terwijl hij “de bekende Haagse Bokser” heet te zijn. Ik vond een enkele foto, en die staat hierbij. Komt uit een mooi oud sportblad. Een auteur stond er helaas niet bij.
Sport in Beeld.

De Revue der Sporten. 19 oktober 1936. 30ste jaargang no.12, p.12

Er is een tijd geweest, dat de bokssport in een niet al te besten reuk stond. De buitenlanders, die tegen onze Hollandsche jongens in den ring kwamen, zochten meermalen verbluffend vlug de planken op of gaven zich roemloos over, terwijl het met „de rechterlijke macht” ook maar poover gesteld was.

Dat behoort nu tot het verleden. De bokssport is thans daarbij zoo goed gereglementeerd, dat excessen van vroeger tot het verleden behooren. De volijverige promotor Theo Huizenaar, geschraagd door een jarenlange routine, weet nu ook precies welke spelen het volk wil.

Zo had hij vorige week in de trots haar strakke, statige en strenge lijnen voor het doel uitnemend geschikte Doelezaal den jongen, sterken, Hagenaar Bep Donnars gezet tegen den buitengemeenkundigen Belg Louis Saerens, dien wij hier niet genoeg kunnen zien. Van stonde af aan werd er een hoog tempo ingezet. Al spoedig nam Saerens het initiatief over van Donnars, die het in de hoofdzaak van aanvallen moet hebben, doch nu geen kans kreeg om gevaarlijk te worden en de puntenzege dan ook aan de Belg moest laten.
Doordat de Amsterdammers verlaat waren via autobuspech (waarom den trein niet genomen? Dit sluit vrijwel ieder risico uit, gaat voor het onderhavige traject even vlug en is weinig duurder!) werd er begonnen met één der partijen v. Loon- Kwentemeyer, resp. gesecondeerd door grootheden van vroeger als Nol Steenhorst en Herman van ‘t Hoff. De Enschedeër had er in de 5de ronde genoeg van en de techhnisch betere man: v. Loon won.

De Rotterdamsche k.o. koning, die uiterlijk veel overeenkomst vertoonend met de in den zaal aanwezigen en door Pa Bok “gechaperonneerden” Johnny de Korver (v. Heel, Barendregt, Seton e.a. zorgden voor een verdere Sparta-Feijenoord ontmoeting) kon ditmaal zijn tegenstander, den ongelooflijk taaien en bewonderenswaardig moedigen v. Lil niet naar droomenland sturen en moest zich na een spannend vinnig gevecht met een puntenoverwinning tevreden stellen. Aan het einde van de 7de ronde gaf de Amsterdammer een merkwaardig staaltje van zijn elasticiteit, toen hij achterover door de touwen van het podium afsloeg, doch ruim vóór de fatale tien tellen weer op de been in den ring stond.

Zijn stadgenoot Kroet daarentegen miste het vereischte temperament. In de pauze’s had hij zelfs geen waaier noodig! De strijd nam een zeldzaam einde. Rieger plaatste een voltreffer, zoodat Kroet niet in staat was om verder te boksen. Even te voren had de scheidsrechter – niemand minder dan praeses Westbroek – reeds “break” geroepen, zoodat Rieger gediskwalificeerd moest worden.

Op de vorige wedstrijden had o.a. Huib Huizenaar tegen Tom Bull gebokst; de revanche vindt Woensdagavond in Leuven plaats.

Jan Maas (oproep)

Jan Maas, met de handtekening van Bep

Bantammer Jan Maas

Hij trainde bij Theo Huizenaar, trok veel op met diens broer Huib en bokste een aantal wedstrijden. Bantammer. Geboren op 27 oktober 1925 en “een paar jaar geleden gestorven”, zegt kleinzoon Danny Maas. Danny is op zoek naar de bokser die zijn opa was. En de man die hij was, de jongen die hij was, zijn hele leven eigenlijk. Een biografie schrijven, dat wil hij, maar het woord schrikt nog een beetje af. Eerst maar eens informatie verzamelen.

Deze week spraken we er een tijdje over.  Hoe de wereld eruit zag in 1925, het geboortejaar.  Zijn opa was drie jaar oud, toen Bep van Klaveren een gouden medaille won op de Olympische Spelen. Er is een foto waarop een kleine Jantje Maas, misschien vijf jaar oud, zijn vuisten heft. Zo jong al. Dan kampioenschap van 1948.De wedstrijden als profbokser. Danny’s ontmoeting met Jan de Bruijn, die zijn grootvader kende. Over de mooie verhalen die hij hoorde, de ene anekdote volgde de andere op. Maar ook hadden we het over hoe beroerd de boksgeschiedenis bewaard is gebleven. Alsof het niet belangrijk is.

Danny is dus op zoek naar alles en iedereen wat met zijn grootvader te maken heeft. Hij is al even op onderzoek, dus in Rotterdam kent hij een beetje de weg. Hij heeft wat foto’s. En van zijn grootmoeder heeft hij een lange lijst met namen gekregen. Ook een klus, om die te spreken, als ze er tenminste nog zijn. Gelukkig zijn er onverwoestbaar lijkende tijdgenoten.

Nederlands kampioen

Maar toch, het geluk zit vaak in een klein hoekje. Iemand die wat weet, wat gehoord heeft.  Of die tegen Jan Maas gebokst heeft. Dus… vandaar deze oproep. Wie  kende hem, de bantammer Jan Maas, en eens Nederlands kampioen?

Wim van Klaveren

Wim van Klaveren (foto Aad Hoogendoorn)

Een treurig bericht uit Rotterdam vanmorgen in de mail. Wim van Klaveren is gisteravond overleden. In september zou hij 80 jaar geworden zijn.

Ik kwam hem tegen op vergaderingen van de boksbond en vooral bij wedstrijden. Altijd betrokken bij de sport, het mooie en goede willen zien, wat er ook gebeurde. Maar ook: vol pit het woord nemen als iets hem niet aanstond.  De eerste keer dat ik hem zag, was bij een districtsvergadering. Iemand noemde hem “ome Wim”en met een schok dacht ik: dit is hem dus, Wim van Klaveren.

Bokser, trainer, coach en ook schrijver: want in de enkele oude bondsblaadjes die ik bezit, staan leuke en scherpe stukjes van zijn hand over bokswedstrijden in het buitenland. Gisteren sprak oud-bokser Piet Holtkamp, bij wie ik op bezoek was, nog lovende woorden over hem.  Wim van Klaveren was iemand die je bijbleef.

Het zal raar en leeg zijn zonder hem bij de volgende bokswedstrijd.  We rekenden er toch allemaal op dat hij nog een tijdje bij ons zou blijven en ergens in de zaal zou zitten en wat van het boksen zou vinden. Als Wim van Klaveren er was, voelde je de grote boksgeschiedenis meteen ook een beetje.

“De liefste bokstrainer van Rotterdam” stond in de mail. En: “We zullen hem missen.” Ja, dat denk ik ook.

De crematieplechtigheid wordt gehouden op woensdag 21 juli om 16 uur.

Crematorium Rotterdam Hofwijk
Delftweg 230
3046 ND Rotterdam
Tel.: 010-471 2055

Update woensdag 21 juli

En nu ben ik weer terug van de plechtigheid. Veel mensen, verschillende generaties en heel wat van de oude garde, een groot aantal uit de school van Theo Huizenaar. Het was half een reünie, half een afscheid. Een beetje zoals in een grote familie, waar de mensen elkaar vooral zien op bruiloften en begrafenissen. Maar de bokswereld heeft geen bruiloften.

We zaten in de steriele bankjes naar de gesloten kist te kijken. Bloemen eromheen, een foto van Wim van Klaveren erop. Zijn vuisten geheven, natuurlijk. Zijn zoon sprak (ook een Wim), zijn neef Peter (ook een van Klaveren) en namens de Boksbond sprak Stan van den Driessche. Muziek, van Nessun Dorma gezongen door Pavarotti en twee keer Sinatra, eerst Just Friends, Lovers no more en dan Fly me to the moon.  Erna wat drinken en eten, de familie condoleren.

Het ging allemaal snel. Pas op de terugreis haalde de emotie me in. Dat het dus echt zo is, en dat het betekent dat we hem nooit meer zullen zien, en dat Wim toch een icoon was van zijn boksgeneratie, maar bovendien een man van een kaliber en een liefheid die we eigenlijk niet kunnen missen. En ik dacht, ben ik wel aardig genoeg tegen hem geweest als ik hem tegenkwam, heb ik wel echt naar hem geluisterd, waarderen we elkaar genoeg als we gewoon nog in leven zijn.

Hieronder de toespraak van Stan, met toestemming.

“Mijn naam is Stan van den Driessche. Ter nagedachtenis van Wim van Klaveren mag ik namens de Nederlandse Boksbond enkele herinneringen met u delen.

Wim heeft een groot deel van zijn leven laten leiden door zijn tweede liefde, het boksen. We herinneren ons allemaal de enorme passie waarmee hij alles beleefde. Als bokser waren zijn wedstrijden veldslagen, maar later ook als Trainer Coach, als Technisch Raadslid, en als bestuurder heeft hij heel gemotiveerd zijn bijdrage geleverd. Zijn ingenomen standpunten verdedigde hij te vuur en te zwaard. Nu, 55 jaar later, spreken we nog over de finale tussen beide broers Wim en Piet, waar na drie ronden een ronde extra gebokst moest worden om tot een uitslag te kunnen komen. Een beleving van een geweldige passie, die hij op veel mensen in de bokswereld heeft overgebracht.

In al de functies die Wim had, heeft hij altijd een positieve bijdrage geleverd, altijd gewerkt aan de groei binnen de Nederlandse Boksbond. Wij kennen hem als een altijd vrolijke man, die altijd plezier had in het leven, maar ook vreselijk kwaad kon worden bij onrecht en dat in duidelijk Rotterdams onder woorden bracht.

We hebben genoten van elke keer dat beide broers Theo Huizenaar op de hak namen. Tranen met tuiten van het lachen als ze uren achter elkaar de ene anekdote na de andere anekdote ophaalden. Maar ook genoten van de knallende onderlinge ruzies bij meningsverschillen, meningsverschillen die vijf minuten later weer met een dolletje eindigden.

Het verlies van zijn echtgenote Wijntje heeft duidelijk zijn sporen bij Wim achtergelaten. Hij was stiller en bedachtzamer. Hij is ook het afgelopen jaar betrokken geraakt bij de kerk en een geloofsgemeente. Hij sprak met een overtuigende rust over terugkomen en voortleven. Wat verwarrend was omdat ik een andere kant van Wim zag,  een Wim die zichtbaar kracht putte uit die overtuiging.

Wim zal nog een lange tijd voor ons bljven bestaan, Wim zal voortleven in onze gedachten, daar zullen we hem in onze wereld met herinneringen steeds weer ontmoeten. Bij de Windmill trainingen zullen we steeds grappen en grollen herinneren, bij wedstrijden en vergaderingen denken aan zijn inbreng.

Wim, rust zacht lieve sportvriend.”

Hier en daar hoorde ik dat een boksschool een minuut stilte had gehouden en daarmee Wim van Klaveren herdacht.

Louise Lenten Veerman vertelde me dat ze alles van de broers Van Klaveren verzamelen, dus van Bep en de tweeling Piet en Wim. Alles is welkom, overleg even eerst via de mail: louise@losa.nl/ Ik vond dat mooi om te horen. Want als er straks een jonge bokser vraagt wie dat nou was, Wim van Klaveren, dan is er genoeg om die vraag te beantwoorden.