Berichten uit de bokswereld

Deze column is in 2012 gepubliceerd op HaagseTopsport.nl

‘t Is hommeles in de bokswereld. De Boksbond viert het honderdjarig bestaan en ‘t is net of ze van plan zijn dit jaar zichzelf op te heffen, is het niet linksom dan moet het maar rechtsom. Telt u even mee?

Probeem nummero een. Dit jaar hadden ze een schorsing van het grote AIBA opgelopen. Dat kwam rot uit, want in oktober zouden de Europese bokskampioenschappen voor vrouwen in Rotterdam plaatsvinden. Na veel excuus en soebatten werd de schorsing beëindigd. Kwam ellendehoofdstuk nummero twee.

Op dat EK deden de Nederlandse vrouwen het goed, héél goed, mogen we wel zeggen. Marichelle de Jong won goud, Nouchka Fontijn had zilver. Pardon, dat was nummero drie. Nummertje twee, dat speelde er doorheen. Want de Bond stuurde Nouchka’s trainer weg. Zo ongeveer vlak voordat ze naar de ring moest. Dat had de technisch directeur van de Boksbond in al zijn wijsheid besloten. Nouchka en haar trainer zijn één, in het boksen en in de liefde. Dat is romantisch en voor de sport een uitstekende zaak. Geef die twee een romantische fotoshoot, en alle jonge meisjes willen leren boksen. Gemakkelijker kun je de ledenwerving niet maken.

Bent u er nog? Gaan we over naar blunder nummero vier. Goud en zilver van de boksvrouwen, dus. Met dank aan de Rotterdammer Ton Dunk die als bondscoach had gedaan wat hij kon. Je zou denken, die man krijgt een nederig schrijven of hij alstublieft wil blijven. Nee hoor. Het geld heette op te zijn, zijn contract werd niet verlengd. Exit succes coach. Komt nu de knock out, gevalletje nummer vijf. Opletten en uw verdediging hoog houden, graag.

Marichelle de Jong bokste op verzoek van de Boksbond in een hogere gewichtsklasse, die van Nouchka. Er kan er maar eentje naar de Olympische Spelen, vraag niet waarom, maar zo is het. Nu gaat de Boksbond nieuwe criteria toepassen waardoor De Jong opeens in het nadeel is. Te weinig in haar klasse gebokst. Ton Dunk in Nu.nl: “Op verzoek van de bond is Marichelle tot en met de EK in de klasse tot 69 kilogram blijven boksen. Voor de organisatie van het toernooi in eigen land kwam dat beter uit, met twee titelkandidaten in twee verschillende gewichtsklassen. Voor die niet geheel vrijwillige keuze wordt ze nu niet beloond, eerder bestraft.”

Het stapelt zich zo lekker op, hè? En dat in een jubileumjaar. Honderd jaar. Ben benieuwd of ze nog een jaartje of twee erbij halen. Het doet pijn aan mijn hart, dat kan ik u wel zeggen. Indertijd is de bond opgericht door boksers, voor boksers. Dat was het idee. Om elkaar te steunen, de sport te ontwikkelen. Mooie gedachten, die in 1911 heel wat boksers aanspraken. Boksscholen riepen op om lid van de Bond te worden. Het trefwoord was: samen.

Sámen!

Je zou ervan vloeken, als je er niet van moest huilen. Of lachen. Mentaal gezien zit ik helemaal op de lijn van 1911. Van die Boksbond ben ik gaan houden en een deel van de liefde heb ik aan de huidige bond overgedragen. Ja, ondanks alles. Was vroeger alles beter? Nou, dat niet. Maar toen hadden ze wel door waar het bondje voor was bedoeld. Hagenaar Pieter Toepoel was een van de oprichters. Pieter, kom eens reïncarneren.

Henry Placké

Heny Placké

De eerste beroepsbokser van ons land, schreef de krant Het Vaderland na zijn overlijden. Henry Placké was bij leven al een legende. Bokser, zeker, maar ook worstelaar, zwemmer en circusartiest. Hij was bijna twee meter lang en woog in een goed seizoen 120-125 kilo. Breed, goedgebouwd en vol initiatief en ambitie. De kranten wisten altijd wel wat over hem te melden en de meningen waren vaak verdeeld.

Rond 1896 verschijnt zijn naam voor het eerst in de Nederlandse kranten. Hij is de “worstelaar en bokser” Placké, woonachtig in Amsterdam, die de worstelaar Dirk van den Berg in de media uitdaagt. Dat typeert Placké: prikkelen, provoceren en  iets wagen. Dirk kon zich vervoegen bij Placké: Martelaarsgracht 4, te Amsterdam.

In datzelfde jaar heeft Placké een “oefenlokaal” in de Falckstraat. Daar geeft hij bokslessen en verkoopt hij kaarten voor een groot “scherm,- en boksfeest” dat hij met de Belgische schermliefhebber Leopold van Humbeek zal geven in de grote zaal van Maison Stroucken. Er is boksen in drie gewichtsklassen: licht,- middel,- en zwaargewicht. De zaal is bomvol op de avond van 1 maart en Het Nieuws Van Den Dag schrijft lovend: “Interessante partijen kreeg men te zien tussen Hisgen en Schrijver, en tusschen Kingma, bekend wiel,- en schaatsenrijder, en Placké.” Aanduidingen van gewichtsklassen ontbreekt.

De kaartverkoop typeert Placké eveneens: hij is ook zakenman. Zijn naam is zijn inkomen, en dus komt hij steeds mooier in zijn advertenties. Boksmeester, professor, internationaal bokskampioen, het is of hij bij zichzelf dacht ‘I am the greatest’. Wat ervan wáár is, valt moeilijk te achterhalen bij gebrek aan bronnen.

Placké organiseert ook bokswedstrijden, al in april 1902, dus ruim voordat de Nederlandse Boksbond werd opgericht. Hij wilde boksen, hij hield van pr dus organiseerde hij niet zomaar een wedstrijd, nee, het ging om het Nederlands kampioenschap. Die werden gehouden in gebouw Velox te Amsterdam en de boksmeester zelf kwam demonstraties geven. Daarnaast waren er demonstraties in zwaaien met knotsen en werken met lichte halters. Feitelijk trainingstechnieken. Op het programma stond ook een worstelwedstrijd. De uitslagen van het boksen: lichtgewicht O. Greeve,  zwaar-middengewicht P.M.C. Toepoel en zwaargewicht Tim.

In deze tijd komt dus mede dankzij Placké het boksen een beetje in de regels hier. Maar Placké gaat geheel een eigen weg. Tot ver in 1915 zal hij optreden als worstelaar in circussen en wedstrijden voor zichzelf organiseren, waarbij hij geldbedragen aan degene uitlooft die hem kan verslaan.

In 1904 beproeft hij zijn geluk in Amerika, hij daagt Bob Fitz Simmons uit voor een wedstrijd die de uitdaging aanneemt. De kranten schrijven honend over Placké en over het boksen in Nederland, wat de Nederlandse pers geschrokken citeert:

“Placké heeft geen notie van voetwerk en is de meest ongelikte recruut in de boksgelederen, die zich hier ooit vertoonde. Hij kan in Holland kampioen zijn, doch de Hollandsche stijl moet dan nog al den Arcadische eenvoud hebben behouden uit den tijd toen de menschen in holen woonden en hun voedsel met een knots bemachtigden.”

Meteen terug in Nederland is hij weer op zijn vaste spoor: worstelen en boksen. Hier wint hij wel, en ook elders in Europa. Circussen, meebesturen aan de Boksbond (1911 opgericht), verhuizingen naar onder andere Den Haag waar hij bokslessen geeft, Placké heeft een avontuurlijk leven dat in dienst stond van de sport. Bokser-worstelaar, zo is hij dan bekend in Nederland. Iedereen kent zijn naam in deze tijd.

Rotterdamsch Nieuwsblad, 1915

Bij zijn dood in 1944 blijkt hij toch in de vergetelheid te zijn geraakt. Zijn laatste levensfase bracht hij door in een pension in het plaatsje Montfoort. Enkele krantenberichten roemen hem in een terugblik als “gevreesd bokser”, die kampioen was van Engeland, Duitsland en Nieuw-Zeeland. Er is sprake van een plakboek dat hij bezat. Waar dat is? In 1944 is het volop oorlog, wie zal begrepen hebben hoe waardevol dat was…

Henry Placké is een van de vroege boksers in de Nederlandse geschiedenis, die met naam en gezicht bekend zijn. Er zullen er veel meer geweest zijn. Zoals Placké zelf op kermissen stond en in circussen optrad, deden dat ook veel anderen zoals de advertenties laten zien.  Maar wie en waarom, dat is moeilijk te achterhalen. Schatgraven naar het boksverleden, dat is het.  Lezen in oude kranten, hopen op plakboeken en op mensen die een oude schoenendoos op zolder hebben staan. Of op iemand die zegt: “Henry, dat was mijn opa.”

Ons glorieuze boksverleden

Door de gangen, op weg naar de schatkamer.

Voordat er een boksbond was, waren er boksers. Jaren lang. Ze traden op in het circus of verdienden hun geld als kermisbokser. Of ze kozen voor het boksen als sport. Aan het begin van de vorige eeuw zijn er voor de eerste keer nationale kampioenschappen. In 1902 werd weltergewicht Pieter Toepoel Nederlands kampioen in zijn gewichtsklasse, evenals zwaargewicht Pim Wurpel.

Het jaar daarop boksen ze nog, maar dan gaan ze ook vergaderen met anderen. Dat duurt tot 1911, en dan zijn ze eruit: de Nederlandsche Boksbond wordt in februari van dat jaar opgericht. Best lang vergaderd.

In den beginne was de Boksbond dus een bond voor en door boksers.

Daarvan, en van alles wat daarna gebeurde, hoopte ik veel  terug te vinden in het archief van de Nederlandse Boksbond. O, en dan het boksen in Nederlands-Indië nog, en Suriname, en de Antillen. Een rijkdom verwachtte ik, ondanks het feit dat Bondsarchivaris Henk Groenendijk mij kalmerend toesprak over niet zulke hoge verwachtingen hebben.

Maar ja. Ik ben optimist.

Nu mijn boek over de Leeuwarder bokser Lolle van Houten (1944-2008) naar de drukker is, heb ik weer een beetje meer tijd. Dus ging ik naar Rotterdam, waar Henk me meenam in de doolhof van de opslagplaats. Zo’n Shurgard complex. Daar lag de schatkamer van het nationaal boksverleden.  Henk rolde de luiken omhoog, terwijl ik mijn hart voelde kloppen. Toepoel, waar ben je? Karel Minjon, zal ik jou hier terugvinden? Dertig dozen, had Henk nog gezegd. Daar kan veel in, had ik nog gedacht.

Toen het luik omhoog was, aanschouwde ik ons nationale boksverleden:

Wat overbleef na meer dan honderd jaar boksen...

 

Aan de zijkant van de opslagruimte stonden nog wat andere dozen. Hier en daar een halve schoenendoos  gevuld met stoffen emblemen. Tegen het korte gedeelte stonden blauwe stellingen, die nog in elkaar gezet moeten worden door een helpende hand. Die heeft nog niemand toegestoken.

Raadsel uit het boksverleden.

Echt veel was het niet. Henk keek mij aan met een blik die welsprekend uitdrukte:  “Dat had ik je toch gezegd.”  Hij heeft me verteld wat erin zat. Het alleroudste spul zijn wat tijdschriften uit de jaren ’30. Dan hebben we dus al dertig jaar boksgeschiedenis gemist. Niks over de eerste kampioenen van het land. Oude foto’s zijn er ook nauwelijks. Wel veel vergaderstukken en enkele raadsels.

Het vreemde is, dat ik in den lande hier en daar boksers en trainers ken, die de prachtigste plakboeken bezitten, vol foto’s en krantenknipsels. Soms mag ik dat lenen om in te scannen. Er zijn ook veel boksscholen, waar hun geschiedenis aan de muren hangt. Mooi is dat om te zien, daar kan ik lang naar kijken.
Wat me ook opvalt, is dat ik nog nooit iemand heb horen zeggen, dat de plakboeken of foto’s naar de Bond moeten. Er is, hoe zal ik het tactvol zeggen, vaak enige afstand tussen de Bond en de boksers.

Dat was in den beginne dus heel anders.

Henk Groenendijk

In ieder geval, Henk Groenendijk heeft jarenlang voor het archief gezorgd. Hij is oud-politieman, heeft andere bezigheden die zijn aandacht vragen en hij zag in mij een geestverwant, wat het boksverleden betreft.  Wel is hij vermoedelijk nuchterder van aard dan ik.  Zelf  ben ik nostalgisch ingesteld, soms bij het sentimentele af.

Dus nu mag ik als zijn opvolgster op de dozen passen, en dat is precies wat ik ga doen. Het zal nog even duren eer de dozen dichterbij of in mijn woonplaats komen, maar dat is een kwestie van tijd.

Intussen ga ik eens nadenken over hetgeen er verdwenen is en wat er naar het archief zou moeten terugkeren. Henk vertelde me dat er door na wat verhuizingen van de dozen het een en ander aan foto’s is verdwenen. Het zou mooi zijn als die terugkwamen.

Eigenlijk zouden we een archief moeten hebben, waar iedereen met een gerust hart de oude plakboeken naar toe brengt.Uit liefde voor de sport, en omdat de geschiedenis daarvan bewaard moet blijven.

Even tegen de dozen leunen.

Zover is het nog niet, dat weet ik wel. Dus daar ga ik op puzzelen, hoe ik van het boksarchief een goede plaats kan maken. Het moet een archief zijn waar  het verleden veilig is, voor de volgende generaties. Waar we allemaal graag onze plakboeken, dozen, tasjes en misschien zelfs bekers naar toe brengen. We zijn toch wel meer waard dan dertig dozen?

P.M.C. Toepoel

advertentie in Het Vaderland, 1934

In een oude Haagse krant vond ik een uitgebreid bericht over de boksschool van Pieter Toepoel. Hij was voorzover ik nu weet, een van de eersten in Nederland. In 1897 had Henri Placké bij de Amsterdamse Prinsengracht een school, in 1910 richtte Nelis Bisschop in dezelfde stad de school J.J. Corbett op en het jaar daarna,op 3 maart 1911, opende Toepoel de deuren in Den Haag. Hij heeft dan enkele nationale titels op zijn naam maar gaat verder als trainer. In de jaren die volgen, zal Toepoel onvermoeibaar demonstratiewedstrijden organiseren en daar ook aan deelnemen. In de kranten schrijft hij artikelen over de sport en hij publiceerde boeken. Wie Toepoel zei, zei boksen.

Een foto van hem heb ik helaas niet. Wel enkele foto’s, die uit een oude brochure komen. Daarop zien we apparaten en toestellen, die modern waren voor die tijd, en die tijd, dat is de periode voor de Eerste Wereldoorlog.

Het Vaderland, 24 februari 1931

Naar aanleiding van een vierde lustrum
Een gezonde school met een typisch Haagsch cachet

Heijermans heeft in een van zijn Falklandjes gezegd, dat een muzikant hem aan luchtjes van roode kool en boenwas, enfin aan klein-burgerlijke binnenhuisluchtjes deed denken. Maar als je zoo ‘s onder je kennissen vraagt: “zeg…. e….als jelui het woord boksleeraar ziet staan, waar denk je dan aan,” dan komen daar geurtjes bij te pas uit volkskroegjes.

Zoo is het publiek nu eenmaal. Omdat het w e l e e n s zoo is, neemt het aan dat het a l t i j d zoo is.

Bij het woord professor denkt het publiek altijd aan ‘n razend knappe kerel, en bij het woord tooneelspeler denkt het aan iemand die met een rekening in de eene hand zich met de andere wanhopig achter ‘t oor krabt, terwijl er toch even goed acteurs zijn die een benijdenswaardig banksaldo hebben loopen. Door dat gegeneraliseer vergist het publiek zich telkenmale en ik zal nu eens laten zien hoc het zich ten aanzien van den boksleeraar vergist.

Daar heb je bijvoorbeeld mijn ouwe brave vriend P. M. C. Toepoel. Dat is een doodgewone boksleeraar, een man die je leert ‘n mep te ontwijken en een mep uit te deelen. Wanneer je nu dat kunstje wilt leeren, en je naar dien man toe gaat, dan verwacht je een biefstuk op beenen te zien met ‘n kop als ‘n grimmige puckhond waar ‘n helsche lust op afgegraveerd staat om je ‘n knock out te verkoopen. En als zijn mond open gaat verwacht je het geluid van ‘n vollen treffer.

Trainen op blote voeten. Mooie oude foto's aan de muur.

Je gaat naar de Johannes Camphuysstraat, zoekt naar nummer 199, je ziet dat je terecht bent, want er zit ‘n plaatje “Toepoels modelschool” aan de deur, je drukt op het knopje van de electrische schel…. en ne…. daar staat voor je een heelemaal niet robuste en heelemaat niet groote man, met den schedel van een geleerde, met goedige, gevoelige oogen die besloten liggen tusschen twee scherphoekige geestige lijnen en die je welkom heet met een zachte beschaafde stem, ieder woord zorgvuldig articuleerend.

Er staat voor je een geboren gentleman, een man van beschaving en ontwikkeling, een man met een brave inborst, gevoelig als een kind.

Hoe is die man, die capaciteiten te over heeft om zich eene maatschappelijke positie te verwerven, welke zich verre verheft boven die van boksleeraar, tot het kiezen van dit overigens zeer eerzame beroep gekomen? Ik ken Toepoel langer dan dertig jaar, ik ken hem goed, en ik kan het u dus zeggen. Toepoel is van huis uit een peinzer en een strijder, hij peinsde over de wereldinrichting en over sociaal-economische problemen, en zijn strijdersnatuur bracht mede, dat hij het niet bij gefilosofeer en papieren beschouwinggen liet. Hij wilde – als jonge gevoelige kerel hartstochtelijk bewogen – daadwerkelijk medestrijden. Hij — de idealist — trad uit den werkkring, welke hem welstand en luxe verschafte en hij liet zich verstrikken in het avontuur van Frederik van Eeden: de kolonie Walden.

Ik weet niet meer wie het was, maar er heeft er een gezongen:
Wie in zijn jeugd geen dwaasheid deed,
Wordt nimmer recht verstandig.

De dwaasheid van zijn jeugdjaren heeft Toepoel ingezien, maar zooveel idealist is hij toch gebleven, dat hij als leeraar in physical culture liever werkzaam is in het directe persoonlijke belang van menschen, die naar gezondheid en behoud van gezondheid streven, dan terug te keeren naar zijn werkzaamheid van voorheen.

In 1881 is hij geboren. Hij liep de H.B.S. af en de Handelsschool en vond eene positie in het Bankwezen. En op een groot Amsterdamsch Effectenkantoor werd hij procuratiehouder en aanstaand deelgenoot. Een zijden bed stond voor hem klaar. Hij kon er zich zoo maar in laten glijden. Doch wat spreken welstand en weelde tot een jong gevoelig idealistisch gemoed, tot een artistieke-mediteerende natuur, tot iemand die fel is in zijn sympathieën en nog feller in zijn antipathieën, tot een dichterlijken droomer, die bij het opengaan van het eerste madeliefje van ontroering heeft. Wat zeggen deze dingen tot een jongeman, die bij het hoopvol zoeken en tasten naar Confucius, Nietzsche en Hegel grijpt, die Annie Besant door werkt en Tolsto,. die een artistieke bevrediging zoekt bij Kloos, ja: bij den Kloos van meer dan dertig jaar geleden vooral, bij Gorter, van Eeden, van Looy. Die te midden van de Gooische schilders verkeert en bij de schilderkunst troost zoekt in de ateliers vooral van Van Bever en Herman Gouwe.

Hij was een geestelijk zwerver, een zoeker.

Maar toen reeds was het bij hem: werken aan den geest, maar ook werken aan het lichaam.

Hij bokste bij Placké. Trainde voor en na kantoortijd en werd in 1902 kampioen van Nederland in het lichtmidden gewicht en in 1903 in het middengewicht. En toen was het dat de idealist het idealisme in de praktijk op ontgoochelende wijze leerde kennen: Walden.

En na de mislukking van Walden toog hij naar Engeland en nam hij daar les in boksen en in lichamelijke ontwikkeling bij Frank Graig, prof. Newton, Madden, Mainquet, Berger, Willie Lewis, Régnier, Joe Jeanette e.a.

Toepoels boksschool: vooraan een roeimachine

Maar meteen las hij de groote Engelsche dichters en de groote Engelsche schrijvers en denkers, ontwikkelde hij zijn journalistieken aanleg door voor tal van Nederlandsche bladen en periodieken wijsgeerig getinte artikelen te schrijven en legde hij de hand aan eenige boeken en boekjes o.m. Het Boksen (Nijgh en Van Ditmar), Hoe versterk ik mijn lichaam, Het origineele Jujitsu, en Knotszwaaien en batstooten (alle bij J. F. v. d. Ven te Baarn). En toen, 3 Maart 1911 (dus 3 Maart sus. is de dag van zijn 20-jarig jubileum) opende hij te ‘s Gravenhage “Toepoels modelschool”, de inrichting die een typisch Haagsch cachet zou krijgen. Ik heb iets van den persoon verteld omdat de aard van dezen persoon samenhangt met den aard van zijn clientèle.

Denk niet aan bokswedstrijden. Hier hebt ge met sanitairboxing en met lichaamsontwikkeling louter terwille van de gezondheid te doen.

En gij weet niet hoevelen en wie het boksen beoefenen, want ge hebt er nooit van in de courant gelezen.

Het boksen is niet dood. Het leeft. Het leeft zooals het schaken, waarvan de leefkracht niet tot uiting komt in de enkele openbare wedstrijden, doch dat leeft: binnenshuis, achter de gesloten deur. Als man van beschaving, als man van meer dan alledaagsche ontwikkeling, als man van “wetenschap”, past hem den omgang met menschen van beschaving, met menschen van ontwikkeling en van geestlgke en maatschappelijke standing. En door zijn zaal hebben dan ook de stemmen geklonken — en klinken zij nog — van vooraanstaanden in de wereld op velerlei gebied. En zij hebben geklonken in tal van talen.

Ik heb hier voor mij liggen Engelsche brieven uit Belgrado, uit Beiroet, uit Rotterdam en Amerika van leden van het corps diplomatique waarin aan Toepoel wordt geschreven hoezeer zijn lessen den briefschrijvers zijn te stade gekomen, drieven die niet stijf officieel, doch vriendschappelijk zijn gesteld. Ik heb hier voor mij liggen brieven van jonge en oudere Nederlanders uit Australië, Ned.-lndië en Zuid-Amerika, die getuigen dat zij hun corpus, dank zij o.m. het werken bij Toepoel, met opgewektheid door het moeilijke leven heen dragen.

En bokste bij hem niet de zoon van Graham, den Engelschen gezant; de zoon van Rev. Bevan, den Engelschen dominee? Bokst bij hem op het oogenblik nog niet een bekend Nederlandsch predikant? Bokste er niet de zoon van den 1en secretaris van het Amerikaansche gezantschap, Norweb? bokste er ook niet de 1e secretaris Norman Armour zelf en – de consul Groth? Was niet een van zijn leerlingen de Roemeensche prins Alex Cantucuzëne en de Fransche baron d’Honincthun? Ik kon doorgaan.

Van de ministers Colijn en Idenburg werden de zoons leerling, zoo goed als dit werden de oudminister Kan, jhr. mr. C. Feith en zoovele anderen. Doktoren, ingenieurs, advocaten, ambtenaren, luitenants en kapiteins, figuren uit de wereld van ‘handel en industrie, alle faculteiten, tot astronomen toe, hebben zijn leerlingen opgeleverd. Daisy Walker (Lilly Green) en andere danseressen hebben zijn school doorloopen en van de sportlui waren het o.m. mr. Diemer Kool, jhr. Bosch van Drakestein, mr. Loke, Boutmy, Luyke Roskot, Peny Maier, Van Romondt, majoor Kool.

En was het niet Louis Couperus die zich tot Toepoel wendde en die door Toepoel werd afgebracht van het zwaar halteren (hoevelen weten dat de groote letterkundige dezen vorm van athletiek beoefende?) en overging tot lichter werk. Een van de kostelijke litteraire opstellen die Louis Couperus in Het Vaderland heeft geschreven, is dat niet ontstaan in de zaal van Toepoel, waar hij Toepoels herdershond Brinio heeft leeren kennen?

Toepoel is leeraar geworden aan de Academie voor lichamelijke Opvoeding te Amsterdam voor opleiding tot leeraar M.O. Lichaamsoefeningen, welk instituut is ingesteld door de Ned. Ver. tot Inrichting van een Wetenschappelijk Centrum voor Lichamelijke Opvoeding, en, wat typeerend is, onder zijn zaalleerlingen telt hij verscheidene zoontjes van medici.

Ook vele meisjes en vrouwen volgen zijn lessen, zijne methodelooze methode. Vroeger vroegen de dames les onder hel motto: zelfverdediging. Er was toen zelfs een lang niet sidderaalachtige dame, die begeerde eenige kilo’s zwaarder te worden.

Daarna volgde een periode dat de dames in Toepoels zaal kwamen werken om magerder te worden. De periode is gevolgd door een, waarin “lenigheid” de drijfveer was.

En thans is het weer de zelfverdediging welke haar de zaal doet bezoeken.
Zoo even had ik het over den herdershond Brinio, waarover Couperus schreef, zooals hij ook zoowel in Het Vaderland als in de Haagsche Post heeft geschreven, over het boksen en de school van Toepoel.

Toepoel met zijn warm, menschlievend hart heeft een nog veel gevoeliger hart voor dieren. Het leed aan een dier veroorzaakt, voelt hij nog heviger dan dat het hem zelf ware toegebracht. En daar, ja, op het gebied der dierenbescherming, daar ligt toch wel het eigenlijke levenswerk van Toepoel. Wat heeft hij er voor gestreden, voor opgeofferd. Tal van bladen hebben zijn strijdartikelen ter bescherming van het dier onder bnvat opgenomen, doch het zijn vooral zijn artikelen in Het Vaderland geweest, welke den stoot hebben gegeven tot de totstandkoming (in 1927) van de Vereeniging voor Wettelijke Dierenbescherming.

Zonder onderscheid van politieke kleur maakt deze vereeniging bij verkiezingen voor Tweede Kamer en Gemeenteraad propaganda voor candidaten. die zich als dierenvrienden hebhen doen kennen. In de verkiezingen van 1929 kwamen 30 (dertig) van de “Wettelijke” in de Tweede Kamer. En nu hoopt men binnenkort een dierenbeschermende Kamerfractie te vormen, zoowel in de Eerste als in de Tweede Kamer, over alle politieke geschillen heen. Want, zegt Toepoel, het beschermen der dieren toch is een werk van ethiek en beschaving. dat buiten alle partijverschil kan blijven.

En als dat nu bereikt wordt, dat er zulk een fractie komt, die heilzaam werkt, waardoor dus het dier veel leed bespaard word’, dan kan Toepoel aan het eind zijner strijdvolle dagen gekomen, zijn hoofd rustig neerleggen en zeggen: “Goddank! ik heb toch niet voor niets geleefd!”

Joris van den Bergh