Karateka Cath Zomer: Vechtsport gaat over conditie en kracht

karate Verschenen in Den Haag Centraal, januari 2014 

Karateka Cath Zomer (35)

Vechtsport gaat over conditie en kracht’

Het aftellen gaat elk jaar snel. In maart 2014 vinden in Den Haag de Europese kampioenschappen kyokushin karate plaats. De hardste vorm van karate is dat. Nauwelijks bescherming en een ijzeren mentaliteit van dóórgaan, dwars door pijn en angst. Wie doet zoiets? Karateka Cath Zomer bijvoorbeeld, van Honbu Kamakura. Ze heeft in twee vechtsportdisciplines de zwarte band, en drie open EK-karatetitels in haar bezit.

Ik wil weten wat ik nog in huis heb”, zegt Cath. “En ik denk dat ik een goede kans op de titel maak. De vierde titel wordt het dan, maar of het genoeg is? Je kunt niet genoeg titels hebben. Het afgelopen jaar ben ik er even uit geweest. Daarom vraag ik me af of ik het vermogen nog heb om op dit niveau te vechten. Dat zal de tijd moeten uitwijzen”. Ze vertelt het op een rustige manier, net of ze een klein plannetje heeft dat er eigenlijk niet zo veel toe doet. Maar achter deze woorden gaat iets groters schuil. Welke jonge vrouw in ons land houdt van deze harde karatesport, en leeft ervoor, dag-in dag-uit? Ze vertelt er meer over tijdens een gesprek in een chique hotel lounge. Cath houdt van stijl. En van hard slaan, en van het leven dat ze kreeg dankzij de vechtsport.

Maar eerst een huishoudelijke mededeling.

Het zijn merkwaardige tijden voor de serieuze vechtsporters. Op televisie heeft het showbusinessnieuws aandacht voor kickboksers die verkeerde dingen doen. Dat is een akelige beeldvorming, waar je lastig van los komt. Voor het EK heeft de organiserende sportschool Kamakura enkele trouwe sponsors die wel beter weten, maar enkele meer zou welkom zijn. Cath zelf is blij met haar sponsors JuicePlus en restaurant Qip, maar ze weet dat de sportschool nog wel wat sponsoren kan gebruiken. Dus als er belangstelling is graag, peilt ze.

Bikkelen

Het dagelijks leven van een karateka in training is intensief en verbluffend eenvoudig tegelijkertijd. Het verloopt in grote lijnen zoals het de vorige drie keer verliep, toen ze de EK-titel haalde. “Net als ieder ander mens sta ik ’s ochtends op. Dan maak ik een ontbijtje en daarna ga ik de deur uit. Hardlopen. Dan fitnessen en vervolgens ga ik naar de sportschool voor gevechtstraining. Vooral rondjes trappen en techniekoefeningen doen, soms ook sparren. Tegen de avond is het boodschappentijd, eten en rusten. ’s Avonds ben ik gewoon thuis. Mijn partner steunt me gelukkig enorm”. En de dag erna herhaalt dit zich weer, en de dag daarna ook, en daarna weer. “Mijn leven staat in het teken van de vechtsport”. Voor haar bestaat er niet iets als ‘vandaag geen zin’: ze wil winnen, dus ze traint. Zo simpel is het. Deze weken is het bikkelen om straks het EK te winnen, en daarna ― nee, dan breekt niet het grote genieten aan, dan traint ze alleen even minder hard.
“Hoe lang ik al op die manier leef? Ik denk zo’n 28 jaar”. Cath Zomer is nu 35.

Overlevingsdingetje

Mijn ouders deden me op judo toen ik zeven was. Dat ging best goed, ik won alles. Maar ik vond het niet leuk genoeg en de lerares was niet zo aardig. En: ze zeiden dat het moest. Met moeten heb ik niet zoveel op. Moeten is dwang. Tenzij ik het mezelf opleg, natuurlijk”. Cath vertrok van de judo en vond een andere sport.

Bij Mossel heb ik onder andere semi-contact karate gedaan. Hij was een goede leraar en ik had er een leuke tijd, maar… voor een vrouw sloeg ik vrij hard. Mijn tegenstandsters begonnen vaak te kermen en zeuren. Ik moest dan meedoen met een hogere gewichtsklasse en als er wedstrijdjes waren, werd ik bij de jongens ingedeeld. Dat beviel me steeds minder. Bij Seoul in de Kranestraat heb ik nog een tijdje hapkido gedaan, een Koreaanse vechtsport. Het was een beetje … Je leert mooie technieken, het is een hele mooie sport maar ja, het ging voor mij niet hard genoeg. Wanneer je op een bepaald niveau zit en echt los wil gaan dan moet je toch bij Kamakura zijn. Er is geen andere sportschool waar ze zó hard full contact karate zó goed trainen. Dat is er gewoon niet”.

Ze was negentien jaar toen ze besloot over te stappen. Toch een leeftijd waarop een doorsnee meisje aan andere zaken denkt dan aan de verschillen van semi-contact en full contact.

Asperger

Je hebt bij een semi-contact sport geen low kicks. Het lijkt meer op tikkertje, een spel om je goed op conditie te houden. Voor kinderen is het leuk. Minder beangstigend en het vraagt ook minder van je lichaam. Full contact zoals het kyokushin is intenser. Een harde sport. Het maakt je sterk. Maar je moet wel even door een pijnbarrière heen. Dat is een fysiek overlevingsdingetje, denk ik”. Ze bedoelt: als je hele lichaam pijn doet van de training of van het gevecht, en alles in jou roept vol spanning om hulp, dan nog ga je de ring in of de mat op. Je geest is sterker. Die hóórt sterker te zijn. Dat moet.

Nu heeft Cath een voordeel. Ze heeft Asperger en daarmee een bovengemiddeld concentratievermogen. Lachend: “Ik denk dat het een nadeel is dat de rest van de wereld het niet heeft”. Mensen met Asperger floreren bij structuur. “Voor mezelf is het nooit zo opgevallen dat ik Asperger had. Ik ben groot geworden in de wereld van het judo en het karate. Daar is structuur belangrijk. Het schept duidelijkheid. Ik denk dat het iedereen heel veel rust geeft op het moment dat je weet wat je deze dag gaat doen, is het niet? Het is fijn als je een wekelijks schema hebt, dat je dingen inplant en dat ze zo gebeuren. Dat draag ik graag aan anderen over, ik geef ook seminars”.

Budo

Er is vechtsport met en zonder budo. Tussen die twee zit een groot verschil. Zonder komt het eigenlijk neer op vechten binnen een sportieve dimensie. Een vechtsport met budo is een manier van leven. Door het judo kwam Cath al vroeg in aanraking met budo. Ze legt uit hoe ze budo ziet: “Een budosport heeft een culturele achtergrond waardoor er ook van je verwacht wordt dat je in je dagelijkse leven je ontwikkelt. Je gaat bewuster met jezelf om en je wordt geacht je karakter te verbeteren. Niet in je eentje, maar met de anderen op de sportschool”. Als kind leerde ze het al: “De trainer spreek je aan met u en niet bij zijn voornaam. Je groet beleefd. Er bestaat een hiërarchie: de één heeft een hogere band dan de ander. Respect is een werkwoord; voor de training arriveer je op tijd en in schone kleren. Dat soort dingen is het. Het lijkt nog het meeste op de ouderwetse Hollandse beleefdheid, alleen combineert het hier met vechtsport.” 

“Wanneer je trainer zegt: ‘Ga door’, dan ga je door, zonder te antwoorden met ‘ja-maar’”.

Bij sportschool Kamakura, waar ze traint, zijn deze omgangsvormen de norm. In het oude gebouw aan de Gheijnstraat geldt het huisreglement, maar veel sterker aanwezig is het morele gezag van kancho Gerard Gordeau. Hij bepaalt wat er gebeurt, hoe en wanneer, zonder daarbij alles uit te leggen. Die duidelijkheid geeft Kamakura een eigen sfeer, waarin de meesten opbloeien. “Dat zie je vooral bij jongens die uit democratische gezinnen komen,” zegt Cath. “Die kregen al op hun vijfde jaar inspraak in het huishouden, dus met grenzen omgaan kunnen ze dan niet meer. Bij de kancho is het kiezen of delen. Je doet wat hij zegt, of je vertrekt. Veel van die jongens noemen hem hun tweede vader. Het is een ouderwetse vorm van vaderlijke autoriteit die ze dan toch gemist hebben. Pas later, als je zelf verder bent in je ontwikkeling en je iets weet wat hij allemaal heeft bereikt in zijn leven, begrijp je waarom hij doet wat hij doet. Mij heeft hij in de loop der jaren heel ver op weg geholpen. Zonder hem was ik niet geweest waar ik nu ben”.

Cath vertelt verder: “Karate is een individuele sport maar de trainingen beoefen je samen. Dus je groeit samen en je helpt elkaar waar nodig. Zo kun je allemaal dezelfde weg gaan om het uiterste uit jezelf te halen. Want dat is waar het om gaat bij het kyokushin. Daarom volg je dus allemaal dezelfde regels. Je helpt elkaar verder in de sport en dat werpt zijn vruchten af in het dagelijks leven omdat je bewust en gedoseerd sociaal bent. Vooral bewust is belangrijk: het zet je met beide benen op de grond doordat je besef krijgt van je eigen capaciteiten, van de dingen die jijzelf hebt, waarvan je weet dat je ze of kunt geven of niet kunt geven. Daardoor weet je ook wat je voor een ander kunt betekenen en wat een ander van jou kan verwachten. De sport maakt je duidelijk wie en wat je bent. Dat is een manier van leven die niet iedereen op prijs stelt, hoor. Ik geloof ook best wel dat als je liever ziet wat de dag brengt, dat je daar heel veel moeite mee kunt hebben. Dat is eigenlijk wat budo met je doet. Het geeft je net zoveel diepgang als je aankunt”.

Hoe mooi je karakter ook is geworden, toch komt vroeger of later een tegenstander die wil winnen. Voor Cath is dat dus bij de kampioenschappen in maart. Het zal iemand zijn die ook getraind heeft op techniek en kracht. Die dus hard kan slaan. Ziet ze op tegen eventuele pijn? “Nee,” zegt ze. “Het gaat niet over pijn”.

oeckk2014_poster_medium

Zelfbeheersing

Vechtsport gaat over het totaal van conditie en kracht die je opgebouwd hebt door hard te trainen, en het inzicht dat je in jezelf hebt. Daar gaat het over. Het gaat over discipline en over je zelfbeheersing, en over de kracht die jij hebt weten te ontwikkelen in je eigen lichaam. Het heeft niets met pijn te maken. Je weet dat je die schop krijgt. Ik krijg ze ook. Ik heb ook vaak genoeg klappen gehad, hoor”.

Haar gezicht ziet er gaaf uit. Ongeschonden door blessures. Vooralsnog, tenminste. Maar ze vreest niet voor dat soort blessures. De vraag ernaar irriteert haar zelfs. Eerst zegt ze: “Nee, ik ben niet bang voor mijn gezicht”. Dan met een grapje: “Ik hoop gewoon dat ik straks zo goed ben dat het niet gebeurt”. Ze lacht. En uiteindelijk weegt ze serieuzer het risico van een blessure oplopen: “Dat risico neem jij ook iedere dag als je over straat gaat. Dat risico neemt iedereen. Dat is het leven. Je hoeft maar een auto-ongeluk te krijgen en niet getraind te zijn; dan zijn de blessures die je daaraan kunt overhouden zijn vele malen groter dan wanneer je wél getraind bent. Door te trainen maak je je lichaam dus sterker. En het gaat ten koste van niemand. Een wedstrijd evenmin. Als ik verlies, dan word ik sterker van mijn tegenstander, omdat die me op dat moment mijn zwakke plekken laat zien.”

“Net zoals wanneer ik win van mijn tegenstander, dat mijn tegenstander iets leert van mij”.

 Daar komt het gesprek steeds op terug, die wisselwerking tussen budo, vechtsport en het dagelijks leven. Praten met Cath Zomer over haar vechtsport is iets anders dan uitvoerig wedstrijden analyseren. Het gaat over de sport en tegelijkertijd over het leven zelf. Wat werkelijk belangrijk is en hoe je het beste uit jezelf haalt. Evenzogoed komt elke dag haar wedstrijd dichterbij en daarmee dat ze in haar witte karatepak, met de zwarte band, naar de ring gaat, voor het uur van de waarheid.mt iedereen. Dat is het leven. Je hoeft maar een auto-ongeluk te krijgen en niet getraind te zijn; dan zijn de blessures die je daaraan kunt overhouden zijn vele malen groter dan wanneer je wél getraind bent. Door te trainen maak je je lichaam dus sterker. En het gaat ten koste van niemand. Een wedstrijd evenmin. Als ik verlies, dan word ik sterker van mijn tegenstander, omdat die me op dat moment mijn zwakke plekken laat zien. Net zoals wanneer ik win van mijn tegenstander, dat mijn tegenstander iets leert van mij”.

Dat uur komt op zestien maart in de Haagse Sporthal Hellas, tijdens de Open Europese Kyokushinkai Karate Kampioenschappen. Voor velen is dat een gewone zondagmiddag, waar verder niets gebeurt. Voor degenen die daar in de ring treden, gaat het om winnen of verliezen. Een titel, een inzicht, een grens vinden en daar overheen gaan, zo mogelijk.

En dan weer. Nóg een keer.

Waar houdt zoiets op?

Bij de uiterste grens, en geen milimeter ervoor.

 

 

de comeback van Satisch Jhamai

Verschenen in Den Haag Centraal, vrijdag 10 februari 2012

MMA nu ook groot in India:
de come back van Satisch Jhamai

Het is de snelst groeiende vechtsport ter wereld: Mixed Martial Arts, beter bekend als MMA. Als een magneet trekt het geld, vechters, managers en promotors aan. In India is een nieuwe organisatie opgestaan met internationale ambities. De ‘Super Fight Leage’ (SFL) heeft Hagenaar Satisch Jhamai  (1980) terug in de ring gevraagd. Op 11 maart 2012 maakt Jhamai in Delhi zijn comeback na bijna drie jaar afwezigheid. Overdag is hij financieel adviseur, ‘s avonds staat hij in zijn eigen sportschool Shaolin Ryu aan de Beeklaan. Alles moet nu wijken voor die wedstrijd. Drie rondes van vijf minuten. Veel te winnen, veel te verliezen.

De opzet van SFL1 is eenvoudig: zes vechters in alle gewichtsklassen uit India tegen zes vechters uit de rest van de wereld. De locatie: Mumbai. Daarin een grote ronde ring, met een doorzichtige wand eromheen.  In de zaal is plaats voor tienduizenden toeschouwers. Er is eeen avondvullend programma. De SFL laat er geen misverstand over bestaan: dit is meedoen op het wereldniveau van organisaties als Ulitmate Fighting Championship (Amerika) en Pride Fighting Championsship (Japan). Die ambitie moeten ze waarmaken. De concurrentie kijkt toe, en houdt het oog gericht op wat er in de ring Daar is Satisch Jhamai zich scherp van bewust. Enerzijds is het een droom come back. Maar anderzijds: zo vol in de spotlights terugkeren, dat zet hem behoorlijk onder druk. Plus, hij komt uit voor India, het land waar zijn voorouders vandaan kwamen.
“Ik train zes dagen per week.  Op maandag in Pancration bij mijn oude trainer Chris Dolman, in Amsterdam. Op dinsdag hier. Op woensdag, donderdag en vrijdag in de ochtend bij mijn trainer en manager Bob Schreiber in Wormer. Op zaterdag weer hier. Op zondag rust ik in principe maar als ik daar geen zin in heb dan ga ik naar Rotterdam om bij een vriend Brazilian jiujitsu te doen. Verder doe ik elke ochtend, of nee, ik probeer drie ochtenden per week beneden cardio te doen”, vertelt Satisch. Een volle week. Maar misschien niet genoeg. “In februari ga ik met Bob de training evalueren, misschien moet er een schepje bij. Of af. Hangt ook van mijn gewicht af. Ik ben 1.93, en ben van 112 naar 106 gegaan, uiteindelijk wil ik  tussen de 103-105 wegen”.
Op gewicht zijn en blijven is niet alles. Kunnen winnen, daar gaat het uiteindelijk om. Satisch weet van zichzelf: “Ik kan lui zijn”. En dan met humor: “Ik  ben de luiste vechter die Nederland ooit heeft voortgebracht”. Hij legt uit hoe het zit. “Pas als ik pijn voel, kom ik in actie. Soms pas na anderhalve ronde of in de laatste minuten. Af en toe speel ik ook met de tegenstander, dan duurt het even voordat ik serieus ben”. Denk  aan een grote beer die op onaangename wijze in de winterslaap wordt gestoord en de bijnaam van Jhamai is duidelijk: the Bear.

Coulissen
Tot een paar maanden terug had hij zich een come back niet kunnen indenken. Die tijd was voorbij. Satisch had het bovendien druk genoeg met werk, zijn HBO studie, met les geven op zijn sportschool en met meegaan als zijn jongens wedstrijden in binnen- en buitenland hadden. Elke dag tijd tekort. Maar het lot zocht hem op tijdens een vakantie in Amerika. Dat was in september. “Ik was als sparring partner voor Stefan Struve (MMA-vechter in UFC, VL) meegegaan en bleek onverwacht goed te gaan. Met andere wedstrijdjongens daar kon ik meekomen. Dat had ik niet verwacht, ik ben er immers al zo lang uit. En het deed me ook wat om daar in de coulissen te lopen. Weer die sfeer te ervaren. Het bleef bij me, ook toen ik weer in Nederland was”.  Hier en daar ging hij peilen: zou het gek zijn om weer te gaan vechten?
Daarna kwam als vanzelf de tijd die hij nodig had om te gaan trainen. Kort na zijn terugkeer ontstonden er problemen op school. Door een verandering in het studiestelsel kon hij zijn eindscriptie pas een jaar later verdedigen, en hij zou vier, vijf vakken moeten overdoen. “Dus ik viel in een gat”. Hij keek Bob Schreiber aan, en Bob keek terug. Veel meer was niet nodig. Er werden telefoontjes gepleegd om te horen welke tegenstanders beschikbaar waren. En toen belde India. “Het had zich dus rondgezongen in het vechtsportwereldje dat ik weer beschikbaar was”.  Het zakelijk overleg duurde kort. De tegenstander werd gevonden: “Het is een Amerikaan, meer mag ik volgens mijn contract nog niet zeggen”.

Vechtsportvader
Satisch kwam al jong in de vechtsport terecht. Als jongetje van zes jaar werd hij door zijn moeder (“Ze vond me een watje”) naar de school van Charles Dumerniët gestuurd. Daar kreeg hij een aanvullende opvoeding. Wekelijke trainingen, hoe om te gaan met agressie in het dagelijks leven (“Nooit je sport misbruiken, een waarschuwende tik is genoeg”) en de boodschap om zich te blijven ontwikkelen: als mens, als vechter. Welke sporten? Kung Fu en free fight. Van zijn vechtsportvader kreeg hij boeken en artikelen over vechtsport om te bestuderen. En hij werd onder druk gezet door de ouder wordende leraar om zelf een sportschool op te zetten. “De eerste groep begon ik toen ik achttien was, denk ik. De naam Shaolin Ryu komt van hem. Het betekent: de weg van de draak”. Charles Dumerniët is er niet meer, maar in Shaolin Ryu leeft hij voort. De school heeft na veel verhuizingen in 2007 een vaste plaats gevonden aan de Beeklaan. Satisch woont boven de school.
Het is een mooie locatie, maar ook eentje met een beladen geschiedenis. Hier woonde en stierf zijn vader. Satisch: “Als er zoiets gebeurt, leer je de mensen op een andere manier kennen”. Hij vertelt er meer over. Dat het hem zes jaar heeft gekost om weer zijn weg te vinden. Dat kwam ook door de verbouwing van het pand die hij destijds op zich had genomen. En over zijn voorgenomen huwelijk dat mede daardoor afsprong. Sindsdien wil hij geen vastigheid meer, hij leeft voor zijn sport. Zeker nu hij weer terug is in de wedstrijden. Satisch is 31 jaar en een MMA-vechter kan zeker mee tot zijn 38ste. En daarna? “Misschien”.

Mumbai
Dus zo staat het ervoor aan de Beeklaan. De comeback komt elke dag dichterbij, en de planning voor de volgende twee gevechten in 2012 is al begonnen. “Ik vecht mijn tijd uit”, zegt Satisch. Maar eerst Mumbai.

30 januari

Ja, 30 januari. De sterfdag van Lolle van Houten (1944-2008).  Ik heb hem nooit gekend en toch denk ik  vandaag vaak aan hem.  Hoe hij was. Geweest moet zijn. Dat ik hoop dat ik hem recht deed in mijn biografie. En vooral dat ik niet wil dat hij vergeten wordt. Ik hakte voor hem een plaats vrij in de Nederlandse boksgeschiedenis. Twee keer Nederlands kampioen, handenvol noordelijke titels, bokser en bodybuilder, een man van formaat.

Johan Visscher (interview)

Den Haag Centraal, 3 november 2011

Bokskampioen Johan Visscher in de ring:
“Ik ga vechten tot mijn laatste adem”

Johan Visscher (31) praat zoals hij bokst. Snel. Goed kijkend waar het heen gaat. Dat oplettende. Even zwijgen, dan terugkomen met woorden als directe stoten. Over zijn tegenstander Gökhan Gedik: “Hij is sterk, hij denkt dat hij met kracht kan winnen”. Even stilte, dan bam, wat Johan zeker weet: “Dat gaat hem niet lukken”. Er zit spanning achter die woorden. Noem het concentratie. Want elke dag komt die wedstrijd dichterbij.

Zaterdagavond heeft hij de zevende partij in het grote boksgala van de Haagse Directe. “Voor eigen publiek, dan kun je toch niet verliezen?” Dus hij is gespannen. “Ik sta ermee op en ik ga ermee naar bed”. Maar op de goede manier. Niet beklemd. Alert. Dat zal de komende dagen sterker worden. Hij zal niet de fout maken om een tegenstander te onderschatten. Daarvoor heeft hij genoeg ervaring, als bokser en als mens. Sinds mei bezit hij de kampioenstitel van Nederland in zijn gewichtsklasse. Dat hij dus wat kan, wil hij zaterdag laten zien. Die Gedik heeft hij zelf uitgekozen.
“Hij vormt een uitdaging. Op de kampioenschappen in mei verloor hij van Tom Cohen, van wie ik in de finale won. Fysiek is Gedik sterk. Hij komt uit het kickboksen, dacht ik”. Er is recent een ontmoeting geweest in Apeldoorn, bij ABCC, de boksschool van Gedik. Johan lacht wat bij de herinnering. “Sparren was het. Een training, maar het wedstrijdelement zit er al gauw een beetje in. Kijk, ik kwam op zijn terrein, het is natuurlijk zijn boksschool, dus hij wilde zich laten gelden tegenover mij. Imponeren”. Het is duidelijk dat het niet gelukt is, maar Johan heeft wel uit die avond zijn conclusies getrokken voor zijn wedstrijdtraining. Die was de laatste tijd toch al wat steviger. Hij is, evenals clubgenoot Erdinc Cetin, gevraagd voor het nationale boksteam Dutch Windmill. Dat bokst in de Bundesliga, een Duitse competitie. Het is er harder dan in Nederland. Dus is er hardere training nodig: “Intervaltraining voor de conditie. Denk aan sprinten afgewisseld met squats. En core training, omdat krachttraining erbij hoort op dit niveau”.
Bij de Haagse Directe staat hij sinds kort met een van Nederlands beste profboksers twee keer per week in de wedstrijdring: zwaargewicht Richel Hersisia. Met merkbaar ontzag noemt Johan zijn sparringpartner “hoffelijk”. De uitleg: “Hij is groot en sterk, maar hij houdt zich in. Door hem leer ik het fysiek zware van het boksen. Hij zet je onder druk. En hij imponeert natuurlijk, hij domineert de ring door er alleen al te staan. Als ik met Richel kan sparren, dan kan ik Gedik zeker aan. Daarbij ben ik de betere technische bokser”.

Rollercoaster
Zaterdag is het Johans tweede wedstrijd van dit jaar. Soms is een boksjaar slecht gevuld. Andere jaren waren voller; in totaal staan er 43 wedstrijden op zijn naam, waarvan hij er ruim het merendeel won. Een keurige score, vooral omdat daar de finalewedstrijd om de Nederlandse titel bij zat. Niet de gemakkelijkste wedstrijd van zijn boksloopbaan. Evenmin de mooiste. Zijn trainers hadden gezegd dat hij moest gaan. Dat hij er klaar voor was. Dus hij ging, maar wat het publiek niet zag, beleefde hij intensief voor zichzelf. Behoedzaam vertelt hij: “De wedstrijd was in mei. Begin april was mijn vader overleden. In de ring dacht ik aan hem, en ik wilde ook voor hem winnen. Voor mij was het een beladen wedstrijd. Het contact was slecht, maar ik denk dat hij in zijn hart trots op mij was geweest. Al heeft hij dat nooit gezegd”. Afstandelijk: “Je blijft toch een kind van je ouders”. En weer over de wedstrijd: “Erna was ik kapot. Emoties. Maar ik wist ook, als ik dit kan, dan kan ik meer”.
Hoe je bent als mens, zo ben je ook als bokser. Maar je weet nooit welke aspecten van jou in de ring naar voren komen. Dat maakt de sport zo fascinerend. In de ring is geen speelruimte meer. Dan komt het erop aan. Voor Johan zijn de laatste jaren een rollercoaster geweest van ups en downs. Dat dwong een karakterverandering af. Hij is volwassener geworden. Meer man. Verloor hij vroeger nog tijd in het uitgaansleven, nu neemt hij verantwoordelijkheid voor zijn doelen. Zondagochtend een harde training. Anders sliep hij uit. Die tijd is geweest. Tijd, weet Johan, tijd is kostbaar spul. Over zijn vader: “Het is nu klaar, de goede en de slechte dingen neem ik mee en die moet ik verwerken”. Hij heeft sinds begin dit jaar een vriendin en kijkt naar de toekomst: “Je weet nooit hoe lang iets duurt, maar ik ga ervoor. Misschien het gezin, ja, dat zou heel goed kunnen”. Over zichzelf: “Voor een bokser ben ik met mijn 31 jaar oud. Ik zet een volgende stap, en verder denk ik bewust niet”.

Duitsland
Die stap is dus de bokscompetitie in Duitsland. Of het bevalt, moet blijken. Dit jaar heeft Johan Visscher zijn wedstrijden hier, maar straks verwacht hij zowat elke maand in de ring te staan. “Dan bouw je een wedstrijdritme op en daardoor boks je beter. Ik ga eerst eens zien wat het hardere met me doet. Wanneer ik last krijg van de klappen, dan stop ik ermee. Het zijn toch je hersenfuncties die je misschien aantast. Daar moet je voorzichtig mee zijn”. Als je tenminste geraakt wordt. Hij is nog nooit KO gegaan. En wat hij ook geleerd heeft in het afgelopen jaar: rustig blijven. “Als er een grote jongen de ring in komt met het plan mijn kop eraf te slaan, dan moet ik kalm blijven. Op de Haagse Directe zeggen ze dan: ‘je hebt het niveau, gedraag je ernaar’. Ik voel dan misschien wel angst, maar dan kan ik gewoon het gevaar tegemoet gaan”. Daarvoor is hij bokser. En door wat hij als mens heeft meegemaakt, is hij sterker geworden. Mentaal, emotioneel. Training doet wat er verder nog nodig is. Met dank aan anderen, want in het Olympisch boksen zit immers geen geld. Op de boksschool trainen Chris van Veen en Reinier van Delden met hem. Ze kennen hem door en door, want Johan bokst er al zo’n veertien jaar. Buiten de Haagse Directe begeleidt Rob Bueno de Mesquita hem deze keer met voedingsadvies en de core,- en intervaltrainingen. En Johan zelf werkt nog als hovenier/boomverzorging en zoekt naar een passende baan in de HBO electrotechniek. De dagen zijn lang en zwaar. Zeker nu, met het grote Haagse boksgala op komst. Hij weegt zijn woorden zorgvuldig: “Ik zeg niet dat ik ga winnen, dat is gevaarlijk. Maar ik zeg wel dat ik er alles aan doe om te winnen. Gedok wil zich laten gelden? Daar ben ik verder niet mee bezig. Ik focus op mezelf en op mijn training. De stijlprijs hoef ik niet, het gaat me niet om mooi boksen”. Het is even stil en dan komt wat hij eigenlijk vindt. “Ik moet winnen.” En uiteindelijk: “Ik ga vechten tot mijn laatste adem”.